Et in Academia ego

Komende week begint het nieuwe academische jaar, en dus wijdt Pieter Steinz het dertigste deel van zijn serie over thema's in de wereldliteratuur aan de universiteit in het algemeen en Vladimir Nabokovs Pnin in het bijzonder.

Toegegeven, François Rabelais schreef al in de zestiende eeuw over de uitwassen van het Parijse universiteitsleven. En Britse schrijvers als Max Beerbohm en Evelyn Waugh lieten in de eerste helft van de twintigste eeuw zien hoe decadent en elitair het studeren in Oxbridge was. Maar de zogeheten campusroman, de satire op de `small world' van luie studenten en ijdele professoren (en vice versa), is een uitvinding van na de Tweede Wereldoorlog. In tijden van groeiende studentenaantallen en uit de grond gestampte `redbrick universities' (die vaak vooral in staal en beton waren uitgevoerd) richtten gefrustreerde en anderszins literair begaafde universiteitsdocenten hun pijlen op hun eigen omgeving. Een van de eersten, en nog steeds de beroemdste, was Kingsley Amis (de vader ván), die met Lucky Jim de sluizen voor de campusroman openzette. Zijn bekendste navolgers, Malcolm Bradbury (1932-2000) en David Lodge (1935), konden er nauwelijks van loskomen: vele van hun romans beschrijven de universiteit als een microcosmos waarin overspel, klassentegenstellingen, politieke conflicten en jalousie de métier welig tieren.

In de Verenigde Staten was het Mary McCarthy die met The Groves of Academe (1952) de universitaire roman in de Amerikaanse traditie verankerde. Dat de mogelijkheden van het genre nog lang niet uitgeput zijn, bewees een paar jaar geleden Philip Roth met zijn woedende aanklacht tegen neoconservatisme en politieke correctheid, The Human Stain. Toch is de opvallendste campusroman uit de Amerikaanse literatuur geschreven door een Russische emigrant. In Pnin van Vladimir Nabokov maken we kennis met een 52-jarige Russische professor die na een kosmopolitische vlucht voor de bolsjewieken is neergestreken op een klein college in New England. Volgens de verteller van de roman is Timofey Pnin geen voorbeeld van `dat goedgemutste Duitse cliché van de vorige eeuw, der zerstreute Professor'. Maar erg handig beweegt hij zich niet door het Amerikaanse leven. Als docent wordt hij gedoogd (en belachelijk gemaakt) om zijn excentrieke persoonlijkheid; in het dagelijks leven kan hij niet overweg met de trein, met zijn collega's, en met zijn ex-vrouw; en inburgeren is een illusie omdat hij er niet in slaagt behoorlijk Engels te spreken: `If his Russian was music, his English was murder.'

Er zijn lezers die beweren dat Nabokov in Pnin de man beschreven heeft die hij zelf geworden zou zijn zonder zijn talent voor taal. Ook híj had Rusland in 1919 verlaten om via Duitsland, Engeland en Frankrijk uit te komen in de Verenigde Staten (waar hij vanaf 1941 literatuur doceerde aan Wellesley College en Cornell University). Ook híj was een émigré, maar wel een die zijn aanpassingsproblemen en zijn verwondering over zijn nieuwe vaderland dankzij superieur Engels kon omzetten in literatuur. Het mooist had hij dat gedaan in Lolita (1955), dat wegens de controversiële inhoud – man begint relatie met pubermeisje – in de Verenigde Staten pas ná Pnin zou verschijnen. Maar ook in Pnin staan de Nabokoviaanse woordspelingen, literaire verwijzingen en postmoderne grapjes (spotten met de conventies van de fictie) ten dienste van goedmoedige kritiek op een cultuur die een moeizame relatie heeft met iedereen die anders is.

Als immigrantenroman is Pnin (dat oorspronkelijk in delen in de New Yorker verscheen) nog steeds actueel. Als satire op de universiteit ook – zelfs al speelt een deel van het boek zich buiten de campus van Waindell College af. Aan het begin van hoofdstuk zes bespot Nabokov binnen een paar alinea's onder meer studentenhumor, academisch jargon, kantoorpolitiek en publicatieplicht, alsmede de zijns inziens misplaatste verering van `great writers' als Stendhal, Galsworthy, Dreiser en Mann. Iets eerder had hij zich al vrolijk gemaakt over docenten die voortdurend zuchten over `de typische Amerikaanse college-student die niets weet van aardrijkskunde, immuun is voor geluid, en denkt dat de universiteit slechts een middel is om een goedbetaalde baan te krijgen.' Van clichémeningen moest Nabokov weinig hebben; zijn pijlen waren gericht op zijn collega's en niet op studenten.

Reacties: steinz@nrc.nl

Vladimir Nabokov: `Pnin' (Penguin Modern Classics).

Volgende week in

`Lees mee met NRC':

de Middeleeuwen.

Besproken boek: `Narziss und Goldmund' van Hermann Hesse.

    • Pieter Steinz