Tussenoplossing Van Tuyl

Eindelijk zijn ze eruit in het Stedelijk. In mei, bij de opening van het tijdelijke onderkomen in Post CS, meldde interim-directeur Hans van Beers nog dat hij niemand kon vinden. Dat hij werkelijk zo'n beetje iedereen in Europa had aangeschreven met de vraag: ,,Wie moet de nummer één worden in Amsterdam?'' Maar dat er geen kandidaat was komen bovendrijven. Blijkbaar voelde niemand zich geroepen het noodlijdende Nederlandse museum, ooit de trots van de natie, te gaan leiden. ,,Het aantal aanmeldingen is nul'', aldus Van Beers. En daarom zette hij vervolgens uit pure wanhoop maar een vacature op het internet.

Intussen zakte het Stedelijk steeds dieper weg. De bezoekersaantallen op de nieuwe locatie vielen tegen, en de kritiek op het tentoonstellingsbeleid zwol nu ook van buiten de landsgrenzen aan. In de Volkskrant noemde MuHKA-directeur Bart de Baere het Stedelijk ,,provinciaals''. Van Beers leidde het museum in de afgelopen maanden weliswaar bekwaam richting verzelfstandiging, en de benodigde miljoenen voor de aanstaande verbouwing werden bij elkaar gesprokkeld, maar de roep om een inhoudelijke invulling van het directeurschap werd steeds luider. Sinds Rudi Fuchs eind 2002 zijn functie neerlegde, maar eigenlijk ook daarvoor al, was het Stedelijk op artistiek gebied stuurloos. Er moest iets gebeuren, dat was duidelijk.

De naam van de redder is sinds drie dagen bekend. Gijs van Tuyl – 63 jaar en de afgelopen twaalf jaar werkzaam als directeur van een middelgroot museum in een Duits provinciestadje – moet het Stedelijk nieuw leven inblazen. Van die heldenrol is hij zich zelf ook terdege bewust, zo blijkt uit zijn zelfverzekerde uitspraken in deze krant: ,,Het Stedelijk moet terug naar de top, en zo snel mogelijk.''

En toch voelt het alsof we weer met een kluitje het riet in gestuurd worden. Net als Van Beers is Van Tuyl een tussenoplossing, en daarmee een slappe keuze. Het Stedelijk geeft op deze manier wel een heel duidelijk signaal af dat zijn ambities niet al te hoog liggen. Van Tuyl is degelijk en betrouwbaar. Voor zijn Kunstmuseum in Wolfsburg kocht Van Tuyl netjes werken aan van kunstenaars die er op dat moment toe deden – van Damien Hirst of Franz Ackermann of Thomas Schütte bijvoorbeeld – en maakte hij relevante tentoonstellingen die hij bovendien wist te verkopen aan collega-musea. Maar op een duidelijke stellingname of een inhoudelijke visie was hij niet te betrappen.

Van Tuyl zal de verbouwing van het Stedelijk in juiste banen weten te leiden. Hij zal – hopelijk – ook eens een tentoonstelling van de Tate Gallery of het Centre Pompidou aankopen, zodat we niet steeds naar Londen of Parijs hoeven om op de hoogte te blijven. Maar of hij erin zal slagen om in vijf jaar het Stedelijk weer op de wereldkaart te zetten, is de grote vraag. Stedelijk-directeuren als Sandberg en De Wilde, aan wie iedere kunstliefhebber en ook Van Tuyl zelf met zoveel weemoed terugdenkt, stonden wel allebei zo'n twintig jaar aan het roer. Er is tijd voor nodig om een museum te revitaliseren en weer een eigen gezicht te geven. Die tijd heeft Van Tuyl niet.

De echte revolutie moet dus nog komen. Misschien dat zich in 2008 wel nieuwe kandidaten zullen melden – als aan het Museumplein een spectaculair vernieuwd gebouw van Benthem en Crouwel staat, de architecten die van De Pont in Tilburg het mooiste museum van Nederland maakten. En dat er dan een bevlogen man of – liever nog – een vrouw opstaat die jong genoeg is om zich voor langere tijd aan het museum te engageren.

    • Sandra Smallenburg