In topsport bepaalt geld veel, maar nog niet alles

Staat in de VS winstmaximalisatie in de sport voorop, in Europa telt de sportieve winst nog altijd zwaarder, aldus de Belgische econoom Trudo Dejonghe in zijn boek Sport en economie.

De vraag in hoeverre sport en politiek gescheiden moeten worden, heeft in het verleden (Olympische Spelen, Zuid-Afrika) tot heel wat verhitte discussies geleid – maar nooit tot een bevredigend antwoord. De vraag of sport en economie gescheiden moeten worden hoeft niet meer te worden gesteld. Sport is als economische factor niet meer weg te denken. En omgekeerd: economie is niet meer weg te denken uit de sportwereld.

Kijk naar het voetbal, waar topvoetballers heuse investeringen zijn geworden. Real Madrid kocht vorig jaar de Britse voetballer David Beckham voor veel geld: inclusief de transfersom kost deze speler voor een termijn van vier jaar zo'n 60 miljoen euro (exclusief winstpremies). Alleen al de verwachte opbrengst van merchandising (verkoop van clubartikelen) laat zien dat de Brit snel zijn geld waard zal zijn. In Zidane's eerste jaar (2001/2002) bij Madrid gingen er 480.000 shirts met zijn naam erop over de toonbank. Winst: 42 miljoen euro.

In het recent verschenen boek Sport en economie presenteert econoom Trudo Dejonghe talloze voorbeelden van gebieden waar sport en economie elkaar raken. En heel vaak speelt ook de politiek een rol, bijvoorbeeld wanneer een stad of regio een groot sportief evenement wil organiseren. Dejonghe, docent aan Vlekho Business School in Brussel, noemt zelf de plannen van Vlaanderen om de Olympische Spelen binnen de grenzen te halen. Van nog recentere datum is de poging van burgemeester Opstelten van Rotterdam vorige maand om de start van de Tour de France over een aantal jaren naar zijn gemeente te halen.

Aan al deze initiatieven liggen impact-studies ten grondslag waarin de kosten tegen de verwachte opbrengsten worden afgewogen. Daar valt volgens Dejonghe nogal wat op af te dingen. Veelal wordt gekeken naar de totale bestedingen, terwijl alleen de extra uitgaven een rol zouden moeten spelen.

Wat resulteert zijn te hoge cijfers, vooral ,,als overheden en sportfederaties de cijfers beginnen te interpreteren'', schrijft Dejonghe en hij neemt onder meer het overeind houden van het Heerenveense ijsstadion Thialf als illustratie. De gemeente kwam tijdens verschillende reddingsacties met miljoenen over de brug, onder meer wegens de ,,internationale uitstraling, waarvan een belangrijke impuls uitgaat op de economie van Heerenveen''. Feiten over de werkelijke impact van Thialf hebben nooit een rol gespeeld. Volgens Dejonghe is Thialf een mooi voorbeeld van een lokale overheid die ,,subsidies toekent op niet-rationele gronden, zoals uitstraling en imago''. Antwoord op de vraag of die betere uitstraling in de praktijk ook echt geld oplevert blijft uit. Voor gemeentelijke steun ten behoeve van het betaald voetbal geldt volgens hem hetzelfde. ,,In veel gevallen is dat een manier om de hoge lonen van een aantal `verwende' profsporters te betalen.''

Dejonghe pleit voor meer onderzoek om het belang van sport (topsport en breedtesport) voor de economie beter te onderbouwen. De zichtbare bestedingen aan sport – van hardloopschoenen tot contributie – vormen in Nederland 2,2 procent van de particuliere consumptie. De omvang van de onzichtbare bestedingen, zoals bij de passieve sporter, is onbekend. Andere financiële stromen zijn subsidies, sponsoring en betalingen aan sporters en coaches.

In de Verenigde Staten is de verbondenheid van sport en economie veel hechter en explicieter. Daar wordt niet vreemd opgekeken wanneer een econoom onderzoekt of een honkbalspeler zijn geld wel waard is. In onderhandelingen met de honkbalclubs gebruikten de spelers in het verleden zelfs gegevens over `hun marginale opbrengsten' – de extra verdienste dankzij de individuele arbeid – om hun salaris (de marginale kosten) omhoog te krijgen.

De Amerikaanse sportwereld wordt gedreven door winstmaximalisatie, terwijl in Europa nog de sportieve winst voorop staat. Het winststreven heeft ook de gesloten structuur van de Amerikaanse competities bepaald: promoveren of degraderen is bijvoorbeeld niet mogelijk. Bestaande anti-kartelwetgeving geldt in het liberale Amerika niet voor de sportwereld. Zo verkopen de leagues gezamenlijk de televisierechten: een jaar geleden kwamen de Nederlandse betaaldvoetbalclubs nog in conflict met de mededingingsautoriteit NMa die een gezamenlijke verkoop van televisierechten verbood.

Juist de televisie heeft het de afgelopen eeuw mogelijk gemaakt om voorheen lokale sportevenementen in de huiskamer van de hele wereld te brengen. Tegelijkertijd profiteren de televisiezenders van het grote aantal kijkers bij sportwedstrijden: nu al heeft de Amerikaanse maatschappij NBC 1,18 miljard dollar geboden op de Spelen van 2012, hoewel die nog niet eens aan een stad zijn toegewezen. De uitzendingen vanuit Athene kostten de Amerikaanse televisie 793 miljoen dollar.

Maar er zijn grenzen aan de groei. Commerciële tv-maatschappijen als het Duitse Kirchmedia en het Britse ITV Digital gingen op de fles. Twee jaar geleden moesten de Griekse voetballers een salarisdaling van 20 procent accepteren omdat betaalzender TV Alpha zijn toezeggingen niet kon nakomen. De strijd om het kampioenschap moest zelfs door de financiële problemen tijdelijk worden stilgelegd. Het recente Europees kampioenschap van de Grieken laat zien dat geld nog niet alles bepalend is in de topsport.

Het boek van Dejonghe biedt een boeiend overzicht van een, voor Europeanen, betrekkelijk nieuwe wereld. Al gaat de Belgische auteur zich soms te buiten aan economische formules, de praktijkvoorbeelden uit de mixed zone van sport en economie maken dat ruimschoots goed.

Trudo Dejonghe: Sport en Economie. Een noodzaak tot symbiose, 2004 Nieuwegein, ISBN 9077072640.