Verdrijving jansaliegeest in Nederland kost tijd

Het Innovatieplatform bestaat een jaar. De bundeling van macht, geld en kennis moet de Nederlandse kenniseconomie uit het slop trekken. Een eerste balans leert dat dat tijd kost.

Het leek wel wat op een comité van nationale redding: het Innovatieplatform. Een gezelschap van universiteitsbestuurders, onderzoekers, captains of industry en drie ministers, onder wie premier Balkenende, had de handen ineen geslagen om de in het slop geraakte Nederlandse kenniseconomie aan te jagen. Want als men het kabinet en het bedrijfsleven mocht geloven, was de jansaliegeest, die oude vijand uit de negentiende eeuw, opnieuw over het normaal zo ondernemende Nederland vaardig geworden. De `wil om te winnen' ontbrak, met als gevolg dat Nederland aan alle kanten voorbij werd gestreefd. Door andere EU-landen, maar vooral door de VS, China en India. Een krachtenbundeling van de macht, het geld en de hersens van Nederland moest het tij doen keren.

De opdracht voor het platform was duidelijk: het bestrijden van de Nederlandse `kennisparadox'. Volgens die theorie is de kwaliteit van wetenschap en onderzoek aan de Nederlandse universiteiten en hogescholen van hoog niveau, maar wordt die kennis onvoldoende in klinkende munt omgezet door toepassing in producten. Aan het Innovatieplatform de taak om met voorstellen te komen hoe bedrijfsleven en kennisinstellingen beter kunnen samenwerken. Lichtend voorbeeld daarbij was Finland, waar in 1986 de Science and Technology Policy Council werd ingesteld, die in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het succes van de Finse high-tech sector.

Precies een jaar geleden was het zover. Op een vrijdagmiddag, in een zaaltje van het ministerie van Algemene Zaken, maakte premier Balkenende de oprichting van het Innovatieplatform wereldkundig en beantwoordde hij enkele vragen. Daarna werd het stil.

En het bleef lang stil. Vijf maanden later was het Innovatieplatform er zelfs nog niet in geslaagd een eigen website in de lucht te krijgen. D66 drong bij Balkenende aan op meer actie. In de kranten kreeg het platform stevige kritiek en soms zelfs hoon over zich heen. ,,We deden of het ons niet raakte'', zegt Frans van Vught, rector magnificus van Universiteit Twente en een van de actiefste leden van het platform. ,,Maar het was natuurlijk niet motiverend.'' Toch ging het platform in werkelijkheid vlot aan de slag, zegt hij. ,,Alleen waren de verwachtingen erg hoog gespannen, omdat het platform met zoveel aplomb was aangekondigd.''

Ook de samenwerking met de ministeries liet aanvankelijk te wensen over. Informatieuitwisseling, deelname van hoge ambtenaren aan bijeenkomsten: het kwam allemaal moeizaam tot stand. ,,De departementale leiders zagen het platform als een vreemde eend in de bijt'', zegt Van Vught. ,,Ze vonden ons misschien bemoeials, en vonden dat het prima ging op hún manier. Ze waren nog niet gewend aan iets op zo'n hoog niveau.''

Inmiddels zijn betere tijden aangebroken. Het secretariaat is niet meer gehuisvest boven een café maar in een mooi pand aan Plein 1813, het voormalige onderkomen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Frans Nauta (36), de oprichter van `denktank' en projectadviesbureau Nederland Kennisland die als secretaris belast is met de dagelijkse organisatie, glundert ironisch. ,,We zitten anti-kraak. Het pand moet worden opgeknapt, maar de komende drie jaar zitten wij erin.''

De materiële voorwaarden zijn nu dus aanwezig. Maar wat valt er te melden na een jaar? Het platform heeft tot nu toe veertien adviezen uitgebracht aan het kabinet. Het eerste was een `inkoppertje' en ging over de toegang voor hoogopgeleide `kenniswerkers' van buiten de EU tot de Nederlandse arbeidsmarkt. De Indiase computerexpert of de Russische promovendus in de biochemie moesten 430 euro betalen voor hun verblijfsvergunning (tegen 10 euro in België en 50 euro in Duitsland), waar ze bovendien lang op moesten wachten. Reden voor deze immigranten, die zeer gewild zijn bij de universiteiten, om hun heil elders te zoeken, bijvoorbeeld in de VS.

Andere voorstellen zijn het Casimir-project, dat de uitwisseling van onderzoekers tussen de publieke sector (universiteiten, instituten) en het bedrijfsleven moet bevorderen en de `kennisvouchers' voor het midden- en kleinbedrijf (MKB). Een van de problemen van het MKB is dat het weinig investeert in technisch onderzoek. De kennisvouchers moeten de `gescheiden werelden' van MKB en universiteit dichter bij elkaar brengen. Daarnaast heeft het platform over tal van andere plannen geadviseerd, waaronder een om de financiering van het hoger onderwijs meer afhankelijk te maken van de (economische) bruikbaarheid van kennis en onderzoek.

,,Ik tel mijn zegeningen'', zegt Jacques Schraven, voorzitter van werkgeversorganisatie VNO-NCW. Zeker, hij heeft het platform een tijdje ,,hoofdschuddend aangezien'', maar is de laatste tijd enthousiast geworden. ,,Ze werken aan reputatieherstel.'' Nu komt het volgens hem aan op de uitvoering. ,,Geen nieuwe ideeën, eerst deze projecten goed uitvoeren. Daar moet het platform zelf op toezien, dat hoort ook bij hun taak.''

De effectiviteit van het platform is ook te beoordelen door te kijken naar wat het niet heeft kunnen tegenhouden. Zo kondigde staatssecretaris Rutte (Onderwijs) onlangs aan dat het collegegeld voor studenten buiten de EU verhoogd zal worden van 8.100 euro naar 14.000 euro. Een maatregel die recht ingaat tegen de doelstelling om meer kenniswerkers aan te trekken. Een dwaas voornemen, meent Hans van Luijk, voorzitter van het College van Bestuur van TU Delft. Studenten en promovendi van buiten de EU, vooral bij de `harde' bèta-vakgroepen zoals micro-elektronica, vormen soms meer dan 80 procent van het totaal. ,,Nederland prijst zich uit de markt met de plannen van Rutte'', zegt Van Luijk. ,,Het is een illusie te denken dat getalenteerde studenten dan nog naar Nederland zullen komen. Die gaan dan naar topuniversiteiten als Cambridge of Stanford.''

Het oordeel over één jaar Innovatieplatform dat onder wetenschappers en in het bedrijfsleven te beluisteren valt, is gematigd positief, al is er ook kritiek op de volgens sommigen te eenzijdige nadruk op de bèta-wetenschappen. ,,Nederland is in de eerste plaats een handelsland'', zegt de Amsterdamse hoogleraar economie Frank den Butter. ,,Dat zie ik te weinig terug in de aandacht van het Innovatieplatform.''

Na een trage start heeft het platform revanche genomen, maar om van Nederland echt die onweerstaanbare `kennisdelta' te maken, is meer nodig. Dat zal mede afhangen van het leiderschap van premier Balkenende, waarover geen volledige tevredenheid heerst in het platform. Het wordt hem nog niet zeer kwalijk genomen, maar het komende jaar zal hij moeten bewijzen dat het onderwerp hem echt ernst is. ,,Balkenende heeft zich hieraan gecomitteerd'', zegt Schraven. ,,Zijn reputatie staat op het spel.''

    • Arnoud Veilbrief