Buitenaardse wezens zijn beter te bereiken met aardse flessenpost

Communicatie met buitenaardse beschavingen per flessenpost verdient de voorkeur boven het uitzenden van of `luisteren' naar radiogolven. Het sturen van materiële dragers van informatie, zo blijkt uit onderzoek van Christopher Rose en Gregory Wright deze week in Nature (2 sept.), is stukken efficiënter dan het uitzenden van elektromagnetische golven. En al helemaal als er geen haast bij is.

In een klassiek Nature-artikel uit 1959, getiteld `Searching for interstellar communications', lanceerden Guiseppe Cocconi en Philip Morrison van Cornell University (New York) het idee om aardse radiotelescopen in te zetten bij de speurtocht naar buitenaards leven. Radiogolven zouden, aldus beide fysici, een efficiënt communicatiemiddel zijn. Een jaar later richtte Cornell-astronoom Frank Drake een radiotelescoop op een paar nabije sterren en sindsdien is die zoektocht onder de naan SETI (searching for extraterrestrial intelligence) alleen maar uitgebreid – tot nu toe zonder enig resultaat.

Het idee van radiogolven als efficiënt communicatiemiddel blijkt ondeugdelijk, zo concluderen de elektrotechnicus Rose en de fysicus Wright op basis van kwantitatieve analyses. Probleem is dat radiogolven zich bolvormig uitbreiden, zodat het signaal naarmate de afstand tot de bron toeneemt steeds zwakker wordt. Ook moet de ontvangende partij op het moment dat de boodschap aankomt zijn antenne toevallig goed gericht hebben, en op de juiste frequentie hebben afstemd. Een brief, of een compactdisc, of een steen met inscripties kennen die problemen niet. Bij een boodschap van enige omvang is de verzendenergie per bit aan informatie in geval van `flessenpost' veel minder.

Consequentie is dat het zin heeft naast SETI-afluistertelescopen ook in ons zonnestelsel op zoek te gaan naar `flessenpost' van ET. Te denken valt aan de de monoliet uit 2001 A Space Odyssey. Science fiction, aldus een commentaar in Nature, is wel vaker gepromoveerd tot wetenschap.

    • Dirk van Delft