...de krant antwoordt

De kop `nieuwe provocatie' leek de redactie vrijdagavond een adequate beschrijving van wat er aan de hand was. Het ging om een in het geheim opgenomen film met schokeffecten, zo niet beledigingen, op maat gemaakt voor een tv programma met een spraakmakend VVD-Kamerlid in de hoofdrol.

Voor de film was politieke instemming verworven bij de fractievoorzitter van de VVD en zelfs van twee VVD-ministers. De filmer, Theo van Gogh, staat algemeen bekend als agitator – provoceren is zijn dagelijks werk. De `koppenmaker' moest dus een vlag vinden op een lading waarin opzettelijk kwetsen, sterke maatschappelijke controverse, geheimhouding en politieke actie samen zouden komen. In het woord provocatie (`uitdaging' of `tarting') komt dat naar mijn mening goed samen. Maar ik geef toe: taal is nooit waardevrij. Een woord heeft ook gevoelswaarde. Veel lezers lazen in deze woordkeus een aanval, die zeker niet zo was bedoeld. Natuurlijk had er ook `Film Hirsi Ali met Van Gogh' boven kunnen staan. Daarmee was alleen niet het hele bericht gedekt. Ook minister Zalm heeft wel eens een rolletje gespeeld in een van Gogh-film. Zoiets is een berichtje binnenin, voor Binnenland of Kunst waard. De opzettelijk bedoelde politieke schok van Hirsi Ali mag van mij op de voorpagina bij naam worden genoemd. Ik las er een pakkende samenvatting van de feiten in. Of de Hirsi Ali-berichten in de zaterdagkrant `toevallig' tot stand kwamen vat ik op als een vraag naar regie, timing en presentatie. Ook op de redactie is gedebatteerd, vooral over het voorpaginabericht. Zoals een collega mij van een andere NRC-vestiging mailde: `Hier lopen de meningen over het voorpaginabericht sterk uiteen: bewondering voor de persoon Hirsi Ali, vermoeid schouderophalen (kennelijk te veel een herhaling van zetten), en bezwaren tegen het van tevoren opstuwen van een provocatie.' Ik zag het feit van een politieke protestfilm, omgeven door zoveel controverse van deze afzenders op dit moment gewoon als (eigen) nieuws. Iets dat de krant graag op de voorpagina wil brengen, vooral als het een primeur is. De vraag of je ergens aan `meedoet' als je erover schrijft is onbeantwoordbaar en leidt tot journalistieke verlamming. Ik ben geneigd te denken: dat zien we dan wel weer.

Begin maart rees ter redactie het idee om Hirsi Ali te volgen voor een groot verhaal rond het parlementaire debat over integratie (`Commissie Blok'). Tussen half maart en eind juli liep de verslaggever daarom zestien keer met haar mee tijdens optredens. Ze had driemaal uitvoerige telefoongesprekken met haar. Ze interviewde zeven bekenden van Hirsi Ali.

Eind juni ontdekte de verslaggever dat er een film in voorbereiding was. Het integratiedebat bleek te worden uitgesteld. Daardoor was er meer tijd en kon het nieuws over de film beter worden uitgezocht. Alles kwam tenslotte samen in de krant van het weekeinde van het televisieprogramma. Dat zij ook die zaterdag in een achterpaginastukje werd genoemd was toeval.

Achteraf had ik na zo'n journalistieke investering wel meer verwacht. Met in het maandblad M, bijvoorbeeld van vandaag, een grote reportage over die zestien optredens en die zeven bekenden van deze bijzondere vrouw. Daar bleek echter geen plaats, waarna deze reportage voor het Zaterdags Bijvoegsel met ongeveer eenderde werd bekort en er te veel accent op het filmpje kwam. Jammer.

    • Folkert Jensma