Pamuk is de Erasmus van deze tijd

Begin oktober wordt bekend wie de Nobelprijs voor Literatuur krijgt. Welke taal is aan de beurt? Na het Nederlands ons tweede voorstel: het Turks.

Pamuk? De Nobelprijs voor Pamuk? Voor die islamgeselaar, die schrijver uit Istanbul die in zijn werk ons mooie land beledigt, die dweper met alles wat westers is, die goddeloze die het opneemt voor een heiligschenner als Salman Rushdie? Zo zal een Turkse literair criticus ongetwijfeld reageren als de schriftgeleerden in Stockholm Orhan Pamuk de Nobelprijs voor Literatuur toekennen. Want anders dan in Europa en de Verenigde Staten is hij bij zijn critici in eigen land allesbehalve geliefd. De voornaamste reden voor die geringe waardering is dat Pamuk met zijn boeken geheel buiten de Turkse literaire traditie valt. Niet alleen zijn onarchaïsche stijl is anders dan die van zijn generatiegenoten, maar ook zijn thematiek, zijn grootstedelijke hoofdpersonages, de fantastische vorm waarin hij zijn verhalen giet, zijn stellingname tegen het hedendaagse Turkije en zijn waardering voor het in de moderne Turkse geschiedenis weggemoffelde Ottomaanse Rijk.

Eigenlijk is Pamuk een westerse schrijver, wiens boeken met een kruidige Turkse saus zijn overgoten. Als je een blik in zijn bibliotheek werpt, begrijp je meteen waardoor dat komt. De antieke boekenkasten met glazen deuren herbergen namelijk de hele westerse literaire canon. Een deel van die bibliotheek heeft hij van zijn ouders geërfd – zijn francofiele vader vertaalde Paul Valéry in het Turks en bezat iedere titel uit de catalogus van de Parijse uitgever Gallimard. Maar hij moet ook zelf veel hebben verzameld, uit liefde voor een wereld waarin hij al sinds zijn geboorte met één been staat.

Genen

Ongetwijfeld bezit Pamuk de verzamelde werken van Marcel Proust, Franz Kafka, James Joyce en Thomas Mann, schrijvers met wie hij door zijn westerse bewonderaars vaak wordt vergeleken. Ten onrechte, omdat zij anders dan hij meesters van de karakterisering zijn en hij er zelf bewust voor kiest geen psychologische romans te schrijven. Nee, Pamuk is in de eerste plaats een verteller, een soort moderne Sheherazade met Faulkneriaanse genen, bij wie het verhaal het wint van de diepgang van zijn personages.

Echt op zijn gemak voelt Pamuk zich bij zijn postmoderne helden Jorge Luis Borges, Gabriel Garcia Marquez en Italo Calvino, die het fantastische beschrijven en aldoor met de werkelijkheid op de loop gaan. Vooral Borges heeft zijn werk beïnvloed. Kijk maar naar de voortdurend terugkerende Borgesiaanse thema's als de roman in de roman, de zo nu en dan opduikende dubbelganger, de subtiele vermenging van droom en werkelijkheid. Je komt ze in Pamuks romans voortdurend tegen.

Behalve die bibliotheek staat ook de Bosporus symbool voor Pamuks denken. Vanachter zijn bureau in zijn studeerkamer in het moderne, westelijk deel van Istanbul heeft hij een sultanesk uitzicht over deze natuurlijke grens tussen Europa en Azië. Gezeten in zijn stoel kijkt hij uit over de alsmaar verder radicaliserende minarettenwereld aan de overkant van het water, waar hij zich een vreemde voelt. Vanuit diezelfde positie heeft die zeeëngte hem gevoelig gemaakt voor de rijke geschiedenis van het Ottomaanse Rijk. Hij is de eenzame veerman tussen het Turkse heden en verleden, wiens romans humanistische ontmoetingsplaatsen zijn tussen oost en west.

Het meest voelt hij zich thuis in zijn studeerkamer. Hij brengt er het grootste deel van zijn bestaan door. Van tien uur 's ochtends tot zeven uur 's avonds zit hij er onafgebroken te schrijven. Jaarlijks levert het hem zo'n honderdvijftig à honderdzestig pagina's voor een nieuwe roman op.

Op twee langere verblijfsperiodes in de Verenigde Staten na is Pamuk eigenlijk nooit zijn wijk uitgeweest. Ook die honkvastheid wordt hem door zijn Turkse critici aangewreven. Hij zou geen levenservaring hebben en zich voor zijn romans alleen maar baseren op andermans boeken. Zelf zal Pamuk die `tekortkomingen' niet ontkennen, al zit hij er niet mee. Hij is er eerder trots op dat hij zijn romans schrijft op grond van zelfreflectie en zijn eigen gedachten, waarvoor een reis door zijn kamer en zijn hoofd voldoet.

Ohran Pamuk werd in 1952 geboren in een westers georiënteerde, schatrijke bourgeoisfamilie uit Istanbul. Zijn beide grootvaders waren ingenieurs die in het Turkije van Kemal Atatürk met de aanleg van spoorlijnen zo'n groot fortuin hadden vergaard dat hun kleinzoon Orhan er ondanks zijn spilzieke vader zorgeloos van kan leven. Aanvankelijk wilde hij schilder worden, maar op een zeker moment verruilde hij die ambitie voor de journalistiek en vervolgens voor de literatuur. In 1979 debuteerde hij met de vuistdikke roman Cevdet Bey en zoon, een Buddenbrooks-achtige familiesaga over een Istanbulse koopmansfamilie. Acht jaar lang leurde hij met het manuscript voordat iemand het wilde uitgeven. Er zouden maar zo'n tweeduizend exemplaren van worden verkocht.

Tegenwoordig wil Pamuk zijn eersteling niet laten vertalen omdat het te veel afwijkt van de rest van zijn oeuvre. Daarmee lijkt hij te willen zeggen dat zijn eigenlijke debuut zijn tweede roman is: Het huis van de stilte (1982). Ook dit boek is een soort familieroman, waarbij het verhaal afwisselend wordt verteld vanuit het ik-perspectief van een van de hoofdpersonen. Zo is er een grootmoeder die haar leven aan zich voorbij laat gaan. Ze denkt onder meer terug aan haar man, die in de nadagen van het Ottomaanse Rijk als een Turkse Diderot een universele encyclopedie wilde schrijven waarmee de kloof tussen het moderne westen en het achterlijke oosten moest worden overbrugd. Al Pamuks opvattingen komen in Het huis van de stilte bijeen. De conflicten tussen de conservatieve en de moderne Turkse samenleving, tussen oost en west, de verheerlijking van het Ottomaanse rijk, de schijndemocratie van de Turkse republiek.

Met de publicatie van de historische roman De witte vesting (1985), die zich afspeelt in het zeventiende-eeuwse Ottomaanse Rijk, is Pamuks reputatie gevestigd. De New York Times noemt hem een nieuwe ster aan het literaire firmament en roemt zijn originaliteit en intelligentie. De roman begint vrij traditioneel en verhaalt over een Venetiaanse student die, als het schip waarop hij vaart door Turkse zeerovers is gekaapt, als slaaf naar Istanbul wordt gevoerd. Daar komt hij, dankzij zijn kennis van onder meer de geneeskunde, in dienst van een adviseur van de sultan op wie hij sprekend lijkt. Pamuk gebruikt het dubbelgangermotief om de identiteit van de slaaf en zijn meester te laten samenvloeien. Aan het eind van de roman komt dit gegeven tot een hoogtepunt als de slaaf en de machthebber van rol wisselen en je niet meer weet wie wie is. Hiermee lijkt Pamuk het bestaan van het individu te willen ontkennen en bagatelliseren. De meeste mensen denken tenslotte hetzelfde over liefde en dood.

Bij zijn volgende twee romans, Het zwarte boek (1990) en Het nieuwe leven (1994) nemen de internationale lofzangen alleen maar toe. Het regent nu zelfs vergelijkingen met Joyce, Proust, Thomas Mann, Italo Svevo en Borges – grootheden uit de wereldliteratuur die in hun eigen tijd aanvankelijk vaak lang niet alle lof kregen toegezwaaid die ze verdienden. De beide romans zijn raamvertellingen over de invloed die het schrijven van een boek op iemands leven kan hebben.

Verzoening

Ondanks zijn afgezonderde bestaan in zijn huis aan de Bosporus is Pamuk een kosmopolitische schrijver met respect voor de verworvenheden van alle culturen. Hij is een Erasmus van deze tijd die oproept tot wederzijds begrip. Na de aanslagen op het WTC-gebouw in New York in 2001 pleitte hij in een artikel in de New York Times Review of Books voor verzoening tussen de oosterse en de westerse wereld en tot verdieping in elkaars culturen. Ook onderstreepte hij hoe kunstmatig de huidige spanningen tussen de islam en de christelijke beschaving zijn en riep hij op tot het vestigen van democratie in de Arabische staten.

In zijn laatste twee romans, Ik heet Karmozijn (1998) en Sneeuw (2003), richt Pamuk zich helemaal op het conflict tussen het moderne Turkije en de radicale islam, tussen het accepteren van invloeden van buiten (het westen) of het behouden van de dingen zoals die al honderden jaren zijn. In Ik heet Karmozijn trapt Pamuk bij het beschrijven van de vernieuwingsdrang onder zestiende-eeuwse miniaturenschilders in de val van het anachronisme, omdat het loslaten van bestaande waarheden typisch iets is van de negentiende eeuw. Maar ook dat lijkt hij bewust te doen, ten gunste van zijn verhaal en zijn betoog, waarin zelfs een schilderij als verteller optreedt.

Als je iets van Pamuks invloed op de Turkse literatuur kunt zeggen is het dat hij die als geen ander heeft vernieuwd. Zijn boeken zijn vergeleken met uitvoerig geconstrueerde gebouwen waarin alle samenstellende delen van elkaar afhankelijk zijn. Iedere steen, iedere steunbalk heeft een functie. Dat geldt ook voor Pamuks zinnen, ze steunen en spiegelen elkaar. Aldus bevinden zich onder de stroom van zijn verhalen duizenden onderstromen die evenzoveel geheimen in zich bewaren.

Genoeg argumenten dus voor de toekenning van het hoogste literaire eerbetoon. Voor het Nobelcomité, dat niet zelden een politieke daad wil stellen, zou Pamuks kritische opstelling tegenover het hedendaagse Turkije ook nog eens een rol kunnen spelen bij zijn uitverkiezing. Zo heeft hij zich altijd fel tegen het Turkse nationalisme gekeerd, stelt hij in het sprookjesachtige Sneeuw de oppermachtige rol van het leger binnen de Turkse samenleving aan de kaak, verdedigt hij de Koerden en roept hij op tot het respecteren van de mensenrechten. Zijn felle kritiek op de tekortkomingen van de Turkse democratie zouden hem volgens sommigen allang in de Turkse gevangenis hebben gebracht, als hij niet in twintig talen was vertaald en door het westen zo werd geprezen. Want volgens Orhan Pamuk mag Turkije geografisch dan bij Europa horen, politiek is het er nog altijd een beetje Azië. Zijn romans zijn er het fascinerende bewijs van.

De romans van Orhan Pamuk zijn in Nederlandse vertaling verschenen bij De Arbeiderspers.

Eerdere afleveringen en volledige lijst Nobelprijswinnaars via www.nrc.nl

    • Michel Krielaars