Een volk moet meer hebben om trots op te zijn dan zijn voetballers

De sociale en politieke betekenis van voetbaltriomfen voor kleine landen kan nauwelijks worden overschat. Toch is de bijna hysterische aandacht voor het Nederlandse elftal verontrustend.

In de bundel Rembrandt heeft nooit gevoetbald stelt wijlen Nico Scheepmaker dat voetbal de meest democratische sport is die er bestaat. Zwoegende spelers winnen soms van begenadigde spelers, arme verenigingen van rijke verenigingen, en kleine landen van grote landen. Dit jaar won de regionale grootmacht Brazilië het Zuid-Amerikaanse landentoernooi en won de regionale grootmacht Japan het Aziatisch kampioenschap. Toch blijkt de wet van Scheepmaker op te gaan, want Tunesië werd Afrikaans kampioen ten koste van Marokko en Griekenland pakte de Europese schaal ten koste van andere kleine landen als Nederland, Portugal en Tsjechië. De finale van de Champions League werd in 2004 niet gespeeld door de bekende rijkste clubs maar door Porto en Deportivo.

De sociale en politieke betekenis van voetbaltriomfen voor kleine landen kan nauwelijks worden overschat. Oude haat tussen bevolkingsgroepen maakt plaats voor een begin van saamhorigheid. Gedeelde wonden uit een duister verleden worden geheeld in een herstel van nationaal zelfrespect. Miskenning en afsluiting in internationale betrekkingen worden makkelijker omgezet in ontspanning en opening. Het succes van de Griekse ploeg van oefenmeester Rehhagel past in een groter verhaal van Europeanisering en toenadering tot Turkije. Zuid-Korea kende een soortgelijke bloei toen haar voetbalploeg in 2002 de halve finales van het wereldkampioenschap op eigen bodem haalde.

Nog altijd klassiek is de finale tussen de jonge `Kleinstaat' West-Duitsland en Hongarije in Bern, deze zomer een halve eeuw geleden. De Duitse overwinning tilde een gedemoraliseerde bevolking op, iets dat met het `Wirtschaftswunder' alleen niet zou zijn gebeurd. De Hongaren verloren met een droomploeg. De doelman van die ploeg werd door de communisten verbannen naar de provincie. Hij leeft nog steeds en houdt terecht vol dat het mooie voetbal de Hongaarse toeschouwers de moed gaf in opstand te komen tegen het Stalinisme in eigen land.

Nederland heeft sinds de tweede helft van de jaren 1960 diverse generaties van uitstekende voetballers voortgebracht. In de mondiale voetbalcultuur, een van de weinige voorbeelden van wereldcultuur zonder Amerikaans leiderschap, neemt het land een vooraanstaande plaats in. Dat wordt gepresteerd met een eigen stijl (totaal aanvallend voetbal), enkele grote clubs die meedingen op het hoogste niveau, een galerij van onsterfelijk geworden spelers onder aanvoering van Johan Cruijff, een leger oefenmeesters dat over de hele wereld uitzwerft, een min of meer continu gevuld arsenaal spelers bij vooraanstaande buitenlandse clubs, een aantrekkelijke competitie tussen betaalde voetballers, een rijk verenigingsleven van amateurs van alle leeftijden en, niet te vergeten, een bloeiende voetbaljournalistiek en zelfs voetballiteratuur. Het fotoboek Hollandse velden van Hans van der Meer geeft een ontroerend beeld van de voetbalcultus.

Naast dit reusachtige cultuureffect is er een nog opmerkelijker invloed op de nationale identiteit. Tijdens de grote toernooien leven miljoenen Nederlanders zich uit in een uitbundige en feestelijke sympathie voor Oranje. Ook vrouwen, immigranten en winkeliers zijn van de partij. Herman Pleij noemde dit het inhaalnationalisme, omdat aan de massale viering van voetbal in alle lagen en buurten een periode van ontkenning van nationale eigenheid voorafging. We kunnen inmiddels wel spreken van alledaagse voetbalvaderlandsliefde. Aan de ene kant is het Oranje-wij-gevoel helemaal genormaliseerd, aan de andere kant hebben de Nederlandse politici en overige elites de waarde van een uitdrukkelijk landelijk en idealistisch zelfbeeld in tijden van mondialisering herontdekt.

Uiteraard zijn er talloze Nederlanders die om goede redenen niet van sport houden en al helemaal niet van lange uren plichtmatig spel en holle nabeschouwing op de beeldbuis, of die wel liefhebber zijn maar dan zonder een groots verband te leggen met de kwaliteit van de Nederlandse beschaving of de Nederlandse burgerzin. Maar toch kunnen zelfs deze minderheden niet om een dubbele waarheid heen. Een: de ene overwinning van het nationaal elftal (EK 1988) en vooral de talloze nederlagen (WK 1974, WK 1978, WK 1998, EK 2000, EK 2004: de lijst is bepaald niet uitputtend) zijn in het volksgeheugen gegrift. Bepaalde wedstrijden zijn niet meer weg te denken uit de gesprekken en de herinneringen van velen. Een mentaliteitsgeschiedenis van Nederland na de wederopbouw zonder aandacht voor dit aspect van de populaire cultuur is bij voorbaat al mislukt.

En twee: het Nederlandse voetbalelftal is een symbool en drager geworden van de Nederlandse identiteit, waarbij Cruijff niet alleen in Catalonië maar ook in eigen land algemeen wordt gerekend tot de grote helden. Ik kan het niet sociaal-wetenschappelijk bewijzen, maar ik heb het idee dat het voetbalelftal in de buurt begint te komen van het koningshuis als het om instellingen gaat waarop men trots is en trots wil blijven. Eerbiedwaardige instituties als de grondwet uit 1983, de Rotterdamse haven en de bloementeelt (de tulp) zijn al lang voorbijgerend. Voor vele Nederlanders, onder wie hoog opgeleide bedrijfsbestuurders op zoek naar exemplarische ondernemers, is Cruijff representatiever voor het Nederlanderschap dan alle naoorlogse premiers bij elkaar.

Elke keer als de Olympische Spelen weer voorbij zijn, val ik terug op voetbal (plus de wielerklassiekers). Ik zie geen kloof tussen deelname aan de hoge cultuur van de universiteit en deelname aan de lage cultuur van het voetbal, als kijker en begeleider van het elftal van mijn zoontje (Victoria 1893). Ik zie ook geen enkel bezwaar tegen een burgerlijk nationalisme dat mede de voetballerij omvat. Sterker nog, voetbalverenigingen en hun federatie (de KNVB) zijn onmisbaar geworden in de huidige campagne tegen de segregatie tussen wit en zwart. Maar ondanks, ja door deze positieve grondhouding tegenover de moeder der democratische sporten meen ik dat de opgefokte stemming tijdens het Portugese toernooi een dubbele valsheid aan het licht heeft gebracht.

De openbare voetbalcultuur alhier is onderhevig aan verloedering, terwijl het elftal een te grote plaats inneemt in onze verbeelding, niet zozeer omdat het faalt – zelfs de fanatieke voetbalpatriot kan op den duur leven met de tweede plaats – maar omdat andere instellingen buiten de sport falen om Nederlanders een gepast gevoel van trots te geven.

Het chronische vandalisme en extremisme van een deel van de aanhangers van de verenigingen is het meest in het oog springende symptoom van verloedering. Maar er zijn veel meer tekenen aan de wand.

Het rolmodel voor onze jeugd wordt gevormd door steenrijke narcistische horken die vaak hun belofte nog moeten waarmaken, waar iemand als de zwemmer Pieter van den Hoogenband maar eenmaal in de vier jaren de aandacht trekt. Ambitieuze ouders, oefenmeesters en spelertjes imiteren de harde, soms ronduit gewelddadige overtreding, de manipulatie en intimidatie van de scheidsrechter en het schelden en ruzieën langs de lijn uit het beroepsvoetbal alsof dat legitieme sportieve handelingen zijn. Ouders jagen hun jongens op om het topclubniveau te halen en daarvan zelf beter te worden ook als die jongens geen schijn van kans maken bij de selectie en ze achterop raken in de schoolklas. Gemeenten met financiële moeilijkheden subsidiëren de plaatselijke vereniging overmatig uit vrees voor volkswoede, handtastelijkheden van de aanhang en amok onder jonge mannen. Tja, wie of wat gaan die anders kapot maken als er geen tribune in de buurt is? Journalisten verliezen hun onafhankelijkheid door partijdigheid, zakelijke belangen en netwerken (zoals het Cruijff-netwerk). Ze proberen met hun mediumlogica ook het bestuur en de leden van de clubs en de KNVB weg te drukken als het om de aanwijzing van spelers en trainers gaat. Zo is de vervanging van bondscoach Advocaat mede het resultaat van journalistieke pressie en populisme. Tijdens het Portugese toernooi bleek het Neerlandocentrisme vanzelfsprekender dan ooit tevoren. Alle belangstelling gaat uit naar de Nederlandse spelers, terwijl de analyse van de kwaliteiten van tegenstanders en andere landenploegen en de waardering voor hun prestaties worden verwaarloosd. Hier gaan de commerciële zenders voorop in een onnodige verenging van voetbalnationalisme die door de publieke omroep niet meer wordt gecorrigeerd.

Stel dat deze verloedering afneemt door een reveilbeweging in de voetbalwereld zelf. Stel ook dat de nieuwe bondscoaches Van Basten en Van 't Schip erin slagen om het wereldkampioenschap van 2004 te bereiken met een jonge, kansrijke en leuke generatie spelers. Dan nog resteert er een scheefgroei in het nationaal bewustzijn. Nooit eerder voelden zovele kenners en gewone kijkers zich zo persoonlijk en diep gekrenkt als bij de mislukte wissel in de wedstrijd tegen Tsjechië. Hoe komt dit? Vanwaar die opgeblazen en naar hysterie neigende betrokkenheid bij een van de meest middelmatige elftallen van Nederland sinds jaren?

Het lijkt erop dat Nederlanders momenteel niet trots zijn. Bovendien kunnen ze redelijkerwijs ook niet trots zijn op de malaise van hun steden, strijdkrachten, grote infrastructuurwerken, politieke partijen, multinationale ondernemingen, waarborgen voor ordening en sociale bescherming, en algemene spelregels (verdraagzaamheid, consensus, matiging). Zelfs de wereldroem voor deze of gene architect, schrijver of gezagsdrager van een internationale organisatie kan niet voorzien in dit tekort aan gezamenlijke trots op Nederlandse instellingen en praktijken. Nederlanders zoeken het dan maar in het verleden, in gezelligheid en in het Nederlandse elftal. Het is nogal duidelijk dat topvoetballers dit surrogaat niet zullen leveren, als ze het al zouden willen.

Een volk dat enkel van zichzelf durft te houden tijdens een sportieve wedloop, verdient het niet een eigen staat te hebben. Een volk dat enkel door sportieve glorie bij elkaar wordt gehouden, houdt in feite op te bestaan. Dat is wat de recente ontbinding van de Belgische natiestaat ons zou moeten leren. Premier Balkenende heeft Jan Mulder in een open brief willen wijzen op het nut van algemene waarden en normen in het voetbalcommentaar. Ik sta achter deze speelse actie, maar teken er meteen bij aan dat nieuwe politiek op dit terrein veel verder zou moeten gaan. Voorbij is de tijd dat loopbaanpolitici in de schijnwerpers komen als sportlieden de besten blijken en wegkijken als de sport een maatschappelijke ziekte is geworden. Cultuurpolitiek vandaag wil zeggen dat de wetgever bepaalde excessen in de voetbalcultuur bestrijdt, zoals via Europese wetgeving op competitievervalsing. Zij wil ook zeggen dat politici zodanige verbeteringen aanbrengen in de grondslagen van de Nederlandse samenleving, dat onze glorie en trots nooit van één doelpunt meer hoeven af te hangen. Het kabinet-Balkenende moet niet tegen u en mij zeggen dat we trots horen te zijn op Nederland. Dat is een taak van ouders, onderwijzers en intellectuelen. Het kabinet moet bestuurlijke voorwaarden scheppen voor een werking van de overheid en de maatschappelijke orde die ons allemaal met terechte trots vervult.

Hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Amsterdam en al decennia lang liefhebber van voetbal. Hij heeft onder andere gepubliceerd over het

belang van nationale identiteit.