Merkentwist

Ebele Wybenga (17) weet alles over merken.

Hij schrijft voor spunk.nl over textiel met en zonder labeltje.

Voor een stukje textiel met het juiste label heb ik een vreemd soort eerbied. Mijn goede vriend Joost heeft geen last van dit verschijnsel. Hij is een man van principes. Niet alleen ontziet hij biggetjes door ze van zijn bord te weren; hij beschouwt merkkleding als groteske onzin. Het dragen ervan wel te verstaan, want niemand in mijn vriendenkring proost in de kroeg zo enthousiast `op het kapitalisme!' als hij.

Sinds onze vroegste middelbare-schooltijd woedt tussen ons een hevige discussie over de wenselijkheid van merkjes. Om zijn argumenten kracht bij te zetten nam Joost me mee naar Nederlands succesvolste textielsuper. Dit was voor mij terra incognita. Schuchter overschreed ik als imagogevoelige veertienjarige de drempel. Het eerste dat me trof was de geur: een melange van goedkoop plastic en stoffigheid met een vleugje zweet van lang vertrokken klanten. Hier geen kooplust-opwekkende parfum, subtiel verspreid door een soort Air-Wick airconditioning. Moslima's en oerhollandse huismoeders woelden kordaat in de bakken damesondergoed en kinderpyama's. Alles was hier blauw, geel of gebroken wit. Er was geen enkele moeite gedaan om de ruimte te laten lijken op de salon van een New England-stijl strandhuis of op een Milanese loft. Puur functioneel, niets teveel. Hier dartelden geen gladde verkopers rond die je bestedingsruimte beoordelen door te letten op je schoenen en je oogopslag.

Joost griste achteloos een paar overhemden uit het schap. Na een vluchtige blik of de maat ongeveer klopte stapte hij door naar de kassa. Degelijke witte hemden, in plastic verpakt katoen.

De prijs van zijn aanwinsten kon me niet ontgaan. Op een bordje stond het bedrag in vette zwarte cijfers, naast een hinderlijk lachend matroosje. Verontrustend voor mij, maar in principe prettiger dan de jachtige queeste naar de prijs die ik gewend ben. Om het prijsstickertje te onthullen moet ik meestal allerlei labeltjes, miniboekjes en echtheidscertificaatjes wegpellen. Vragen aan de verkoper diskwalificeert je als vanzelfsprekend kapitaalkrachtige klant.

De overhemdencollectie van Joost groeide tot over de honderd stuks, terwijl mijn garderobe exclusief maar klein bleef. Wassen en strijken was er voor hem niet bij. Geregeld haalde hij een nieuwe stapel overhemden bij zijn gebruikelijke leveranciers. Zelfs midden in Londen vond hij voor zes pond goede overhemden bij een Britse equivalent van Zeeman. Onze Bristol versus Bonneterie discussie is nooit opgehouden maar werd minder fel doordat onze puberale competitiedrang door de jaren heen verminderde.

Joost hield zijn klasgenoten een paar uur voor de gek nadat hij zorgvuldig een Tommy Hilfiger logo had getekend op een wit Hema-overhemd. Die worden overigens in dezelfde fabriek gemaakt als die van Hugo Boss.

Op een dag verklaarde Joost dat hij Ralph Lauren inmiddels oké vond maar dat hij Tommy Hilfiger nog steeds principieel afkeurde. Een RL-dragend vriendinnetje had zijn rigide opvatting iets verzacht. Niet lang daarna kondigde zijn grote zus aan voor hem een stapel in dollars aangenaam geprijsde Ralphjes mee te nemen uit de VS.

Zo lukte het hem niet langer om de grote labels volledig te ontlopen. Maar Joost is nooit van zijn geloof gevallen. Opgetogen deelt hij me mee dat zijn Ralph Lauren trui is gaan pillen en dat er een gat zit in de Hilfiger polo die hij vanwege de `geweldig lelijke' gifgroene kleur op Schiphol gekocht had. Hij gaat ze allebei weggooien meldt hij glunderend. Mijn door hem aangestichte kennismaking met Zeeman heeft me niet onberoerd gelaten. Ik koop er nu mijn sokken.