Afteltduiding

OOK DE AFTELVERSJES verdwijnen, als de waarneming niet bedriegt zijn er tegenwoordig nog maar twee of drie in gebruik. Judith Eiselin wist er in `Iene miene mutte' (Prometheus, 1996) maar een stuk of vijf te noemen. En de Winkler Prins had er in 1990 alvast een klein monument voor opgericht. Het aftelrijm, schreef de Prins, wordt gezegd, niet gezongen. De kinderen staan in een kring en één van hen spreekt het rijm sterk gescandeerd uit; bij elke lettergreep wijst het een kind met de vinger aan. De laatste lettergreep wijst het kind aan dat hem is of juist niet is.

Het kan geen kwaad om op de valreep nog even de puntjes op de i te zetten, want zo zat het dus niet. Aftelversjes werden gebruikt door kinderen in de leeftijd tussen 5 en 10 en meestal, misschien wel altijd, waren dat van die Verbaal Begaafde meisjes. De jongens lieten zich aftellen. En het was helemaal niet zo dat het VB-meisje precies per lettergreep een volgend kind aanwees, het vingertje van het meisje ging veel sneller langs de rij kinderen dan de lettergrepen heur VB-mondje verlieten. Pas de laatste drie woorden of lettergrepen gingen zoals het moest.

Het VB-meisje besodemieterde de jongens waar ze bij stonden. Wees het laatste woord (dus `baas') van het rijmpje iene-miene-mutte onbedoeld het verkeerde kind aan, dan kwam er nog snel de uitbreiding: `maar jij mag de baas niet zijn want jij bent nog veel te klein'. Ging het weer mis dan kwam er nog: `iet wiet waait weg' en als laatste redmiddel: `pot-je pech'. Ook tot de Encyclopedia Britannica is nooit doorgedrongen hoe het er in de praktijk aan toe ging. `Counting out is conducted by children with elaborate seriousness, and the one on whom the lot falls accepts it fatalistically'. Dat laatste is waar.

Nu goed. Misschien was het vroeger anders. Waar het om gaat is dat de schrijver Frank Martinus Arion op 1 juli, bij een toespraak ter herdenking van de afschaffing van de slavernij, het `iene-miene-mutte' in een heel nieuw licht plaatste. Martin Bril besprak het kort in de Volkskant en hij heeft geen woord gelogen, laat Arion vanaf Curaçao weten. Arion herhaalde op 1 juli wat hij al een jaar eerder in het tijdschrift Optima (2003, nr.4, augustus) zorgvuldig had uitgewerkt. Iene-miene-mutte is van Afrikaanse oorsprong.

In het Nederlands, en vooral het oud-Nederlands, komen veel meer Portugees-Afrikaanse woorden voor dan de Nederlander beseft, is de stelling van Arion. Hij geeft in Optima een paar losse voorbeelden en komt dan op Creoolse kinderliedjes die, meent hij, soms nauwelijks gewijzigd in de Nederlandse cultuur zijn opgenomen, maar zonder dat de Nederlander dat door heeft. In het zo te zien betekenisloze `ompompee poedenee poedenaska' en `oze wieze woze' herkent Arion zonder veel moeite Portugees-Afrikaanse liedjes uit de buurt van São Tomé.

Dan komt hij met de oorspronkelijke tekst van iene mien mutte, tien pond grutten, tien pond kaas, enz. Die luidt volgens hem: ine mine mute, temp de gruta, tempu de kasa, ine mine mute, es debas. De vertaling die hij geeft (in Optima): meisjes veel, tijd om te vrijen, tijd om te trouwen, meisjes veel, daar beneden. De tekst zou slaan op het gebruik onder slavenhandelaren (circa 1640) om aantrekkelijke, jonge slavinnen ook nog te misbruiken tijdens of voor de reis per schip naar de West. Deze duiding zou ook aardig aansluiten op het vroeger wel gebruikte tweede deel van iene-miene-mutte: wil je het niet geloven, klim dan maar naar boven, klim maar in de mast, enz.

De vraag is natuurlijk: zou het waar zijn? Dat het tweede deel van iene-miene-mutte in rond, begrijpelijk Nederlands staat geeft te denken. Geraadpleegde deskundigen raden aan uiterst behoedzaam te zijn met dit soort interpretaties. Er is geen gebrek aan mensen die betekenis willen geven aan betekenisloze liedjes, en wat dat betreft zijn er voor iene-miene wel aannemelijker verklaringen gevonden. In kringen rond de genezeres Mellie Uyldert hoort men er bijvoorbeeld makkelijk `Anna, mijne moeder' in. (Anna is dan een oermoeder of zo.) Anderen vinden in het iene-miene-mutte keltische telwoorden, verhaspelde Latijnse liturgie (à la `hocus-pocus') of druïdische rituelen terug.

Maar het zijn juist dit soort reflexmatige `Germaanse' duidingen waartegen Arion zich afzet. En gezegd moet worden: zijn betoog kan de leek overtuigen. Een niet te negeren lastigheid is dat het `iene miene mutte' in Europa zo'n wijde verspreiding heeft. Een van de bekendste Duitse Abzählreime gaat: `Ene mene miste, es rappelt in der Kiste, ene mene meck, du bist weg'. Het bekendste Angelsakische `counting-out rhyme' (of dipping rhyme) is `Eeny meeny miny mo, catch a tiger by his toe, if he hollers, let him go'. Varianten hiervan komen in Amerika en in Canada voor. In Amerika wordt `nigger' in plaats van `tiger' gebruikt, maar tiger en tinker zijn de oervorm, aldus de gezaghebbende `The Oxford Dictionary of Nursery Rhymes' (1951), die er, interessant genoeg, bij aantekent dat het `eeny meeny' niet voor het midden van de negentiende eeuw is opgetekend. De Dictionary geeft diverse varianten, waaronder ook een min of meer Franse uit Canada: `Meeny meeny miney mo, cache ton poing derrière ton dos, enz.'. Het lukte deze week niet op internet Franse `comptines' (ook comptines d'élimination of comptines numériques genoemd) te vinden die op iene-miene-mutte leken.

Wat niet wegneemt dat het zoeken op internet een sensatie was. Voor het verzamelen van aftelrijmpjes bestaat veel belangstelling en er zijn er honderden te vinden. Wees erop bedacht dat de aftelversjes vaak op één hoop worden gegooid met telversjes, zoals `Karel 1, brak zijn been', die een functie hebben bij het ballen of touwtje springen.

Een snelle inventarisatie leerde dat het iene-miene ook in Scandinavië voorkomt (in Denemarken: ene mene ming mang) en dat ook het `iet wiet waait weg' internationaal is (eia weia weg). Zelfs het olleke-bolleke, in Nederland van lieverlee verworden tot een wezenloos spelletje, kent bredere verspreiding. Het Britse `inty-minty tibbelty fig' eindigt met: ollige bollige go. Aan noemenswaardige duiding zijn de verzamelaars nog niet toegekomen.

    • Karel Knip