Jan Douwe van der Ploeg: schaalvergroting van boerenbedrijven is onzin

Dit weekend treffen de Europese ministers van Landbouw elkaar op de boerderij van minister Veerman voor informeel beraad. Hoogleraar rurale sociologie Jan Douwe van der Ploeg uit Wageningen discussieert met Folkert Jensma over onterechte schaalvergroting, de vrije markt, vluchtende boeren en melk van negen maanden oud.

Vorige week stond er in de krant dat drie melkveehouders per dag hun bedrijf staken. In totaal zouden er iedere dag wel tien boeren de deuren sluiten. Viert Brussel hier terechte triomfen of zijn we op de verkeerde weg?

,,Welke bedrijven dat zijn, waarom ze verdwijnen en welke gevolgen dat heeft daar wordt in Nederland nauwelijks nog over nagedacht. De cijfers over het totaal aantal boerenbedrijven kunnen er wel dertig procent naast zitten. Dus ook over wát er precies gaande is, is onzekerheid. Het standaardverhaal is dat de landbouw is gebaat bij schaalvergroting. Als er bedrijven verdwijnen dan is dat zelfs heel goed, want dat maakt ruimte vrij voor andere bedrijven, die het beter doen. Die industrialisatie is het verst gevorderd in de intensieve veehouderij en de glastuinbouw, maar begint zich nu ook in de grondgebonden teelten aan te dienen.''

Het evangelie van Mansholt blijft dus opgaan?

,,Ik heb de stellige indruk dat het niet zozeer de kleine bedrijven zijn die verdwijnen, maar vooral de grotere geïndustrialiseerde bedrijven. Die hebben veel geïnvesteerd in groei, ze maken minder voer zelf, kopen voer aan, gebruiken minder eigen mest, maar kopen kunstmest, ze laten veel werk doen door loonwerkers, ze hebben hoge kosten en een smalle marge. Als de opbrengst daalt dan kunnen ze dat niet opvangen.

Dat hoeft ook niet erg te zijn de productie verplaatst zich dan.

,,Ja, dat zie je ook. Ze verkassen naar goedkopere gebieden. De melkveehouderij gaat naar Polen, Oost-Duitsland, Canada, VS, de glastuinbouw naar Spanje. Dat is ook niet zorgelijk zolang Nederland een exporterend land is. Maar wat gebeurt er als er steeds meer productie wegvalt uit Nederland? In hoeverre sla je dan de bodem uit de infrastructuur rond de landbouw: de banken, loonwerkers, de verwerkende en toeleverende industrie. In de landbouw zelf heb je 250.000 arbeidsplaatsen, daar omheen zit hetzelfde aantal. Die zijn mede afhankelijk van een florerende primaire productie.''

Laten we bij de melkveehouders blijven – als die vertrekken dan blijven de koelschappen in de supermarkt heus wel vol.

,,Vast. Maar je komt in grote delen van het land toch met grote problemen te zitten. Reken eens na hoeveel sloten er zijn per 100 hectare en hoe groot Nederland is. Die moeten allemaal een keer per jaar worden geschoond. Anders raakt Nederland verstopt en krijg je nog meer overstromingen dan nu. Dat schonen doet nu de boer of hij betaalt er de loonwerker 30 eurocent de strekkende meter voor. Wat zou dat kosten als ambtenaren dat doen, met nieuwe machines, binnen kantoortijd?

Hoe ziet de toekomstige boer er dan uit? Is dat een caravan-stalhouder, annex kampeerboer met een slotencontract van het rijk?

,,We hebben de afgelopen 30 jaar een fictie gecreëerd van de agrarische ondernemer die opereert volgens de logica van de markten; de klassieke boer zou verdwenen zijn. Maar het is juist die agrarische ondernemer die in de moeilijkheden komt. En tot verbazing van velen komt daarachter die `oude boer' weer tevoorschijn. Springlevend en vrolijk – rabiaat als het moet. Er komen nu nieuwe vormen van gemengd bedrijf op die verwijzen naar die oeroude robuuste economie van het boerenbedrijf. Met meerdere activiteiten, zodat men voldoende weerbaar is om te kunnen overleven. Autonoom, anticyclisch, eigen wegen zoekend. Internationaal noemen ze dat het `polyvalente bedrijf'. Zo'n boer melkt bijvoorbeeld vijftig koeien, laat die melk ten dele op het bedrijf zelf verkazen, produceert daarnaast graan, heeft een eigen maalderij en levert rechtstreeks aan een vijftal ketens. Hij pacht 800 hectare van Natuurmonumenten, met daarin een vetweiderij waarvan het vlees onder eigen merk naar restaurants gaat. Hij heeft er een fikse manege bij met daarin een aantal wooneenheden. Volgens de oude logica zou dit onmogelijk zijn: een bedrijf moet specialiseren om te kunnen overleven.''

Die specialisatie is waar we van Mansholt tot en met Veerman ook naar gestreefd hebben.

,,De terugkeer van zulke polyvalente bedrijven is een autonoom proces dat voortvloeit uit welbegrepen eigen belang. Op zulke bedrijven werken 8 tot 10 mensen, niet alleen de boer en z'n vrouw. Dit zijn niet de boeren die lopen te kreunen en te piepen dat de prijzen te laag zijn. Als dat zo is zoeken ze andere relaties met de markt, of nieuwe markten. Deze boeren zijn meestal hoger opgeleid, jonger, hun bedrijven zijn groter en in de bedrijfsvoering spelen de vrouwen vaak een doorslaggevende rol.

,,Europa is al afgestapt van doorgaande industrialisatie in de landbouw. Nederland is nog lang niet zover. Brussel is begonnen om de economie van het platteland in brede zin te gaan steunen en de boeren zo in de benen te houden. Dat is heel verstandig.''

Maar als je de voedselmarkt liberaliseert, zoals Brussel doet, dan kun je toch net zo goed het platteland verder ook aan de wetten van vraag- en aanbod overlaten? Dat worden dan overloopgebieden van de steden.

,,Dan laat je dus ook voedselzekerheid, voedselkwaliteit, voedselveiligheid, de kwaliteit van de groene ruimte, het dierenwelzijn en de relatie met de Derde Wereld aan hun lot over. Een jaar geleden was er ook een informele landbouwraad, in het Italiaanse Taormina. Ik was toen lid van de Italiaanse delegatie. Daar is veel gesproken over de vraag of de Europese landbouw verder zou gaan naar een kale vrije markt met afschaffing van elke vorm van landbouwpolitiek. Of is er een nieuwe landbouwpolitiek denkbaar in het post-liberalisatietijdperk? Een politiek die niet de markten verstoort en toch een positief effect heeft? Van de 25 landen zeiden er toen 21 dat ze juist landbouwpolitiek nodig hadden om te voorkomen dat de zaken gierend uit de klauwen zouden lopen. Vier landen wilden doorgaan tot een kaal liberalisme. Nederland was er een van. Heel opmerkelijk.''

Maar de vrije markt stelt het individu in staat om eigen keuzes te maken. Mensen kunnen dat best.

,,Ik geef een voorbeeld. In het Parmalat-schandaal bleek dat dat bedrijf een techniek had ontwikkeld waarmee ze inferieure melk uit de Oekraïne, letterlijk van 9 maanden oud, zo konden bewerken dat ze het in Italië als `latte fresco' met de aanduiding `blu' op de markt konden brengen. Dus Blauwe Verse Melk. Willen we daarvoor kunnen kiezen? Wat is het platteland ons nou waard; wat zijn de relaties met andere landen ons waard?''

Toch hoor ik de agrarische lobby in Nederland niet praten over die polyvalente boer en de Derde Wereld die protesteren vooral tegen de melkprijs in de supermarkt.

,,Die boeren over wie ik het heb, vallen niet in hun morele categorie. Dat noemen ze Ot-en-Sien-boeren; de productie van veehouders die betaald aan natuurbeheer doen wordt weggezet als `houthakkersmelk'. In Nederland voeren we een hopeloos achterhoedegevecht, als je het vergelijkt met Europa. Dat kan ook nog wel eens rampzalige consequenties hebben. In het oosten van het land, met dat prachtige coulisselandschap, argumenteren de boeren voor schaalvergroting. Men denkt daar dat ze toe moeten naar wereldmarkt-bedrijven. En dus wil men over tenminste dezelfde condities beschikken als de boeren in de Flevopolder. Dat betekent perceelvergroting en drastische kaalslag. Het ministerie van Landbouw en LTO Nederland hebben grote moeite om aan te haken bij de Europese omslag naar plattelandsbeleid. Het is voor het eerst in de geschiedenis dat landbouw hier geen vanzelfsprekendheid meer is. Technisch en economisch is het niet ondenkbaar dat straks de landbouw uit Nederland verdwijnt.

,,Ons standaardverhaal is dat door liberaliseren en schaalvergroten de beste bedrijven winnen, die zich richten op de wereldmarkt. Vergeet het maar. Dat kan helemaal niet in Nederland. Door onze regelgeving is de landbouw hier een georganiseerde langzaam-aan-actie geworden. Er kan bijna niets meer. Het zullen niet de sterk industrialiserende agrarische ondernemingen zijn die zullen overleven, maar de typische boerenbedrijven, sterk gemengd, die allerlei taken uit de industrie terugnemen, producten weer zelf verwerken en afzetten en daarin ook een sterke economische basis vinden.''

Wordt het tijd voor een omslag in de publieke opinie: tegen de wereldvoedselmarkt die het hele jaar door sperzieboontjes uit Senegal, broccoli uit Guatemala en lamsvlees uit Australië mogelijk maakt?

,,Ja, we eten vooral voedselkilometers. Die reiken tot daar waar je schaamteloos de factor grond en de factor arbeid kunt uitplukken. Het is een kwestie van niet willen weten. Er is veel bekend over de ecologische ravage die in veel derdewereldlanden wordt aangericht. Dat is direct gekoppeld aan onze importbehoefte. Op dit moment weet de consument niet of het kippenvlees uit Nederland komt of uit Thailand en vervolgens is opgepompt met water en varkenseiwitten.''

De paradox is dat we ethische bezwaren zouden moeten hebben tegen wat er op ons bord ligt, terwijl we onverschillig het platteland aan de industrialisatie prijsgeven.

,,Natuurlijk ontstaat er een situatie die verwerpelijk is. Vergeet ook niet dat deze processen niet omkeerbaar zijn: als we ten gunste van Brazilië grote delen van onze productie staken, komen die nooit meer terug. Daar heb je dus landbouwpolitiek voor nodig. We kunnen bijvoorbeeld met certificering veel verder gaan. Dat heeft Zwitserland laten zien; die gooiden in 1990 hun markt volledig open, maar plakten op ieder stuk vlees dat daarvoor in aanmerking kwam een sticker met `Dit is geproduceerd op een manier die in Zwitserland verboden is'. Maar tegen certificering is in Den Haag forse weerstand. Dat wordt gezien als verstoring van de vrije markt. Ik vind dat niet erg slim. De klant moet het nu maar uitzoeken. Certificering blijkt in Zwitserland heel effectief. Je gaat toch geen bagger aan je kinderen geven?''

Maar het Nederlandse landbouwbeleid richt zich juist op de wereldvoedselmarkt. Daarin is deze benadering toch veel te kneuterig?

,,Die wereldvoedselmarkt is een fictie. Het is een flinterdunne laag van de hele wereldvoedselproductie. Veruit het grootste deel van wat mensen consumeren wordt binnen 25 kilometer geproduceerd van hun woonplaats. Zo hoort het ook. Nederland heeft bijvoorbeeld 20 procent van de wereldhandel in tomaten in handen. Maar wat zegt dat? De Nederlandse tomatenproductie is maar een half procent van de totale wereldproductie – dus onze `wereldhandel' in tomaten is maar een paar promille van de wereldproductie. Zouden wij van daaruit dan een sturende invloed op de productie en circulatie van tomaten in de hele wereld moeten hebben? Dat is toch knots? Wij jagen de fictie na dat voedselproducten in de wereld `free floating commodities' zijn. En dat je vanuit de goedkoopste productieplaats de hele wereld het meest doelmatig bijvoorbeeld van tomaten kan voorzien. En dat dat ook wenselijk is. Nee hoor, zodra de energieprijzen stijgen vallen we met een harde smak op de bodem.''

En dan komt het lamsvlees voortaan vanzelf uit Texel.

,,Alleen als daar dan nog boeren zijn.''

Jan Douwe van der Ploeg is hoogleraar rurale sociologie aan de universiteit van Wageningen

    • Folkert Jensma