`Een godvergeten klerezooi'

Inspecteurs en hoofdinspecteurs voor de gezondheidszorg voelen zich geïntimideerd en gecontroleerd door hoofdinspecteur Jacques Lucieer. Het is zijn schuld, zeggen ze, dat de Inspectie al jaren slecht functioneert. Het Medisch Tuchtcollege en de Ombudsman verweten hem eerder al `onbehoorlijk gedrag' en hardheid die `geen doel dient'.

Er klinkt iets van spijt in de stem van Maarten Cohen-Stuart als hij vertelt hoe Jacques Lucieer vroeger was en hoe hij zich ontwikkeld heeft. Cohen-Stuart was Lucieers opleider in het Delta Ziekenhuis in Rotterdam, eind jaren zeventig. Lucieer, die medicijnen had gestudeerd in Leiden, specialiseerde zich tot psychiater. Cohen-Stuart, psychiater in ruste, zegt dat Lucieer kundig en ijverig was, iemand die zijn vak verstond. Maar Lucieer, zegt hij, had ook donkere kanten. En die kregen later de overhand. Hij noemt Lucieers onbuigzaamheid, zijn bureaucratische instelling, de ambtelijke manier waarop hij naar mensen en situaties keek. ,,Bij zijn sollicitatie zei hij dat hij inspecteur wilde worden. Hij bedoelde: minister.'' De andere psychiaters in opleiding, merkte Cohen-Stuart, hadden een hekel aan Lucieer. ,,Hij profileerde zich zodanig dat er weerstand tegen hem ontstond. Hij had vaak gelijk, maar hij wist dat gelijk niet aan de man te brengen.''

Jacques Lucieer is sinds 23 augustus 2001 hoofdinspecteur geestelijke gezondheidszorg en gehandicaptenzorg bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Deze zomer bleek er bij de Inspectie een conflict te zijn dat voornamelijk om hem gaat. Het kwam naar buiten doordat drie inspecteurs namens een groot aantal anderen een intern rapport van de arbodienst over de Inspectie openbaar maakte. Ze deden dat, zei een van hen in deze krant, omdat ze geen andere manier meer wisten om ,,aan de ellende hier'' een einde te maken. In het rapport stond dat veel inspecteurs en medewerkers zich door de leiding geïntimideerd en bedreigd voelden. En dat kwam door de hoofdinspecteur GG, Jacques Lucieer. Ook de hoofdinspecteur voor de farmacie en medische technologie werd genoemd. Maar de woede van de inspecteurs die het rapport openbaar hadden gemaakt, richtte zich op Lucieer, en ook op Herre Kingma, inspecteur-generaal voor de gezondheidszorg, de hoogste baas van de Inspectie. Waarom ontsloeg die Lucieer niet?

Inspecteurs zeiden in juli in deze krant dat Lucieer een man van verdeel en heers is, iemand die manipuleert en dreigt en alles en iedereen wil controleren. Wie wil gaan lunchen, moet zich bij hem afmelden, en daarna weer aanmelden. Alle e-mails die hij krijgt, print hij uit en bergt hij op in grote witte mappen. Mensen die in het landelijk inspecteursoverleg tegen hem ingaan roept hij later bij zich en scheldt hij uit.

Warlord

In het rapport van de arbodienst werd het conflict binnen de Inspectie in verband gebracht met de al jaren durende reorganisatie waarin de Inspectie verkeert. Om te kunnen voldoen aan de eisen die de samenleving aan de Inspectie stelt, moet de Inspectie veranderen in – de formuleringen zijn van inspecteur-generaal Kingma – een modern, prestatiegericht bedrijf, dat het belang van de burgers voorop stelt. Geen inspecteurs die individueel en met hun eigen kennis en ervaring naar ziekenhuizen en andere instellingen gaan. Maar inspecteurs die samenwerken in `vakoverstijgende programma's', nadat met vragenlijsten risico's zijn getaxeerd.

Die verandering is nog steeds niet helemaal voltrokken. Herre Kingma wist toen hij in juni 2000 inspecteur-generaal werd dat hij met een ,,godvergeten klerezooi' te maken kreeg. Hij stelde zich voor dat hij als een ,,warlord'' vrede zou brengen. Deze zomer bracht hij in een gesprek met deze krant het conflict binnen de Inspectie in verband met het verzet dat er nog steeds tegen de reorganisatie is. ,,Ik begrijp het wel. Het doet pijn om je professie los te laten en niet meer op jezelf, maar in teams te werken. Ik begrijp dat mensen zeggen: ik ben een enquêteur geworden, mijn kennis en ervaring doen er niet meer toe.'' Maar aan die gevoelens kon Kingma niet toegeven. Zo bracht hij het conflict binnen de Inspectie terug tot rancuneus gedrag van een paar mensen die zichzelf niet in dienst willen stellen van het hogere doel van de organisatie. Maar het verzet van inspecteurs, en van andere hoofdinspecteurs – dat blijkt uit alle gevraagde en ongevraagde reacties – is gericht tegen het centralisme dat vanaf 2000 bij de Inspectie is ontstaan, tegen de concentratie van macht op het hoofdkantoor, tegen de controle van bovenaf, tegen de in Den Haag gemaakte planningen die worden opgelegd als dienstorders. En de man die daarvoor verantwoordelijk wordt gehouden is Jacques Lucieer.

Dit najaar maken 38 van de 393 medewerkers van de Inspectie – van wie 150 inspecteurs – gebruik van een speciale ambtenarenregeling voor vervroegde uittreding. Dat zijn niet allemaal inspecteurs, maar het zijn er wel veel. Bij het ministerie van Volksgezondheid, ongeveer 1000 medewerkers, maken 32 mensen gebruik van de regeling.

De eerste openlijke tekenen van het conflict binnen de Inspectie waren er al in december 2000, toen Lucieer nog waarnemend hoofdinspecteur was. Een van de drie andere hoofdinspecteurs, Herbert Plokker, was door Herre Kingma ontslag aangezegd. Plokker werd verantwoordelijk gehouden voor de kritiek die zijn medewerkers in de krant hadden geuit op de reorganisatie. Maar Plokker vond zelf ook dat inspecteurs, vaak artsen, geen uitwisselbare pionnen in een van hogerhand geleid plan zijn. Het zijn professionals die zelf moeten nadenken.

Plokker verzette zich tegen zijn ontslag, en met succes. Hij bleef hoofdinspecteur, onder andere voor de Nederlandse Antillen en Aruba. Maar de boodschap was voor iedereen duidelijk: bij kritiek volgen represailles. In de maanden daarna werd onder anderen door de algemeen directeur geprobeerd te voorkomen dat Lucieer werd benoemd tot hoofdinspecteur GG. Dat het bijna lukte, blijkt uit een e-mail die Lucieer op 16 mei 2001 rondstuurde: ,,De aard en inhoud van de gesprekken over mijn kandidatuur (...) vormden voor mij aanleiding om mij nader te beraden (...).''

Maar er was geen andere kandidaat voor de positie van hoofdinspecteur GG. En Lucieer was al anderhalf jaar waarnemer. Voor de ambtenarenrechter zou nooit aannemelijk kunnen worden gemaakt waarom hij niet kon worden benoemd. Dus werd hij benoemd. Daarna werd Herre Kingma ziek en was hij anderhalf jaar lang vaak weg. De Tweede Kamer gaf, niet voor het eerst, een negatief oordeel over de Inspectie. Die voldeed nog lang niet aan de eisen die de samenleving eraan stelde. De druk op Kingma om de Inspectie onder controle te krijgen werd nog groter.

Een organisatie die onder controle moet komen, met in de leiding een man die wíl controleren, die macht wil, en die ook krijgt, omdat de man boven hem er niet is – Lucieers donkere kant, waar Lucieers opleider Cohen-Stuart over sprak, kon bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg volledig tot ontwikkeling komen. Het verzet tegen hem werd steeds groter. De repressie ook. En dat is wat de arbodienst in zijn onderzoek, dat tussen oktober 2003 en maart 2004 werd uitgevoerd, omschrijft als `intimidatie en dreigementen'. Het voorstel voor het onderzoek kwam van de interne arbocommissie van de Inspectie, voorgezeten door hoofdinspecteur Herbert Plokker.

Kingma heeft nu een commissie van drie buitenstaanders benoemd die de klachten over intimidatie moet onderzoeken. Begin oktober hoopt de commissie, onder leiding van oud-vakbondsbestuurder Hans Pont, de bevindingen te presenteren en aanbevelingen te doen. De klachten die al zijn verzameld zullen naar de commissie worden doorgestuurd. Degenen die ze hebben ingediend willen daar niet met hun naam erbij in de krant over vertellen.

Suïcidaal

Buiten de Inspectie zijn er wel mensen die met hun naam erbij willen zeggen hoe hard en formeel Lucieer, toen hij nog regionaal inspecteur was, tegen hen optrad. Twee van hen hebben daarover geklaagd bij de voorzitter van de Tweede Kamer en bij de klachtencommissie van het ministerie van Volksgezondheid. Twee klachten die bij de Nationale Ombudsman tegen Lucieer werden ingediend zijn geheel of gedeeltelijk gegrond verklaard. Over een derde klacht wordt komende week uitspraak gedaan. Het betreft een zaak waarin het Regionaal Medisch Tuchtcollege zich al tegen Lucieer heeft uitgesproken. Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg bevestigde dat oordeel.

De eerste klacht bij de Ombudsman werd ingediend door de weduwe van de psychiater O. Op 7 januari 1996 had de Riagg in zijn woonplaats bij de regionale inspectie een melding gedaan over haar echtgenoot, die toen nog leefde. Hij zou een te intieme, misschien seksuele, relatie hebben gehad met een patiënt van hem, een minderjarige jongen. O., een gerespecteerde dokter, werd door het ziekenhuis waar hij werkte meteen op non-actief gesteld. Dat werd ook openbaar gemaakt in een persbericht. Op 8 januari begon Lucieer een onderzoek. Op 22 januari pleegde O. zelfmoord. Op 19 februari concludeerde Lucieer dat O.'s patiënt schade had opgelopen door O.'s `grensoverschrijdend gedrag'.

De klacht van de weduwe was dat Lucieer wist dat O. suïcidaal was, maar daar niet adequaat op had gereageerd. Ook had Lucieer een oordeel over O. geveld zonder afgerond onderzoek. O. had zich niet meer kunnen verweren. En Lucieer had deels onjuiste en intieme informatie opgenomen van `derden' van wie niet duidelijk was wie ze waren. Waarom moesten al die details na de dood van haar man nog naar buiten worden gebracht?

Het eerste deel van de klacht – niet adequaat reageren op een mogelijke suïcide – werd door de Ombudsman afgewezen. De weduwe had gezegd dat Lucieer haar man goed kende, ze waren collega's geweest. Ook had O. in correspondentie met Lucieer over zelfmoord gesproken. Lucieer had het ziekenhuis gewaarschuwd: O. kon zijn agressie tegen zichzelf gaan richten. Waarom, zei de weduwe, had Lucieer niet O.'s huisarts gewaarschuwd? Het ziekenhuis was op dat moment niet de behartiger van O.'s belangen. Lucieer was, behalve inspecteur, toch ook arts? Hij kon toch zien hoe slecht het met iemand ging?

Lucieers antwoord was dat een inspecteur feiten onderzoekt. Hij is geen raadsman, geen behandelaar. Hij had het ziekenhuis gevraagd om de vertrouwenspersoon van O. op de hoogte te brengen van O.'s gemoedstoestand. Dat vond de Ombudsman voldoende. De Ombudsman vond ook dat Lucieer voldoende onderzoek had kunnen doen om een oordeel over O. te vellen. Maar Lucieer, vond de Ombudsman, had zich in de beschrijving van wat zich tussen O. en zijn patiënt had afgespeeld moeten beperken. Dat deel van de klacht werd gegrond verklaard. De Ombudsman schreef: ,,Het opnemen van gevoelige en belastende informatie, in de uitgebreidheid waarmee dat is gebeurd, diende geen wezenlijk doel.'' Het was vooral door dat laatste dat de weduwe van O. het gevoel kreeg dat haar man na zijn dood nog te schande moest worden gemaakt.

In de zaak O. was Lucieer meteen met zijn onderzoek begonnen, maar in de volgende zaak – ouders klagen over mishandeling van hun kinderen op de afdeling kinderpsychiatrie van het Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam – duurde het twee maanden voordat hij ging kijken. Een van de belangrijkste klachten van de ouders was dat hun kinderen vaak en onnodig `gebundeld' werden: op hun buik gelegd, armen naar achteren, een volwassene op hun rug, washand tegen de mond. Ook werden kinderen alleen opgesloten. Later bleek dat het ziekenhuis een van de medewerkers op de afdeling had ontslagen, wegens de `strafcultuur' die door haar op de afdeling was ontstaan. Maar dat zei het ziekenhuis niet.

Een van de ouders had in juni 1996 aangifte gedaan bij de politie in Rotterdam. De officier van justitie had daarna aan Lucieer gevraagd om een onderzoek in te stellen. In juni 1997 concludeerde Lucieer dat er in het Sophia Kinderziekenhuis ,,geen sprake was geweest van strafbare feiten'' of van feiten die aanleiding zouden kunnen zijn voor ,,nadere ambtshalve maatregelen''.

De ouders van de kinderen gingen naar de Nationale Ombudsman. Ze voelden zich belachelijk gemaakt. De Ombudsman gaf de ouders gelijk. In de beoordeling van de klacht stond, scherper dan gewoonlijk, dat Lucieer met de ouders had moeten praten, en misschien ook met de kinderen. Hij had de ouders een verslag moeten sturen van zijn bezoek aan het ziekenhuis. De Ombudsman vond dat er voor Lucieer alle aanleiding was geweest om veel diepgaander onderzoek te doen dan hij had gedaan: de ernst van de klachten, de feiten die uit zijn eigen onderzoek waren gebleken, de bemoeienis van het openbaar ministerie. Na de uitspraak stuurde de minister van Volksgezondheid, wat uitzonderlijk is, de ouders een brief met verontschuldigingen.

En dan nu de mensen die zo boos op Lucieer werden dat ze zich tot de Tweede Kamer en de klachtencommissie van het ministerie van Volksgezondheid wendden. Op 17 maart 1999 schreef Hans Goekoop, toen psychiater in het Groene Hart Ziekenhuis in Gouda, ook namens zijn collega's aan het ministerie: ,,Het bezoek (van vier inspecteurs, onder leiding van Lucieer) hebben alle aanwezigen als zeer onaangenaam ervaren. Wij hadden het gevoel voor de inquisitie te staan. Vooral de heer Lucieer en de heer Bakker hebben zich in onze ogen onacceptabel gedragen. (...) Ze waren totaal niet geïnteresseerd in het reilen en zeilen op de PAAZ, ze waren zeer gespitst op mogelijke misstanden en hadden totaal geen oog voor positieve ontwikkelingen.''

Respectloos

Hans Goekoop woont nu in Frankrijk, hij zegt door de telefoon dat hij verwonderd was over de manier waarop Lucieer zich gedroeg. ,,Ik was twintig jaar lang gewend aan een inspectie die kwam kijken of alles volgens de regels ging en die ons stimuleerde. Deze man kwam kijken wat er niet deugde. En toen we die dingen hadden opgelost, kwam hij met nieuwe punten. Dat was formeel onjuist.'' De reden was, zegt Goekoop, dat Lucieer de afdeling psychiatrie van het Groene Hart Ziekenhuis wilde laten overnemen door de Robert-Fleury Stichting in Den Haag. Het was de tijd van de fusies tussen de Riaggs en de psychiatrische ziekenhuizen. ,,Als wij een slechte beoordeling kregen, waren we minder waard. Dan kostte het Fleury minder geld om ons uit te kopen.'' Lucieer had goede betrekkingen met het bestuur van de Robert-Fleury Stichting, zegt Goekoop.

De klachtencommissie van het ministerie nodigde Goekoop uit voor een gesprek en raadde hem aan om met Lucieer te gaan praten. Maar dat had volgens Goekoop geen enkele zin. ,,Met die man valt niet te praten. Hij hoort je aan, maar luistert toch niet.'' Op 1 januari 2000 werd de afdeling overgenomen door de Robert-Fleury Stichting. Goekoop werd voor 5,5 ton bruto uitgekocht, na twintig jaar werk.

Jo van den Berg was directeur van de Haagse Riagg Haagrand toen hij met Lucieer te maken kreeg. Lucieer wilde dat Haagrand zou fuseren met de Robert-Fleury Stichting. Haagrand wilde dat niet, die wilde met het psychiatrisch centrum Parnassia fuseren. Jo van den Berg: ,,Het was aan ons om te kiezen. De Inspectie kan er wel een opvatting over hebben. Maar ze heeft geen zeggenschap over bestuurlijke aangelegenheden.''

Jo van den Berg wordt weer boos als hij zegt wat er toen gebeurde. ,,Hij greep naar het zwaarste machtsmiddel dat hij kon bedenken: een ministeriële aanwijzing.'' Daarop stuurde Van den Berg, op 17 april 2001, een brief naar de voorzitter van de Tweede Kamer. ,,De schijn wordt gewekt dat het middel van de aanwijzing voor een ander doel wordt gebruikt dan waartoe het dient.'' Van den Berg zegt ook dat Lucieer goede betrekkingen had met het bestuur van de Robert-Fleury Stichting. ,,Maar dat doet er niet eens toe. Het ging om de manier waarop hij zich gedroeg. Het was grensoverschrijdend en respectloos.'' Van den Berg vindt dat ,,beschadigend voor het gezag'' van de Inspectie. ,,Die moet de norm stellen. Die zou boven elke verdenking van machtsmisbruik verheven moeten zijn.''

Herre Kingma en Jacques Lucieer wilden niet reageren, ook niet nadat ze dit artikel gelezen hadden. Ze wachten de bevindingen van de commissie-Pont af.

    • Jannetje Koelewijn