De paradijselijke Zuidzee

Toen kapitein Cook in 1772 opnieuw naar de Zuidzee afreisde, kreeg de jonge schilder William Hodges de opdracht landstreken en hun inwoners vast te leggen. Idealisering overheerst, zo blijkt uit een tentoonstelling van zijn werk in Londen.

HET HAD weinig gescheeld of de jonge veelbelovende schilder William Hodges had nooit de reis van zijn leven naar de Stille Zuidzee gemaakt. Toen de grote ontdekkingsreiziger James Cook zich voorbereidde op zijn tweede grote tocht stond vast dat er opnieuw een ploeg wetenschappelijke onderzoekers mee zou gaan. Op de eerste reis (1769-1771) had de steenrijke Joseph Banks zich min of meer ingekocht en hij had een schat aan botanische en zoölogische informatie mee teruggebracht: tekeningen van planten en dieren, gemaakt door hemzelf en zijn assistenten en een reusachtige hoeveelheid gedroogde planten, geprepareerde dieren en gesteenten en ook nog eens een imposante collectie etnografica.

Banks ging er van uit dat hij ook op de tweede reis mee zou gaan. Hij stelde een nog grotere wetenschappelijke equipe samen, waaraan nog eens dertien bedienden, musici en koks werden toegevoegd. Daartoe liet hij het schip, waarop de expeditie zou plaatsvinden, de Resolution, met een verdieping verhogen. Toen Cook in het voorjaar van 1772 zijn schip kwam inspecteren, zag hij dat die hele opbouw van Banks het schip uit balans haalde. Het was niet zeewaardig. Afbreken, luidde dan ook zijn commando. Banks was hierover zo woedend dat hij zich met zijn hele ploeg terugtrok en Cook voor de opgave kwam te staan op korte termijn nieuwe wetenschappelijke onderzoekers en kunstenaars te vinden.

tekeningen

Hij stuitte op de 28-jarige William Hodges, een veelbelovende landschapschilder. Hodges kreeg de opdracht de diverse landstreken en hun inwoners vast te leggen. Twee Duitsers, Johann Reinhold Forster en zijn zoon George, werden uitgekozen om de wetenschappelijke waarnemingen van mens, plant en dier vast te leggen, waarbij George de tekeningen zou maken. Verder ging er een astronoom mee en aan Kaap de Goede Hoop scheepte zich nog een leerling van Linnaeus in.

Cook zelf publiceerde na terugkeer A Voyage towards the South Pole (1777) met prenten naar het werk van Hodges. De Forsters gaven hun verslag in diezelfde tijd uit, compleet met illustraties. Maar het geschilderde werk van William Hodges is relatief onbekend gebleven. De verklaring is dat de hele expeditie georganiseerd en gefinancierd werd door de Admiralty. Zij was dan ook de eigenaar van alle teksten, afbeeldingen en meegenomen naturalia en objecten. De tekeningen en schilderijen van Hodges, deels aan boord, deels na terugkeer in Londen gemaakt, kwamen terecht in de grote dinerzaal van de admiraliteit, en ook in de huizen van de directeuren zelf. Veel werk is in de loop der tijd geveild en verspreid geraakt. Het was dan ook een goed idee van het National Maritime Museum in Greenwich om voor het eerst een expositie aan zijn werk te wijden `William Hodges (1744-1797). The Art of Exploration'.

Cooks reizen hadden een tweeledig karakter. Enerzijds moest hij grote delen van de aarde verkennen – zijn hoofdopdracht was om `het onbekende Zuidland', dat wil zeggen Antarctica te inspecteren –, en waar mogelijk de autoriteit van de Britse kroon te vestigen. Anderzijds dienden zijn expedities een wetenschappelijk doel: het vastleggen in woord en beeld van al datgene wat hij op die reizen was tegengekomen. William Hodges had binnen die uitbeeldingsopdracht een ambivalente taak. Hij was getraind als een landschapschilder in de klassieke zin van het woord. Hij had geleerd om mythologische en bijbelse verhalen weer te geven in een verantwoord geïdealiseerd landschap. Tegelijkertijd was het ook de bedoeling dat de schilderijen van zijn reizen een documentaire waarde hadden. Dat zijn in de eerste plaats vormproblemen. Daar kwam nog een andere moeilijkheid bij. In de Europese landschapstraditie moest het werk een morele boodschap uitdragen, de voorstelling had een leerzame of opvoedende strekking. Maar in plaats van Oudtestamentische personen en de goden en godinnen van Ovidius, werden deze landschappen bevolkt door Tahitianen, bewoners van de New Hebrides, van Nieuw Zeeland en andere eilandengroepen. Die kon men niet inzetten voor een leerzaam verhaal.

naakt

Een eerste blik op de 77 geëxposeerde schilderijen en tekeningen van Hodges roept associaties op met de Europese landschapschilderkunst. We zien kusten en binnenlanden, arcadisch badend in een oranje of goudachtig licht. De inwoners, half of geheel naakt, vermaken zich in het water of dragen met een loom tempo een kano uit het water. Dit was Paradise regained. Hier liggen de kiemen van de latere oriëntalistische schilderkunst die uiteindelijk over zouden gaan in complete kitsch. Ander werk is sterk geromantiseerd met woeste watervallen, regenbogen en ruige golven beukend op het strand. Een exponent daarvan is het schilderij van Paaseiland. Daarop zien we vanuit een laag perspectief de stenen afgodsbeelden op het rotsachtige strand. De beklemmende sfeer van dit eiland, waar van de oorspronkelijke bevolking niemand meer in leven was, wordt nog eens benadrukt door een grauwgrijze wolkenlucht en de resten van een skelet op de voorgrond.

Directer en zonder de artistieke vervormingen zijn de tekeningen van Maori en van inwoners van Tahiti. Dit zijn geen types, maar werkelijke portretten van individuen. Ze zijn zeer nabij, niet `verexoticeerd', waardoor ze opvallend gewoon zijn.

De achttiende-eeuwse reizen naar de Stille Zuidzee – ook die van de Fransen – hebben in Europa een diepgaande invloed gehad. Daar, op die zonvergoten eilanden, leefde kennelijk de mens nog in een paradijselijke staat, in harmonie met de natuur. Hij kende geen schaamte, had een seksueel vrije moraal, en hebzucht en tirannie leken er niet te bestaan. Gretig verslond men de reisverslagen van Bougainville, Cook en van de Forsters. Hier trof men onbezoedelde mensen aan, een fascinatie die wij nu niet meer kennen. De laatste oerwoudvolkeren zijn gelokaliseerd, geregistreerd, geïnterviewd en gefilmd. Tegenwoordig is de edele wilde letterlijk op. Vandaar dat de mens nu op een andere manier zijn fascinatie uitleeft voor culturen die nooit met de westerse beschaving in aanraking zijn gekomen. Men is nu verrukt van Egyptische mummies, uitgegraven Inca's en ijsmannen, en veenlijken.

Naast de wat oppervlakkige opwinding over deze ontdekte natuurvolken begon men zich tijdens de Verlichting serieus af te vragen hoe het zat met hun herkomst, hun raciale verwantschap, hun taal en vooral met de vraag: kan men, door deze uiteenlopende volkeren te bestuderen en te vergelijken met andere volkeren en met de Europeanen, een universele ontwikkelingsgang der mensheid vaststellen? Vader en zoon Forster formuleerden een trapsgewijze ontwikkeling van primitief naar geciviliseerd. Elke menselijke samenleving ontwikkelt zich volgens deze sociale theorie in vier stadia: van jagers en verzamelaars, via veehoeders, en landbouwers naar het werkelijk geciviliseerde stadium dat van de commerciële samenleving.

Hodges moet de gesprekken van de Forsters met Cook en de anderen in de kajuit van de Resolution zeker hebben gevolgd. Men mag dan ook verwachten dat die ideeën ook invloed op zijn schilderijen hebben gehad. Toch is dat maar moeilijk aan te wijzen. De idealisering overheerst en dat is te wijten aan de opdrachtgevers: die waren uiteindelijk toch meer geïnteresseerd in een paradijs aan de muur, dan aan een nauwkeurig documentair wetenschappelijke afbeelding. Hodges' bijdrage aan het antropologisch debat van de achttiende eeuw ligt dan ook niet in zijn schilderijen, maar in zijn prenten. In de boeken van Cook en Forster adstrueren ze de theorie.

bengalen

Met William Hodges is het slecht afgelopen. Na zijn terugkeer werkte hij enkele jaren in Londen in dienst van de Admiralty om zijn honderden schetsen om te werken tot schilderijen. In 1780 werd hij uitgenodigd door Warren Hastings, de eerste gouverneur-generaal van India, en verbleef hij drie jaar in Bengalen. Hij kreeg een grote belangstelling voor de Indiase architectuur en probeerde de verwantschap met Griekse en Romeinse bouwkunst aan te tonen. Hij publiceerde daarover zijn boek Select Views of India.

In 1794 organiseerde hij een tentoonstelling van zijn werk, maar omdat men er revolutionaire sympathieën in zag, werd de tentoonstelling gesloten. Hodges was diep beledigd, nam zijn schilderijen terug en heeft vanaf die dag geen penseel meer aangeraakt. Hij gaf zijn leven een radicale wending en werd bankier. Toen zijn bank op de fles ging, trok hij zich terug uit het openbare leven. Hij stierf in armoede in 1797. Twee invloedrijke erfenissen heeft hij nagelaten: zijn bijdrage in prentvorm aan het civilisatiedebat en het begin van een exotische traditie die uiteindelijk zou verworden in het zoetige Zuidzeegenre, met zijn sentimentele erotiek.

William Hodges, 1744-1797. The Art of Exploration. Tentoonstelling in het National Maritime Museum, Greenwich, tot 21 november. In het Yale Center for British Art, New Haven: 27 januari-24 april 2005. Catalogus: 20 pond.