Samuel Pepys krijgt een aai

Dat is waar ook, zal menigeen nogal eens denken bij het lezen van D. van der Horsts boek over de Britse geschiedenis. De voornaamste gebeurtenissen, persoonlijkheden en verwikkelingen staan er allemaal in, van het Stenen Tijdperk en de Kelten tot Tony Blair in zijn tweede ambtstermijn. De eerste duizend jaar zijn gauw voorbij en na twintig bladzijden is het jaar 1066 al bereikt: Willem de Veroveraar en de Slag bij Hastings. Daarna wordt het verhaal uitvoeriger, in een landschap met figuren van wie men zich een voorstelling kan maken. Het wordt gezelliger, met de bekende gezichten van Hendrik VII en Elizabeth en met enkele van Hendriks beklagenswaardige vrouwen, verscheidene bisschoppen en ministers, en zelfs in het voorbijgaan enkele schrijvers.

Het blijft altijd moeilijk om in algemene geschiedenissen iets verstandigs te zeggen over schrijvers en kunstenaars. Dat Van der Horst dit ook een probleem vindt is te zien aan de onhandig geformuleerde pluim voor Shakespeare als taalvormer: `Samen met Book of Common Prayer hebben de werken van Shakespeare dankzij kerk en school een blijvende taalvormende invloed gehad'. Fragmenten over de kunst en de literatuur staan obligaat aan het eind van hoofdstukken over historische gebeurtenissen waar zij niets mee te maken hebben. Soms krijgt iemand in het voorbijgaan een aai, zoals Samuel Pepys, de dagboekschrijver van de jaren 1660, die wordt gekenschetst als `vaardig stenograaf'.

De algemene geschiedenis gaat altijd over oorlogen, rampen, opstanden en misstanden, en hoe zij ten dele goedgemaakt worden door maatregelen, oplossingen en hervormingen. Er blijkt niet uit hoe het was om te leven in de verschillende periodes: wat de mensen te verduren hadden, waar zij plezier in hadden en hoe zij het volhielden. Het is daarom jammer dat Van der Horst zo weinig gebruik gemaakt heeft van Pepys, juist de man die je moet hebben om een oud Engeland op te roepen. Twee figuren aan wie hij wel een stukje extra tekst besteedt zijn de koningen George IV en Edward VII. George IV, koning van 1820 tot 1830 en daarvoor tien jaar lang Regent, stond bij zijn tijdgenoten al aangeschreven als een losbol en heeft later van zijn biografen geen gunstiger oordeel genoten: wél een ruime voldoende van Van der Horst, die hem prijst als man van smaak en als bouwheer. Edward VII, ook een prinselijke vrijbuiter is de enige andere Engelsman in die duizend jaar die zoveel ruimte krijgt.

Op enkele andere plaatsen toont Van der Horst dat hij oog heeft voor het menselijke, bijvoorbeeld wanneer hij vertelt dat in de achttiende eeuw de Jacobieten, die niet het Huis van Hanover maar de verbannen Stuarts op de troon wilden terugzien, het gebruik hadden aangenomen om aan diners hun wijnglas te heffen boven hun waterglas ten teken dat zij `the King over the Water' trouw bleven. Soms vergist hij zich, soms wordt de lezer in de war gebracht, zoals in het slotwoord wanneer er staat dat 1066 gevolgd werd door vier eeuwen nauwe betrokkenheid bij Frankrijk, en in de volgende zin gesproken wordt van lange overheersing door Franse vorsten. Dit lijkt te betekenen dat de Engelse koningen tot in de vijftiende eeuw eigenlijk koningen van Frankrijk waren; en uit de eerste hoofdstukken is te leren dat het zo niet zat.

D. van der Horst: Geschiedenis van Engeland. De Arbeiderspers, 398 blz. €24,95