Tijd als steno

Door de digitale revolutie wordt het nieuws tegenwoordig zo direct mogelijk beleefd. Maar te veel beeld maakt murw. De kunst zoekt een ontsnappingsroute.

ens bestond alles op de wereld om uiteindelijk in een boek terecht te komen, volgens een beroemde bewering van de negentiende-eeuwse Franse dichter Mallarmé. Een boek? Wij weten beter: alles wat in onze wereld plaatsvindt, wordt beeld – en meestal ter plekke. Een paar weken geleden kondigde het ANP aan nu ook digitale nieuwsfoto's van amateurs te gaan verspreiden in de media. De meeste Nederlanders worden geacht een digitale camera op zak te hebben; wanneer er iets opvallends of schokkends of verschrikkelijks gebeurt, drukken zij af nog voor hun mond open valt. Sinds een jaar kunnen nieuwshobbyisten hun foto al aanbieden aan NU.nl, een dienst die alles per dag verzamelt en vanaf heden een selectie aan het ANP aanbiedt. Directeur Bert Wiggers: ,,Mensen sturen ons unieke foto's van branden, verkeersongelukken en evenementen. We krijgen nu het pand tijdens de brand en niet het obligate plaatje van het pand na de brand.''

NU.nl – er zit veel ideologie in die naam. Het nieuws moet zo direct mogelijk beleefd worden, een uur later is het alweer oud nieuws. De fotograaf die met zijn camera nasmeulende resten vastlegt, schiet op een fundamentele manier tekort. Toen ik begin dit jaar de Duitse essayist Rüdiger Safranski voor deze krant sprak over de verhouding van het individu met de wereld in tijden van globalisatie, ging het ook over de illusie van de directe ervaring die het beeld teweegbrengt. Het grootste deel van de wereld kennen we alleen als beeldmateriaal. Vóór de komst van de telecommunicatie was het onmogelijk om verschillende gebeurtenissen gelijktijdig in één ruimte te beleven. Safranski: ,,Toen in Duitsland bekend werd dat de Franse Revolutie plaatsvond, was het nieuws al minstens een week oud. Bij iedere gebeurtenis die zich elders voltrok ging er eerst tijd overheen. Bovendien ontbraken directe beelden. Je nam iets tot je in taal, wat betekende dat een gebeurtenis eerst symbolisch geordend was, en pas nadat het was gebeurd. Daardoor bleef er altijd een zekere afstand tussen jou en het nieuws. Zo'n gebeurtenis bleef daardoor ook iets mysterieus houden, iets wat je niet helemaal kon doorgronden of overzien. Die afstand is nu verdwenen; we zijn getuige van dingen terwijl ze ver weg plaatsvinden en we zien ze ook werkelijk als beeld. Dat schept een gevoel van nabijheid dat niet echt is.''

Je kunt je afvragen of Auschwitz had kunnen plaatsvinden in het tijdperk van de digitale camera. Foto's en video's van het vernietigingskamp zouden ogenblikkelijk over de wereld zijn verspreid en het de wereld onmogelijk gemaakt hebben jarenlang stug de andere kant op te kijken. Waarschijnlijk. Maar misschien zou er bij een overmaat van gefotografeerde gruwelen ook een beangstigend soort gewenning zijn opgetreden. Te veel beeld maakt je murw, permanente onmacht maakt je onverschillig. De holocaust zou misschien wel heel snel een horrorfilm zijn geworden.

Door die pseudo-nabijheid van het directe beeld is veel van je betrokkenheid met de wereld even heftig als kortstondig. In de wereld van NU.nl regeert het heden, alles wordt ondergeschikt aan het moment van directe ervaring. De vermeende betrokkenheid met wat je werkelijk ziet gebeuren, maakt je tot een bewogen ooggetuige; alleen zie je de volgende dag weer iets anders. Je bent erbij, en je bent machteloos – net als in een film. Het proces van O.J Simpson, de dood van prinses Diana, de eindeloze reeks Hollandse schandaaltjes en affaires die de afgelopen jaren over onze schermen zijn getrokken, achteraf is het moeilijk je te herinneren dat je er werkelijk gevoelsmatig bij betrokken bent geweest. Heel de buitenwereld lijkt emotie-televisie geworden. Het is echt, het is onecht.

Echt problematisch wordt die valse betrokkenheid wanneer er onvoorstelbare dingen plaatsvinden. De digitale revolutie speelt terroristen in de kaart; één camera erbij en de wereld ligt aan hun voeten. De digitale video-opnames van de onthoofding van de Amerikaanse gijzelaar Nicholas Berg werden door zijn beulen op het internet gezet, en dus voor iedereen op de wereld toegankelijk (terwijl ik dit schrijf heb ik de beelden voorafgaand aan de onthoofding nog even afgespeeld op een nieuwssite van de Amerikaanse televisiezender Fox; ernaast wordt reclame gemaakt voor snel geld lenen, fast cash.) Lokale terroristen in Irak gebruiken beelden van gegijzelde journalisten om Frankrijk te dwingen hun wet op het verbod van hoofddoekjes af te schaffen. Zonder de directheid van het beeld van die twee mannen in zichtbare doodsangst, zou hun eis als onwerkelijk en idioot worden opgevat; nu is heel Frankrijk binnen een paar uur gemobiliseerd. Tegelijkertijd kun je een snelle vervlakking van de emoties verwachten; iedere gijzelneming zal minder en minder effect teweegbrengen – nog een paar maanden en we zappen lusteloos door bij grofkorrelige beelden van een man met een mes op zijn keel.

Dat snelle proces van schok en gewenning maakt het moeilijk om te gaan met gebeurtenissen die werkelijk wereldschokkend zijn. In de massamedia wordt alles tot een vluchtige hype gemaakt, ook gebeurtenissen die echt van belang zijn, die het werkelijk verdienen indruk te maken. In de nasleep van de aanslagen van 11 september in de Verenigde Staten was het verbazingwekkend hoeveel beeld er bleek te zijn. De eindeloos herhaalde eerste videobeelden van de twee vliegtuigen die in de torens van het World Trade Centre vlogen, werden vervangen door steeds weer andere – telkens doken er nieuwe beelden op, met als hoogtepunt de opnames van een Franse cameraploeg in het gebouw zelf op het moment van de inslag. (Van de aanslag op het Pentagon, daarentegen, zijn geen beelden of in ieder geval geen beelden die de media hebben bereikt, zodat er meteen een ingenieuze complottheorie populair kon worden, waarin die aanslag helemaal niet werkelijk had plaatsgehad.) Het was verbazingwekkend hoe dicht je als toeschouwer vanuit je huiskamer de verschrikking van het moment kon benaderen. Maar ook hier, zelfs hier, de onvermijdelijke afvlakking, de doodsheid van de eeuwigdurende herhaling van het beeld. Binnen een paar uur na de aanslag was 11 september een symbool – nu dreigt het alweer een cliché te worden.

Dat is de reden dat de meeste kunstenaars die zich met de gevolgen van 11 september bezighouden, geneigd zijn de overbekende beelden te vermijden. Michael Moore laat aan het begin van zijn docu-pamflet Fahrenheit 9/11 de aanslagen zelf niet zien; hij draait de camera als het ware om en gebruikt beelden van de ontzetting bij de ooggetuigen; de ontredderde mannen en vrouwen in de straten van New York, die omhoog kijken en hun ogen niet kunnen geloven. Zo maakt hij weer iets van de emotie zichtbaar van het moment zelf, je ziet mensen die het onvoorstelbare aanschouwen, in plaats van het onvoorstelbare zelf – dat inmiddels door alle herhaling meer dan voorstelbaar is geworden. Ook vrijwel alle filmmakers die meededen aan het gezamenlijke, internationale project 11'09''01 – September 11 (2002), waar in elf korte films van elf minuten, negen seconden en één beeld geprobeerd werd de impact van de aanslagen op de wereld te laten zien, vermeden het directe beeld, de toen al overbekende footage van de vliegtuigen en de torens. Dat is een onthullende paradox: je maakt het meeste indruk door de schokkendste beelden niet te laten zien. Ernaar verwijzen is genoeg en heeft zelfs meer effect. De internationale filmmakers doen hun best het nieuws te ontwijken – het is hun erom begonnen de werkelijkheid zichtbaar te maken die door de eindeloos herhaalde beelden (en de bijbehorende grote woorden van de politieke commentatoren) aan het oog onttrokken worden.

Iets zichtbaar maken door het niet direct te laten zien, de werkelijkheid achter de werkelijkheid onthullen – daarmee zijn we op het gebied van de kunst beland. In haar uitdagende studie Evil in Modern Thought (2002) neemt de Amerikaanse filosofe Susan Neiman drie symbolische verschrikkingen die het westerse denken over de wereld hebben veranderd: de aardbeving die in 1755 Lissabon verwoestte (en volgens Neiman door de discussies over de aard van het kwaad die erop volgden, het begin van de moderniteit inluidden), Auschwitz natuurlijk, en 11 september. Ze gaat terecht de discussie uit de weg of deze drie ,,gebeurtenissen'' hun invloed ook werkelijk verdienen, of er dingen in de geschiedenis hebben plaatsgevonden die minstens zo erg waren of erger, of er rampen en massamoorden zijn die een grotere plek in ons bewustzijn zouden verdienen. Ze hebben hun betekenis gekregen omdat wij die eraan hebben gegeven.

Neiman: ,,Wanneer we eenmaal met uitingen van het kwaad worden geconfronteerd, zijn pogingen om ze te meten in het gunstigste geval een abstracte bezigheid, in het ongunstigste politieke berekening. Het heeft niet veel zin om 11 september het gruwelijkste geval van terrorisme in de geschiedenis te noemen, maar het was wel het meest spectaculaire. Het instinct van Al-Qaeda voor symboliek bezorgde hun in ieder geval dit succes: een bijna wereldwijde gewaarwording dat onze vaardigheid in onze omgang met de wereld oneindig veel onzekerder was dan de dag daarvoor. Die gewaarwording was zo wijdverbreid en vond zo snel plaats, dat voor het eerst in de geschiedenis niet ruimte maar tijd als steno werd gebruikt. In vroegere tijden voldeed de naam van een stad – Lissabon of Auschwitz – om de diepste schok en verschrikking vast te leggen, de eenentwintigste eeuw begon met het noemen van een datum.''

Neiman stelt dat de aanslagen in Amerika weliswaar allerlei politieke verschuivingen tot gevolg hadden, maar dat ze geen nieuwe morele werkelijkheid schiepen; integendeel, er vond weliswaar massale vernietiging plaats met moderne middelen, en het schokeffect verspreidde zich op een tot dusver ongekende schaal, maar de motieven van de daders – zoveel mogelijk dood en verderf en angst zaaien – vielen schokkend samen met een heel ouderwets beeld van het kwaad.

Wat 11 september onmiskenbaar tot gevolg heeft gehad, is dat de vaste grond onder onze voeten is weggeslagen. Nederland kende een gemene naschok in de moord op Pim Fortuyn en de onvermijdelijke gevolgen van die twee schokken – woede, paranoia, een permanent wantrouwen jegens de gevestigde instituties, een roep om radicale maatregelen, het zoeken naar een zondebok die als drager van het kwaad kan worden gezien en dus onschadelijk worden gemaakt – benadrukken alleen maar de onzekerheid over de wereld die zich van ons meester heeft gemaakt. De aardbeving in Lissabon deed filosofen zich afvragen wat de plaats was van God in een wereld die zulke verschrikkingen kende, Auschwitz vernietigde het blinde optimisme van de Verlichting, en 11 september – wat betekent 11 september? De schok is gevoeld, het regent grote woorden, er is een oorlog gevoerd, het terrorisme roept doemscenario's van nieuwe massale vernietigingen op, maar tegelijk is er het gevoel dat de werkelijke betekenis nog aan ons ontsnapt. Daar helpen geen directe nieuwsbeelden aan. Die zitten eerder in de weg.

Kan de kunst daar iets mee? Zoals bij iedere grote gebeurtenis klonk ook na 11 september 2001 onmiddellijk de oproep aan de kunst om zich over deze grote klap te ontfermen. Meestal leggen zulke appèls alleen maar het crisisgevoel in de kunstwereld zelf bloot, die na de al te grote verwachtingen van de kunst in de negentiende eeuw (kunst als religie) en de twintigste (kunst als revolutie), hoopt te ontsnappen aan de malaise van een postmoderne lethargie. Noem het het Sarajevo-gevoel; al die nogal larmoyante pogingen van de kunst om haar plaats in de wereld terug te krijgen door een paar dichters naar een brandhaard te sturen. Zulke exercities laten een wrange nasmaak achter – niet eens wegens de ijdelheid van de geëngageerde kunstenaars, in een massacultuur wordt iedere vorm van engagement nu eenmaal ondergeschikt gemaakt aan een sterrencultus – maar wegens het vermoeden dat de kunst de wereld harder nodig heeft dan andersom.

De kunst is geen doekje voor het bloeden, een eerste-hulp-doos die kan worden opengetrokken zodra er iets verschrikkelijks gebeurt dat niemand kan bevatten. Wat kunst wel kan: het onvoorstelbare terugbrengen naar het domein van de menselijke ervaring. 11 september als trefwoord is een hype die ongetwijfeld veel slechte kunst zal veroorzaken, maar de aanslagen hebben ook een reële schokgolf veroorzaakt, die verder reikt dan alleen de politieke werkelijkheid.

Voor de holocaust gold lange tijd dat het een unieke verschrikking was, die koste wat het kost buiten het domein van de verbeelding moest worden gehouden, uit angst dat de massamoord op de joden tot fictie zou worden – een verzonnen verhaal in plaats van de werkelijkheid. Een begrijpelijke notie, maar een die onhoudbaar is gebleken. Naakte feiten zonder verbeelding krijgen geen betekenis. Wil je iets ervaren wat je niet hebt meegemaakt, dan zul je het eerst moeten verbeelden. De paradox van de kunst is dat we gebeurtenissen op afstand pas echt tot ons door kunnen laten dringen, wanneer we ze eerst verzonnen hebben.

Maar wat als de werkelijkheid zelf in hoge mate fictief is geworden, echt en onecht tegelijk? Bij de aanslagen van 11 september is er geen taboe op verbeelding, zoals bij de holocaust. Eerder het omgekeerde: een bijna tastbare behoefte om betekenis te vinden achter de feiten, achter de vlakke stroom van beelden die eindeloos langs ons netvlies glijdt. Als 9/11 een symbool is, dan is het een tweeledig symbool: enerzijds van een schok die ons vertrouwen in de wereld heeft weggevaagd, anderzijds een symbool van het onvermogen om te ontsnappen aan de eeuwigdurende actualiteit van de media, die de werkelijkheid enkel als beeldmateriaal ziet.

Het is aan de kunst om ons een wereld te laten zien waarin dingen gebeuren die we in ons rooskleurig humanisme voor onmogelijk gehouden hadden. Tegelijk kan de verbeelding ons laten ontsnappen aan de doodse sensaties van NU.nl, aan de schijn van het instant contact, door het vlakke beeld weer de diepte van de ervaring te geven.

In het geval van 11 september zal ze dat eerst met grote omtrekkende bewegingen doen, omdat die datum nog steeds ons bevattingsvermogen te boven gaat, nog lang niet echt gezien kan worden. Maar uiteindelijk zal de kunst die datum in haar greep krijgen, zoals ze ook Hitler en de holocaust en de kaalslag van het communisme langzaam maar zeker in haar greep krijgt. Dat 11 september 2001 ook een belangrijke datum is voor de kunst, spreekt dus vanzelf – het heeft haar de werkelijkheid teruggegeven als haar natuurlijke domein. Niet uit verveling, niet uit ijdel engagement, maar domweg uit noodzaak.

Van 6 t/m 12 september wordt in Lux, Nijmegen de manifestatie `11 september en de kunsten' gehouden, met debatten, films, beelden en lezingen. M.m.v. Bas Heijne, Jos de Mul, Aaron Betsky, Soheila Najand, Chris Keulemans, Herman Franke, Franc Schuerewegen en Frank van de Veire. Inl: www.11septemberendekunsten.nl.

Heel de buitenwereld

lijkt emotie-televisie geworden

De kunst heeft de wereld

harder nodig dan andersom