De troonopvolger uit Letland

Vanavond, op 4 september, debuteert Mariss Jansons als nieuwe chef-dirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest in Amsterdam. De opvolger van Riccardo Chailly is in Nederland betrekkelijk onbekend.

Jaco Alberts volgde de Let het afgelopen jaar van Pittsburgh, waar hij chef-dirigent was, via zijn woonplaats Petersburg naar München, naar het orkest waarmee Amsterdam hem zal moeten delen. Portret van een muzikale perfectionist.

Het is al half twaalf 's avonds als de bmw Limousine zich in beweging zet van het Prinz-regententheater in München naar het statige hotel Bayerischer Hof. Een ritje van hooguit tien minuten. Dirigent Mariss Jansons heeft de hele dag al met zijn orkest van de Bayerische Rundfunk gewerkt aan de voorbereiding van het Paasconcert dat vier dagen later live op de Duitse televisie zal worden uitgezonden. Op de achterbank tussen zijn vrouw Irina en zijn persoonlijk medewerkster Radmila Schweitzer zit de Maestro te mopperen. Over het ballet dat twee muziekstukken opfleurt: 'Wat bedoelen ze, wat willen ze ermee zeggen? Ik begrijp het niet!' En over de teksten die presentator/bariton Thomas Hampson uitspreekt: te lang en slecht opgebouwd. Frau Schweitzer moet ter plekke de tekstschrijver bellen, maar als zij het verhaal wil doen, grijpt Jansons zelf de telefoon en vertelt wat hij ervan vindt.

Mariss Jansons, afkomstig uit het kleine Letland, is een van 's werelds topdirigenten. Een gepassioneerd musicus en een beminnelijke man. Maar ook een gecompliceerd mens, zal een goede vriend later zeggen. Jansons is een workaholic, een perfectionist en een control freak. Er zijn maar weinig mensen die echt greep krijgen op de dirigent. Ook niet het management van het Koninklijk Concertgebouworkest, zo wordt in Amsterdam verzucht. Een vaste medewerker heeft hij niet. Afspraken maken doet Jansons zelf, via zijn faxapparaat in Sint Petersburg waar hij af en toe woont. Met alle details wil hij zich bemoeien.

Vanavond debuteert Jansons in Amsterdam als de nieuwe chef-dirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest met Ein Heldenleben, een stuk dat Richard Strauss ooit opdroeg aan het orkest en zijn toenmalige chef-dirigent Willem Mengelberg.

Jansons volgt Riccardo Chailly op en is daarmee pas de zesde chef-dirigent van het 116 jaar oude orkest. In het Nederlandse culturele leven is er waarschijnlijk geen belangrijker positie te vergeven dan die van chef-dirigent van het Concertgebouworkest. In elk geval is het de functie met de grootste internationale weerklank, gezien de faam die het orkest in het buitenland geniet. In Nederland is Jansons nog relatief onbekend. Wie is Mariss Jansons en wat drijft hem?

Gedroomde opvolger

Amsterdam ziet Mariss Jansons dolgraag komen. De voormalige dirigent van het Pittsburgh Symphony Orchestra is populair bij het publiek. Toch is de komst van Jansons in de eerste plaats de wens van de musici van het Concertgebouworkest zelf. Voor hen is hij de gedroomde opvolger van Chailly. Als Jansons in juni 2003 het Concertgebouworkest in Amsterdam voor het laatst als gastdirigent dirigeert met werken van Dvorák en Bartók, genieten de orkestleden zichtbaar. 'We zijn heel blij', zegt violist Josef Malkin in de pauze van een repetitie. 'Misschien twijfelden een aantal nog aan het begin, maar na twee repetities is iedereen tevreden.'

Anderhalf uur repeteren later is Jansons' gestreepte overhemd doorweekt. 'Geweldig, hè, heb je gezien hoe hij staat te zweten?', zegt een trompettist.

Wat Jansons geliefd maakt, is de combinatie van een warme persoonlijkheid met groot vakmanschap. Hij is een bescheiden man die oprecht geïnteresseerd is in een ander. Malkin haalt een orkestgrapje aan dat de ronde doet over stereotiepe egocentrische dirigenten. Een dirigent onderbreekt het gesprek en zegt: 'Laten we het niet meer over míj hebben. Wat vond jíj van mijn concert?' Hij wil maar zeggen: zo is Jansons dus niet.

Zo was Chailly wel, is de onuitgesproken suggestie. De Italiaan heeft het orkest een ongekende impuls gegeven in de vernieuwing en verbreding van het repertoire. Maar de liefde tussen dirigent en orkest was voorbij. Steeds meer spanningen kwamen aan de oppervlakte. 'Chailly is een van de grootsten die hier ooit hebben rondgelopen', zegt violist Malkin. 'Een man met heel veel energie. Maar hij bracht altijd álle muziek of het geweldig was. Alsof alles even emotioneel is als een symfonie van Mahler.' Malkin voelt ook muzikaal meer voor de aanpak van Jansons. 'Jansons benadert Bartók als Bartók. Dirigenten als Chailly wijzen in de muziek van Mahler bijvoorbeeld al vooruit naar Schönberg. Dat is intellectueel misschien interessant, maar het heeft niets met de muziek te maken. Mahler kon niet weten wat er vijftig jaar later zou gebeuren. Jansons plaatst de componist in zijn eigen tijd, daardoor wordt de muziek veel emotioneler.'

Toch was de opvolging van Chailly vorig jaar niet helemaal een gelopen race. Bij een minderheid van het orkest en het management bestonden twijfels. Een jaar eerder had Jansons namelijk al getekend als muziekdirecteur van het orkest van de Bayerische Rundfunk in München. Het was de vraag of het orkest hem wel wilde delen met een ander. Verder was zijn leeftijd een breuk met de traditie om jonge dirigenten aan te stellen die kunnen meegroeien met het orkest. Bovendien lijkt de gezondheid van Jansons wankel. In 1996 kreeg hij in Oslo een zware hartaanval tijdens het dirigeren van de opera La Bohème van Puccini. Een pacemaker houdt zijn hart sindsdien op ritme. Bij het management gold in die dagen de jonge charismatische Christian Thielemann nog als alternatief . De Duitser leek 'marketing-technisch' een betere zet dan de op het eerste gezicht wat saaie Jansons. Maar het orkest wilde daar in grote meerderheid niets van weten.

Het concert op die juni-avond vorig jaar in Amsterdam was een belevenis. Wie Jansons voor het eerst Dvoráks Symfonie van de Nieuwe Wereld hoort dirigeren, wordt verpletterd door de dramatische kracht die hij de muziek weet mee te geven. Tijdens het eerste deel stopt Jansons met het slaan van de maat en maait met brede armgebaren naar de eerste violen, alsof hij met zijn handen grote emmers water schept. Het water dat zo onbelemmerd stroomt in Dvoráks muzikale vertolking van de ongerepte natuur in het nieuwe continent Amerika.

Downtown Pittsburgh

De stad heeft een fascinerende entree: een lange tunnel door Mount Washington brengt de bezoeker plotseling midden in downtown Pittsburgh: rond een eiland in de Ohio River staan hoge wolkenkrabbers, geflankeerd door monumenten van de negentiende-eeuwse staalindustrie, en twee hypermoderne sportstadions. Behalve als geboorteplaats van popkunstenaar Andy Warhol staat Pittsburgh niet echt bekend om zijn bruisende culturele leven, al probeert men daar wel iets aan te doen. Een Cubaans restaurant aan Sixth Street hangt vol met opera-aankondigingen die het publiek zoals in Hollywood warm moeten maken voor klassieke muziek: It's the Opera Your mother always warned You about. Sex, Intrigue, Corruption: Don Giovanni.

Jansons heeft het orkest in zeven jaar laten opbloeien, zegt Tom Todd, chief executive officer van het Pittsburgh Symphony Orchestra (pso). Hij laat internationale recensies zien om zijn stelling te ondersteunen. Velen zullen het hem nazeggen: aan de technische brille die het orkest al bezat, heeft Jansons, die in 1997 werd binnengeloodst, een warme 'Europese' klank toegevoegd. Hij heeft zelf ook geprofiteerd van de samenwerking. 'Tien jaar geleden was Jansons nog tamelijk onbekend. Nu is hij in de dirigentenwereld a very hot commodity geworden', zegt concertmeester Andres Cardenes.

Op een septemberochtend in 2003 komt Jansons de Heinz Hall, het plaatselijke concertgebouw, binnen in een karakteristieke pose: colbertje los om de schouders. Op het programma staat de Achtste Symfonie van Bruckner (1824-1896). Jansons onderbreekt een heftige passage in de Finale en zegt in een Engels met een zwaar Russisch accent: 'Jullie spelen het te agressief, het moet statiger, tatatata. Deze passage gaat over kozakken in galop, denk maar aan cowboys.' Hartelijk gelach. Jansons zaagt het orkest door over ritmegevoel en balans, hij werkt heel precies. Als het klinkt zoals hij wil, staat Jansons op zijn tenen en straalt hij een bijna volmaakt geluk uit. En als het fortissimo aan het einde van deel 1 aanzwelt - hij heeft het net aangeduid als aankondiging van de dood - draait Jansons zich naar de eerste violen, zijn armen omhoog. Op zijn gezicht ligt een bijna duivelse uitdrukking.

'Jansons is in de eerste plaats een gepassioneerde musicus, gepassioneerd over zijn werk, over kunst, over schoonheid, over alles', zegt concertmeester Cardenes na de repetitie. 'Hij brengt zijn hele leven mee op het podium: natuur, honden, vrouwen, hemel, God. Toen hij sprak over Bruckner, vertelde hij dat het katholieke muziek is. Dat Bruckner zelf orgel speelde. Hoe dat klinkt in een kerk, hoe groot die kerken waren. Hij probeert altijd beelden in de muziek te brengen.'

Tijdens ons gesprek gaat de telefoon. Cardenes neemt op: 'Ja, maestro.' Even loopt de concertmeester naar buiten om iemand voor Jansons te halen. 'We zijn goede vrienden geworden, maar ik blijf maestro zeggen: hij is de boss, ik ben de employé.' Velen typeren hem als iemand zonder ego, maar zo wil Cardenes zijn baas niet noemen. 'Vergis je niet, hij is zo ambitieus! Als hij zou kunnen, zou hij chef willen zijn van Wenen, New York, Sint Petersburg, Londen, het Concertgebouworkest, van allemaal tegelijk. Zelf zal je het hem niet horen zeggen, maar hij wil de beste dirigent zijn van allemaal. Zo wil hij worden geëerd, zo wil hij worden betaald.'

Cardenes vindt Jansons ook een gecompliceerde man: 'Ik vroeg hem eens: André Previn wil een vioolconcert voor mij schrijven. Wat vind je daarvan? Zegt hij: Laat me er even over nadenken. Komt hij de volgende dag, heeft hij wel honderd tips en ideeën! Waarom kan hij niet gewoon zeggen: ja, goed idee, of: nee, lijkt me niks? Dat brein van hem krijgt gewoon te veel zuurstof, dat is het probleem!'

Groot was de ontgoocheling in Pittsburgh toen de dirigent zijn vertrek aankondigde. Op de eerste repetitie na zijn besluit klapte niemand. De jonge soloklarinettist Michael Rusinek zegt een week 'extreem gedeprimeerd' te zijn geweest. 'Met hem kijk je echt uit naar repetities', zegt Rusinek. 'Hij daagt je uit passie te voelen voor de muziek.'

Hoe succesvol de zeven jaar in Pittsburgh muzikaal ook geweest mogen zijn, het orkest zit in grote financiële problemen. Het had maar een haartje gescheeld of er had vanavond helemaal geen Bruckner geklonken. De musici van het orkest dreigden met een staking tegen plannen om hun salarissen terug te schroeven. Vlak voor de eerste repetitie gingen ze akkoord met een salarisverlaging van 7 procent. Eerder had dirigent Jansons als gebaar al 100.000 dollar van zijn gage teruggestort. Amerikaanse orkesten krijgen bijna geen overheidssubsidie. Ze bedruipen zich van recettes, gelden van sponsors en van beleggingswinsten. Vooral door de gekelderde beurskoersen kan pso zijn rekeningen niet meer betalen.

De financiële gaten hadden ook gevolgen voor het artistieke beleid. De geplande afscheidstournee met Jansons door Europa moest deze zomer worden afgezegd. En als muziekdirecteur kon Jansons in Pittsburgh niet programmeren wat hij het liefst wilde. Waar in Amsterdam de naam Bruckner garant staat voor uitverkochte zalen, werden de twee Bruckner-concerten september vorig jaar in Pittsburgh in een half gevulde Heinz Hall gespeeld. Het concert onder de titel Sunday Afternoon in Vienna, met walsen van Johann Strauss, verkocht een stuk beter. Maar het blijft niet bij Weense walsen. Wie het repertoire doorneemt, komt ook titels tegen als Singin' in the Rain, The Wizard of Oz en Theme from Raiders of the Lost Arc. Het Pittsburgh Symphony Orchestra speelt jaarlijks verplicht zeven weken popmuziek, gedwongen door de wens van het betalende publiek. Toen Jansons dat in de voorbije jaren terugbracht naar vijf weken, regende het boze telefoontjes en brieven: we willen ons orkest terug! Het orkestmanagement gaf gehoor aan die kreten. 'Dat is iets wat hem heeft geschokt', zegt klarinettist Rusinek. Jansons hoeft die pop niet zelf te dirigeren, daarvoor heeft hij assistenten, maar hij vindt het slecht voor het orkest. 'Slechte muziek heeft invloed op de kwaliteit van een orkest', zegt concertmeester Cardenes. 'Jansons zei dat hij wegging, omdat hij niet tegen jetlags kan, maar dít is natuurlijk de echte reden.' Het heeft de Amerikanen niet verbaasd dat Jansons inging op de aanbieding van het Concertgebouworkest. 'Amsterdam is natuurlijk de baan die hij echt wilde. Toen dat vrijkwam, wisten wij hier allemaal dat hij grote interesse zou hebben', zegt Rusinek.

Halfvol

De Heinz Hall was die donderdagavond in september met 1242 verkochte kaarten voor minder dan de helft gevuld. 'We spelen voor mensen die wel van Bruckner houden en voor onszelf', zei Jansons aan het einde van de repetitie ter aanmoediging. Als hij opkomt, loopt hij wat stram naar de microfoon om vooraf nog wat uitleg te geven over deze 'zeer krachtige en spirituele muziek', muziek 'om de ziel te zuiveren', geschreven door een componist die 'een diepgelovig mens' was. Het is geen grootse voordracht. Jansons is geen begenadigd spreker. Maar als hij de dirigeerstok ter hand neemt, begint de magie te werken. Met grote gebaren leidt hij het orkest. Als het meeslepende thema in het eerste deel van Bruckner krachtig terugkeert, heft Jansons zijn armen ten hemel en stampt hij met zijn linkervoet, extatisch als in een orthodox-joodse dans. Na de pauze klinkt het langzame derde deel dromerig romantisch, maar toch hoopvol licht, terwijl in de finale de kozakkencowboys met grote statigheid naar het einde toe rijden. Als Jansons na veel bravogeroep en drie keer terugkomen afgaat, heeft hij een wat wezenloze blik in zijn ogen.

In de dirigentenkamer laat Jansons glimlachend alle loftuitingen over zich heen gaan. Er staan wat medewerkers en twee oudere dames om hem heen. 'Ik hoop dat Pittsburgh nu toch iets van Bruckner heeft meegekregen', zegt hij. 'Jazeker', klinkt het in koor. Veel jong publiek. Een van de dames roept: We loved your speech. 'O, nou moet ik oppassen', grapt Jansons. 'Straks willen ze me nog als president.'

Bessen met poedersuiker

De volgende dag komt Mariss monter aangelopen voor onze afspraak in restaurant Bravo Franco tegenover de Heinz Hall, armen dit keer gewoon in zijn colbertje. Hij raadt mij aan vlees te bestellen, maar neemt zelf minestrone, tortellini en bessen met poedersuiker. 'Ik mag niet meer te vet eten. Ik drink niet, ik rook niet, ik kan alleen niet van snoep afblijven.' Jansons valt op het brood aan, alsof hij uitgehongerd is. 'Hoe ouder ik word, hoe meer ik van Bruckner ga houden.'

Wat vindt hij van al die lege stoelen? 'Vreselijk, vreselijk, vreselijk. Weet je, Amsterdam is een van de weinige plaatsen in de wereld waar zo'n brandende interesse voor symfonische muziek bestaat. Dat vind je verder alleen in Wenen en Berlijn. Amsterdam is het paradijs. Je hebt in het Concertgebouw meer dan zevenhonderd concerten per jaar, inclusief kleine zaal. Ik ben zo blij dat de mensen daar begrijpen dat ze muziek nodig hebben. Dat betekent dat hun spirituele leven heel rijk is.'

Schokkende veranderingen hoeven we in Amsterdam niet van Jansons te verwachten. Anders dan Chailly is hij geen grote vernieuwer. Ook zijn repertoire bevat vooral de grote werken van de klassieke tot de laat-romantische periode. Zijn hart ligt niet direct bij modernere muziek. 'Je moet heel voorzichtig zijn, zeker in Amsterdam met zijn prachtige tradities. Voor je het weet, maak je iets kapot dat goed is. Ik kies er liever voor om deel uit te gaan maken van de organisatie, om diep en grondig door te dringen in het proces, om te absorberen, uit te vinden, en dan kijken wat nodig is.'

Hoe voorzichtig Jansons ook is, de dirigent is in zichzelf al een breuk met die tradities. Met de komst van Jansons doet namelijk ook de vluchtigheid van het moderne dirigentschap haar intrede. Vroeger bleven dirigenten tientallen jaren aan hetzelfde orkest verbonden, met de vijftig jaren van Mengelberg bij het Concertgebouworkest of Mrawinsky in Leningrad als records. Tegenwoordig 'hoppen' topdirigenten met de snelheid van voetbalsterren van het ene orkest naar het andere. Daarbij strijken ze miljoenensalarissen op, Jansons incluis. Haitink en Chailly waren beiden jong en bleven respectievelijk 25 en 16 jaar. Maar van de 61-jarige Jansons die Pittsburgh al na zeven jaar verlaat, kan menselijkerwijs niet verwacht worden dat hij in Amsterdam lang zal aanblijven. Zelf is de dirigent er laconiek over en spreekt hij over het snellere levenstempo van tegenwoordig. Hij hoopt wel op een langdurige samenwerking met het orkest. 'Dat zou mijn droom zijn. Voor mij begint een nieuw tijdperk, ik wil lid worden van de familie, en dan zien we wel. Ik onderga het leven als een schip dat me naar een bepaalde plek brengt.

Ik heb 23 jaar in Oslo gewerkt als muziekdirecteur, en ik had daar kunnen blijven. Maar uit boosheid besloot ik van de ene op de andere dag te vertrekken. Men had mij een betere akoestiek in de zaal beloofd, maar men kwam die belofte niet na.'

Twaalf weken

Maar er dreigt nog een ander soort vluchtigheid. Tot teleurstelling van het Concertgebouworkest zal de nieuwe chef jaarlijks slechts twaalf weken op de bok staan, inclusief tournees. Door planningsproblemen is Jansons het komende seizoen zelfs maar tien weken aanwezig. Ter vergelijking: Riccardo Chailly bemoeide zich soms wel meer dan twintig weken per jaar met zijn orkest, wat door de musici ook weer wat al te veel werd gevonden. 'Ik denk dat de verschijning van de chef-dirigent altijd een evenement moet zijn', zegt Jansons. 'Je kunt vaker komen, maar dan bekort je, denk ik, de relatie op de lange termijn. Het is net als met chocola, als je te veel eet, lust je het niet meer. Het orkest moet wel steeds je schaduw, je geest voelen.'

Maar hoe druk je in zo weinig tijd toch je stempel op een orkest? Hoe wordt het uw orkest? 'Ik moet de mensen in het orkest laten zien dat ik me verdiep in hun belangen, in hun behoeften. Ze moeten weten: dit is onze chef-dirigent, hij zorgt voor ons en hij brengt zijn principes, zijn artistieke en zijn menselijke principes mee. Dan maakt het niet uit of je een week meer of minder voor het orkest staat. Het gaat erom of je met je hart bij ze bent.'

Maar niet iedereen denkt daar zo over. In Pittsburgh lachte assistent-dirigent Lucas Richman toen ik hem ernaar vroeg. 'Daar heb ik mijn opvattingen over. Maar die vertel ik niet.' Klarinettist Rusinek is openhartiger: 'Voor ons gold dat we hem graag meer hadden gezien. Als Jansons hier is, is hij zo druk, voortdurend vergaderingen. Sommige collega's hebben het gevoel dat het moeilijk is hem te spreken te krijgen. Dat kan in Amsterdam natuurlijk ook gebeuren.'

En concertmeester Cardenes zegt: 'Chefdirigenten denken dat zij degenen zijn die controle hebben over het orkest, en dat het orkest op dezelfde manier doorgaat, als ze er niet zijn. Maar dat is niet zo, dat doen de musici niet. Aan de andere kant denken de musici dat het niet erg is als de chef-dirigent een tijd weg is, omdat zíj de kwaliteit bewaken. Maar ook dat klopt niet, want zonder een leider worden musici lui. Wordt het orkest geleid door de musici of door de chef-dirigent? Dat is de onderliggende vraag. Omdat chef-dirigenten minder voor een orkest staan, schuift dat steeds meer op in de richting van de musici.

Of dat goed of slecht is, weten we over twintig jaar.'

Vuile sneeuw

Het is kerst in Rusland. De straten van Sint Petersburg liggen onder een pak vuile sneeuw. De winkels aan de Nevski Prospekt zijn versierd, de orthodoxe kerken worden druk bezocht. Dit is de stad waar Mariss Jansons woont. Niet dat hij en zijn vrouw Irina er veel zijn. Het leven van een topdirigent bestaat voornamelijk uit reizen langs de grote steden in de wereld, en uit wonen in luxe hotels. Na zijn septemberconcerten in Pittsburgh heeft Jansons in oktober zijn debuut gemaakt als muzikaal leider van de Bayerische Rundfunk in München. Vervolgens keerde hij in november weer terug in Pittsburgh en was hij in december op Europese tournee met de Wiener Philharmoniker. Rond kerst staan er een kleine drie weken 'thuis' in Sint Petersburg gepland.

De entree aan de Rubinsteinstraat, vlak bij de Nevski Prospekt, oogt onguur en armoedig: een akelige binnenplaats met grote woonkazernes. Een gewapende bewaker met een fors litteken op zijn voorhoofd belt naar boven om onze komst aan te kondigen. Dit is de façade waarachter de luxe appartementen schuilgaan die alleen rijke Russen zich kunnen veroorloven. Jansons doet zelf open en vraagt ons onze schoenen uit te trekken. We doen op zijn Russisch speciale sloffen aan om het parket niet te beschadigen. Heeft hij een fijne vakantie? Voor hem is het niet echt vakantie, vertelt hij. 'Ik werk iedere dag, ik studeer op partituren voor volgende concerten.'

We gaan zitten op een grote, moderne, witte bank. In de ruime, strak ingerichte woonkamer staan nog twee fauteuils en verder klassieke meubelen, een glimmend zwarte vleugel en een boekenkast. Aan de wand hangt moderne schilderkunst, die ietwat oriëntaals aandoet. Een groot kamerscherm verbergt een keuken waar twee bedienden aan het rommelen zijn.

Jansons heeft een onprettige periode achter de rug. Eind november overleed zijn moeder op 92-jarige leeftijd. 'Als je moeder sterft, voel je je niet goed. Je moeder blijft je moeder. Ik had me onvoldoende gerealiseerd dat leeftijd daarbij niet uitmaakt.' Jansons' beide ouders werkten lang geleden bij de opera in de Letse hoofdstad Riga. Zijn vader Arvid was violist en later dirigent, zijn moeder zangeres. Als peuter liep Mariss al de hele dag in het operatheater rond. Ooit kon vader Arvid zijn zoontje Mariss slechts met moeite kalmeren, toen Don José in Carmen zijn moeder probeerde te wurgen.

Volgens Jansons is in dit theater de kiem gelegd voor zijn wens om dirigent te worden. Dolgraag zou hij de komende jaren zelf meer opera willen doen. Voor Amsterdam heeft Jansons plannen voor Lady Macbeth van Sjostakovitsj en voor Carmen van Bizet. Maar van een moderne, experimentele benadering van opera - in Amsterdam soms in zwang - houdt hij niet: 'Je mag nooit vergeten wat de componist heeft gewild. Van een psychologische roman kun je geen detective maken.'

We praten over zijn Letse achtergrond. De vraag of hij zich meer Let of Rus voelt, vindt Jansons moeilijk te beantwoorden. Toen hij dertien was, verhuisde Mariss naar Sint Petersburg, toen nog Leningrad, omdat zijn vader daar ging werken. 'Ik leef kosmopolitisch en denk heel internationaal, maar ik heb vermoedelijk nog veel Letse eigenschappen. Letten zijn serieuze, harde werkers, solide, eerlijk en gedisciplineerd. Maar ik heb ook veel kanten van de Russische mentaliteit in me opgenomen: openheid naar mensen, begrijpen wat nauwe vriendschap betekent.' Met zijn Russische vrouw Irina spreekt hij Russisch, volgens kenners met een duidelijk accent. Jansons leerde haar kennen tijdens vakantie op het strand van de Zwarte Zee. Met zijn dochter spreekt hij Lets. Hoewel hij het 'actieve en intense leven' in Sint Petersburg niet wil missen, heeft hij 'nieuwe warme gevoelens' over Letland en de Letten. 'Dat zal wel met mijn leeftijd te maken hebben. Soms droom ik wel eens van een rustiger leven.'

Met ontzag praat Jansons over zijn muzikale opleiding in het communistische Rusland. 'Ik hou niet van mensen die beweren dat het hier in die tijd allemaal zo vreselijk was, ik hoor daar niet bij. Je moet objectief zijn en ook de positieve kanten zien.' Jansons is naar eigen zeggen geschoold aan de 'beste opleiding ter wereld', omdat er zulke hoge eisen aan discipline en kwaliteit werden gesteld. Natuurlijk waren er vervelende beperkingen: een censor die duidelijk maakte dat het Requiem van Mozart op de Dag van de Revolutie niet werd geapprecieerd, of musici slechts toestond negentig dagen in het jaar naar het buitenland te reizen. Jansons heeft veel tegenwerking ondervonden. 'Maar we werden wel gewaardeerd als kunstenaar.' Met leedwezen ziet hij in Rusland de culturele verloedering toeslaan. 'De pulp die het publiek nu voorgeschoteld krijgt is een ramp.'

Perfectionisme

Jansons vertelt dat hij lang met zichzelf heeft geworsteld, dat hij zware 'complexen' en grote 'onzekerheden' heeft moeten overwinnen, voordat hij tot 'bloei' kwam. Omdat hij uit Riga kwam, sprak hij slecht Russisch. 'Ik herinner me dat ik in de klas zat en de helft niet begreep, omdat iedereen Russisch sprak. Ook stond de muzikale opleiding in Riga op een lager niveau, dus had ik constant het idee dat ik niet zo ver was als mijn klasgenoten.' Maar Mariss wilde per se niet achterblijven en werkte keihard, de kiem van zijn perfectionisme. 'Verder was mijn vader een bekende dirigent. Ik voelde altijd de druk op me dat ik niet alleen de zoon van mijn vader moest zijn, maar zelf iemand.'

Die worstelingen hebben lang geduurd. Pas toen hij in 1970 de Karajan-prijs voor jong talent won, had hij het gevoel dat 'ik had laten zien wie ik was'. Maar op een ander moment in het gesprek dateert Jansons zijn 'opbloei' veel later, na de perestroika van de late jaren tachtig. 'Ik voelde toen echt vrijheid als persoon. Dat had niets met politiek te maken, maar ik voelde dat ik mezelf veel meer tot uitdrukking kon brengen, dat ik van kritiek niet meer van de wijs werd gebracht, dat ik echt mezelf begon te worden.'

Dat wekt mijn verbazing. In Pittsburgh had concertmeester Andres Cardenes nog verteld hoe slecht Jansons negatieve recensies verdraagt: 'Hij neemt dat erg persoonlijk op.

Jansons, die kauwt erop, roert erin, slaat met zijn vuist op tafel, een half uur lang, terwijl hij roept: waarom schrijft hij dit? Jansons is een gevoelige man.'

Als ik hem dit voorhoud, geeft Jansons toe dat kritieken hem raken. 'Ik durf er eerlijk voor uit te komen: ik lees alles. Ik ben erg ongelukkig als ik slechte kritieken krijg en erg blij als ze goed zijn. Volgens mij een normale menselijke reactie. Vooral als ik het gevoel heb dat een slechte recensie niet klopt, baal ik.'

Lachend: 'En als ik een heel goede kritiek krijg, waar ik het niet mee eens ben, ben ik toch blij.' Om daar weer doodserieus aan toe te voegen dat hij graag een heel ander systeem zou willen introduceren, als hij de macht had: 'Dan zou ik na afloop van een concert de recensenten willen uitnodigen om te vertellen hoe vreselijk ik heb staan dirigeren. Dat vind ik niet erg, dat is goed. Als het maar niet geschreven staat. Dat doet afbreuk aan je autoriteit als dirigent.'

Jansons laat zijn werkkamer zien die aan de woonkamer grenst. Achter een groot antiek bureau met een opengeslagen Beethoven-partituur hangt een geschilderd portret van Sjos- takovitsj. Aan weerszijden van de kamer staan enorme kasten tot aan het plafond, de ene vol partituren, de andere gevuld met cd's in alfabetische volgorde. Een wenteltrap op wielen reikt tot bovenin de kasten. De markt voor klassieke muziek-cd's is de afgelopen jaren volledig ingezakt, vertelt de dirigent. De grote labels durven nauwelijks nog in nieuwe opnamen te investeren. Jansons heeft zijn zinnen gezet op een box met alle vijftien symfonieën van de door hem zo bewonderde Sjostakovitsj, waarmee hij al een eind op streek is. 'Dat is voor mij het belangrijkste. Aan andere dingen durf ik nu niet eens te denken.' De box moet opnames bevatten van diverse orkesten die Jansons heeft geleid. 'Dat maakt het wel bijzonder. Ik zou dus heel graag ook nog een of twee symfonieën met het Concertgebouworkest opnemen.'

In 1996 was Jansons bij emi Classics nog 'Artiest van het Jaar', inmiddels heeft de platenmaatschappij het exclusieve contract met de dirigent opgezegd. 'Jansons verkoopt voor geen meter', tekende de Volkskrant op uit de mond van een emi-medewerker. Het is een grote zorg voor het Concertgebouworkest dat het met Chailly een dirigent laat gaan die door zijn verbintenis met decca als een van de weinigen in de klassieke wereld nog geregeld opnames kon maken. Het orkest gaat nu proberen cd's in eigen beheer uit te geven.

In deze werkkamer bereidt Jansons zich voor op concerten. 'Ik bekijk partituren, zoek naar verschillende versies, ik analyseer elk aspect. Ik lees heel veel over de componist, lees zijn brieven. Je kunt zeggen dat ik me verplaats in de tijd waarin hij leefde, dan kun je pas beginnen.' Maar Jansons trekt er ook op uit. Hij is een van de weinige dirigenten die collega's bezoeken. 'Dat vind ik leuk. Met de meesten kan ik goed opschieten. Ik ga naar hun concerten, naar repetities, bekijk hun video's, praat met ze. Altijd pik ik er wel weer iets interessants uit, iets dat me aan het denken zet. Je kunt niet in een geïsoleerde wereld leven.'

Natuurlijk ziet Jansons zijn vader als voorbeeld, en Evgeny Mrawinsky, onder wie Jansons vanaf 1973 assistent-dirigent was in Leningrad. Maar hij noemt ook Herbert von Karajan en Leonard Bernstein. 'Toen ik jong was, was ik zeer perfectionistisch. Alles moest technisch perfect zijn. Van hen heb ik geleerd dat dit wel belangrijk is, maar geen doel op zich. Het doel is een opwindende uitvoering, dat mensen naar huis gaan en zeggen: dit was een fantastische ervaring van twee uur.'

Hoe je dat vorm geeft, wat het geheim van dirigeren is, Jansons kan het zelf nauwelijks bevatten. 'Een dirigent produceert zelf geen geluid, dus is het een mirakel wat er gebeurt. Ik denk dat het geheim een innerlijke energie is, een fluïdum dat voortkomt uit jouw persoonlijkheid. En die energie beïnvloedt de musici. Maar hoe die beïnvloeding precies werkt, ik weet het niet.' Volgens Jansons is het een talent dat je niet kunt leren. 'Wat je kunt leren is goede muziekanalyse, repetitietechniek, stijl, maar dit niet.'

Kaviaar en wodka

Jansons moet zich volledig aan dirigeren kunnen overgeven. Toen hij in 1996 terugkeerde na zijn hartaanval, was hij bang. Al was het alleen maar omdat zijn vader in 1984 ook een hartaanval op het podium had gekregen en een paar dagen later in het ziekenhuis was overleden. Hij begon weer voorzichtig, maar in de pauze van de eerste repetitie zei hij tegen zijn vrouw, vertelt hij nu: 'Zo gaat het niet. Of ik dirigeer helemaal, of ik dirigeer helemaal niet meer.' Het werd helemaal.

Als we terugkeren naar de woonkamer, worden er sandwiches met kaviaar en wodka op tafel gezet. 'Dit eet je niet vaak in Amsterdam, hè? Weet je waar ik van houd in Amsterdam: gerookte paling, heerlijk!' Een vast appartement zal Jansons in Amsterdam niet gaan bewonen, zoals Chailly wel deed. Het Concertgebouworkest bespreekt voor hem een vaste suite in het Okura Hotel. 'Ik hou ook van het Amstel Hotel. Maar daar is de service soms wat langzaam, dat ergert me.'

Tijdens het gesprek zijn foto's van Jansons genomen. Maar als we Jansons vragen of hij nog even mee naar buiten gaat voor een portret bij daglicht, reageert hij of we hem voorstellen een duik in de half bevroren Neva te nemen. 'Naar buiten? Nee, nee!' Na lang aandringen wil hij de volgende dag nog wel even voor zijn huis poseren. Dik ingepakt tegen de kou stapt hij de deur uit om bij de gracht voor zijn huis te staan. Ineens maakt de dirigent weer een oude en breekbare indruk.

Paasconcert

In de grote zaal van het Prinzregententheater in München is het een komen en gaan van cameramensen, technici met koptelefoons en tal van anderen van wie de functie niet onmiddellijk duidelijk is. In deze heksenketel speelt het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks ogenschijnlijk ongestoord de vrolijke Danza Final uit El sombreros de tres picos van Manuel de Falla (1876-1946). Dirigent Jansons staat naar het einde van het stuk toe steeds heftiger te springen. De slotnoot lijkt hij met zijn dirigeerstok haast uit de trompetten te slaan. De musici repeteren in deze aprildagen voor het jaarlijkse Paasconcert dat live op de Duitse tv zal worden uitgezonden, voor het eerst onder leiding van hun nieuwe chef. Het is een programma rond het thema 'dans'. De vele kortere stukken maken het tot een gevarieerd geheel, maar ook gecompliceerd: solisten, balletdansers, koor, televisie, alles moet worden ingepast in de repetitieschema's die op klikborden worden rondgedragen.

Jansons heeft deze ochtend al een half uurtje in de koorzaal van het radiogebouw gerepeteerd met het koor van de Bayerische Rundfunk. De weemoedige vocalen uit de Dubbeldans uit Kálló van Zoltán Kodály (1882-1967), ingestudeerd door koordirigent Michael Gläser, klonken daar prachtig. Jansons sleutelt tijdens die repetitie alleen nog een beetje aan de interpretatie. In het theater ligt het allemaal veel ingewikkelder. Al is het alleen maar om de twee karakteristieke cimbalen waarmee eindeloos moet worden geschoven, zodat de dirigent nog een beetje contact met ze kan maken. Als de zangers ver achter het orkest op een tweede podium verschijnen, roept Jansons: 'Hallo Koor.' Veel koorleden doen hun handen achter de oren: 'We verstaan u niet', klinkt het door elkaar heen. Jansons is ontevreden over de positie van het koor en loopt naar achteren om overleg te voeren. Er blijkt weinig aan te doen, het theater kan niet even worden omgebouwd. Dit is televisie: het koor staat nu als een mooi plaatje in een oranje kader tegen een felblauwe achtergrond.

Jansons keert terug en zet het langzame eerste deel in. Bij de overgang naar het snellere tweede deel gaat het helemaal fout. Het gezelschap valt uiteen. Ook bij een tweede poging bijft het koor achter het orkest aanhobbelen: 'Zu spät, alles zu spät', roept Jansons vertwijfeld naar de zangers. Koordirigent Gläser komt aanlopen om te overleggen en doet een suggestie. 'Nee, dat kan niet zo', zegt Jansons boos. Gläser druipt af. 'Nog een keer!' Om Jansons heen is iedereen een beetje in de war en kijkt elkaar paniekerig aan. De maestro is getergd en niemand weet goed hoe te reageren.

Met dit orkest zal het Concertgebouworkest Mariss Jansons moeten delen. Twee orkesten onder leiding van één chef, dat komt wel vaker voor. Maar meestal combineert een dirigent een Europees orkest met een orkest in de Verenigde Staten, of een symfonieorkest met een operaorkest. Twee symfonieorkesten geografisch zo dicht bij elkaar leidt tot ongemakkelijkheid. In München doen de musici hun uiterste best de indruk weg te nemen dat ze zich de minderen van Amsterdam zouden voelen. Ook al heeft het Concertgebouworkest meer faam en speelt het in een prachtige eigen zaal. 'De Berliner en wij, dat zijn de twee grote orkesten in Duitsland', zegt Heinrich Braun, solocontrabassist en voorzitter van de orkestleiding, als we in de kantine een broodje eten. Natuurlijk heerst er in München onzekerheid over de benoeming in Amsterdam. 'Angst' is een te groot woord, zeggen ze, maar 'befürchtet' is men wel. Zo speelt het orkest van de Bayerische Rundfunk in de te kleine Hercules-zaal, die het bovendien moet delen. Braun erkent dat Jansons gezegd heeft dat een toporkest een eigen zaal nodig heeft. Maar de economische situatie heeft die discussie 'naar de achtergrond' geschoven.

Jansons wilde aanvankelijk liever niet dat ik hem in München opzocht, bang als hij was de controverse tussen beide orkesten aan te wakkeren. 'Kun je niet naar Wenen komen?' Maar de kwestie is te belangrijk om te negeren. De dirigent zelf heeft getwijfeld of het wel kon. In Pittsburgh had hij me zijn oplossing uiteengezet: 'Ik ben Mariss Jansons, opgesplitst in twee delen.' Met zijn hand trok hij een denkbeeldige lijn. 'Alsof ik twee verschillende dirigenten ben. In München ben ik niet Mariss Jansons van Amsterdam, maar Mariss Jansons van München, en andersom. Op basis van dat principe zal ik alles geven aan het orkest wat het nodig heeft. Als het voor een van de orkesten belangrijk is om Bruckner 8 te spelen, zal ik dat doen. Ook al heb ik dat stuk net met het andere orkest gedaan en is het voor mij persoonlijk niet het beste. Ik weet niet of het werkt, ik ben God niet, maar zo wil ik het proberen.'

Die donderdagmiddag voor Pasen heerst er weer lichte paniek in de gangen van het Prinzregententheater. De beroemde Amerikaanse bariton Thomas Hampson is in aantocht, maar niemand weet waar Mariss Jansons uithangt. Precies op tijd, om half drie, stapt de dirigent de dirigentenkamer binnen om Hampson met een omhelzing te begroeten. De twee mannen zijn elkaars tegenpolen. Beiden zeer getalenteerd, maar waar Jansons wars is van uiterlijk vertoon, is Hampson de briljante ijdeltuit. De zanger flirt onophoudelijk met zijn omgeving, als een soort tweede natuur. Niet verwonderlijk dus dat Hampson behalve als zanger ook als presentator voor het Paasconcert is gevraagd. Bij de repetitie van Mahlers lied Rheinlegendchen uit Des Knaben Wunderhorn maakt hij er al een show van richting het orkest. Jansons buigt zich lichtjes naar achteren en lacht de zanger toe. Over het orkest is de dirigent nog niet tevreden, hij laat ze even apart spelen. 'Die hoge gis is niet in orde', zegt hij. En meer in het algemeen: 'U bent fantastische musici, u weet wat ik bedoel, ik hoef niks te zeggen. Niet alleen noten spelen, muziek maken!' Maar dan draait Thomas Hampson zich naar het orkest om en zegt dat er veel ironie in het lied zit. 'Het is niet zo harmlos als het lijkt.' Jansons hoort de interventie onbewogen aan en zegt dan net iets te bits: Ja, Anfang! Hampson realiseert zich dat hij op het terrein van de dirigent is gekomen en legt theatraal zijn hoofd tegen de schouder van Jansons, alsof hij bij hem uithuilt. De dirigent maakt er een grapje van: 'Ik kon de woorden even niet vinden.'

'Er is altijd een soort spanning als een solist het orkest gaat toespreken', erkent Hampson later in een wat vervallen kleedruimte met lampen rond de spiegels. Maar hij denkt niet dat Jansons zijn interventie heel vervelend vond. 'We spreken samen altijd zeer uitgebreid over interpretaties.' Hampson zegt Jansons zeer hoog te hebben zitten. In zijn openheid vergelijkt de zanger hem met Leonard Bernstein. 'Misschien is Jansons niet nummer 1 in het vocale repertoire. Toch is hij ook voor een zanger fantastisch.' Dat komt door zijn zoektocht naar 'waarachtigheid in de muziek'.

'Ik volg hem overal naartoe.' Om lachend en in stijl te besluiten: 'Ik houd van dirigenten die van mij houden.'

Rood lampje

In de donkere theaterzaal is op een rij ver naar achteren een rood lampje te zien. Het is de zakcomputer van Irina Jansons die aanwezig is bij de meeste repetities van haar man. De computer staat vol met afspraken en taallessen.

'Voor Mariss zijn München en Amsterdam een soort thuiskomen', zegt Irina. 'Dat zit veel meer in zijn bloed. Amsterdam is voor hem absolute top.'

Na de repetitie zit Mariss Jansons ergens in het theater te luisteren naar de kwaliteit van de proefopnames. Het is al bijna half elf. Assistent Radmila Schweitzer lijkt een zenuwinzinking nabij. Voortdurend vragen tv-medewerkers of orkestfunctionarissen naar de dirigent, omdat ze iets moeten weten. Wanneer overmorgen het koor komt? Wanneer er met solisten gerepeteerd wordt? Pas tegen elven komt Jansons aangelopen. In de dirigentenkamer pakt hij onmiddellijk de telefoon om de persoon aan de andere kant van de lijn omstandig duidelijk te maken dat de microfoons anders moeten hangen. De balans is niet goed, de strijkers zijn te sterk. 'Kan dat morgen geregeld zijn? Waarom niet?' Als hij heeft opgehangen, deelt Jansons pruimen uit die op tafel liggen. 'Hier, eet!', zegt hij en neemt zelf een hap van een appel. 'Wat vonden jullie van het ballet?'

Om kwart voor twaalf steekt Mariss Jansons de sleutel in het slot van suite 525 in Hotel Bayerischer Hof. Het is de vaste verblijfplaats voor de Jansons als ze in München zijn. 'Ga zitten', zegt hij. De dirigent ontkurkt een fles wijn. 'Die heb ik gekregen.' Hij schenkt drie glazen in, voor zichzelf een halfje. Met het koor in het stuk van Kodály zal het goedkomen, belooft de dirigent. Jansons betoogt dat het komende Paasconcert heel belangrijk is. 'Niet alleen het bekende muziekpubliek, maar heel Duitsland kan ernaar kijken.' De impact van de muziek, daar draait het om. Ook in Amsterdam waar onder Jansons een 'breed repertoire' gespeeld zal worden. Met experimenten moet je heel voorzichtig zijn. Vooral tijdens tournees waar het publiek vaak wat conservatiever is en een vol huis noodzakelijk.

Thuis in Amsterdam zal hij meer experimenteren, zegt Jansons. Maar zelfs dan: 'Iedereen verwacht van het Concertgebouworkest de hoogste kwaliteit. Ik wil er honderd procent zeker van zijn dat het orkest muziek blijft maken op het allerhoogste niveau.' M

Jaco Alberts is redacteur van NRC Handelsblad.

Oleg Klimov is fotograaf in Moskou.

Leo van Velzen is fotograaf van NRC Handelsblad.

[streamers]

'Jansons brengt zijn hele leven mee op het podium: natuur, honden, vrouwen, hemel, God', zegt concertmeester Cardenes.

'Je moet heel voorzichtig zijn, zeker in Amsterdam met zijn prachtige tradities. Voor je het weet, maak je iets kapot dat goed is.'

'Je mag nooit vergeten wat de componist heeft gewild. Van een psychologische roman kun je geen detective maken.'

'Ik denk dat het geheim een innerlijke energie is, een fluïdum dat voortkomt uit jouw persoonlijkheid.'

'Ik wil er honderd procent zeker van zijn dat het orkest muziek blijft maken op het hoogste niveau.'

Kritiek kan Jansons moeilijk verdragen: 'Hij kauwt erop, roert erin, slaat met zijn vuist op tafel, een half uur lang, terwijl hij roept: waarom schrijft hij dit?'