Hijzelf was de hele partij

De Communistische Partij Nederland had tientallen jaren een innige en diep gevoelde band met Moskou. Maar toen de Russische kameraden Stalin gingen hekelen, sloeg de verwarring toe. Dat blijkt uit een nieuwe studie die het van de details moet hebben.

`Lang leve in gezondheid en geluk, tot heil van de gehele mensheid, onze grote en geliefde leraar en leider, kameraad Stalin.' In oktober 1952 sprak Paul de Groot, secretaris van de Communistische Partij van Nederland (CPN), deze wens in Moskou uit op het negentiende congres van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie (CPSU). Van het communisme is vijftien jaar na de val van de Berlijnse Muur weinig meer over, afgezien van Noord-Korea en Cuba. De Sovjet-Unie en haar Oost-Europese satellietstaten zijn verdwenen; de Volksrepubliek China is slechts nog in naam communistisch. Het is aan het begin van de 21ste eeuw niet meer goed voor te stellen, maar de redevoering van De Groot brengt de diepgevoelde, onvoorwaardelijke verbondenheid tot uitdrukking die Nederlandse communisten een halve eeuw geleden voelden met Stalin en de Sovjet-Unie.

Sinds de jaren twintig identificeerde de CPN zich volledig met Moskou. Deze band ging veel verder dan uitsluitend ideologische verwantschap; voor vele partijleden had hij een sterk emotionele lading. Kritiek op de Sovjet-Unie – het politieke vaderland waar onder aanvoering van Stalin de socialistische droom werd verwezenlijkt – beschouwden zij als een persoonlijke aanval. De tegenwerking van de overheid en het maatschappelijke en politieke isolement waarin de CPN ten tijde van de Koude Oorlog in Nederland verkeerde, kon worden getrotseerd in het besef dat de partij niet alleen stond, maar deelgenoot was van de internationale communistische beweging waartoe een kwart van de wereldbevolking behoorde en die bovendien de geschiedenis aan haar zijde wist. Uiteindelijk zou het communisme overal zegevieren.

Failliet

Niet lang na de speech van De Groot zou deze vitale relatie van de CPN met Moskou zwaar op de proef worden gesteld. In 1956 hield Chroesjtsjov zijn befaamde geheime rede op het twintigste congres van de CPSU, waarin hij de persoonsverheerlijking van zijn voorganger Stalin hekelde en de misdaden onthulde die deze zou hebben begaan tegen partijgenoten. De zogeheten `destalinisatie' deed het internationale communisme op zijn grondvesten schudden. In Polen kwamen arbeiders in opstand en Hongarije dreigde zich los te maken van het Warschaupact, wat door Moskou met geweld werd verijdeld.

Daarnaast leidde het demasqué van Stalin tot onmin met de Chinese communisten, die daarvan niets moesten hebben. Hun leider, Mao Zedong, veroordeelde ook het door Chroesjtsjov geïntroduceerde leerstuk van de vreedzame coëxistentie van het kapitalistische en communistische stelsel. Mao toonde zich zo oorlogszuchtig dat de Sovjet-Unie haar steun bij de ontwikkeling van een Chinese atoombom staakte. De meningsverschillen leidden in 1963 tot een breuk tussen Peking en Moskou. Het failliet van het officieel beleden `proletarisch internationalisme' vormde een nieuwe slag voor de communistische wereldbeweging; in tegenstelling tot wat de marxistisch-leninistische theorie leerde, konden communistische staten wel degelijk tegengestelde belangen hebben.

De gevolgen van de verguizing van Stalin en de mede hieruit voortvloeiende desintegratie van het wereldcommunisme voor de CPN, zijn uitvoerig uit de doeken gedaan door de historicus Arthur Stam in De CPN en haar buitenlandse kameraden. In zijn beschrijving draait alles om De Groot, die van 1938 tot 1977 in de CPN de teugels strak in handen had. In dit opzicht sluit Stams boek aan bij enkele eerdere studies die de afgelopen tien jaar aan het Nederlandse communisme zijn gewijd en waarin De Groot ook centraal staat. Zijn leven is zo verweven met de historie van de CPN dat de partijgeschiedenis die Ger Verrips over de periode 1938-1991 heeft geschreven (Dwars, duivels en dromend, 1995) kan worden gelezen als een biografie van de partijleider, en andersom, de levensbeschrijving van De Groot door Jan Willem Stutje (De man die de weg wees, 2000) tevens een kroniek van de CPN is.

Dat persoon en partij in de historiografie van de CPN zo samenvallen, is bepaald niet toevallig gezien de almachtige positie die de leider in een communistische partij innam – een van de wezenstrekken van het stalinisme. Als een kleine Stalin maakte De Groot in de CPN de dienst uit. Zijn tegenstanders poogden tevergeefs Chroesjtsjovs kritiek op Stalin op de CPN-leider toe te passen. De Groot had echter onmiddellijk de potentiële consequenties van destalinisatie voor zijn eigen machtspositie ingezien. Van meet af aan trachtte hij die dan ook te reduceren tot een interne Sovjet-aangelegenheid. Daarmee distantieerde hij zich wel, eigenlijk voor het eerst, van de Sovjet-Unie – zij het nog heimelijk. Zeven jaar later, na de openlijke tweespalt tussen Peking en Moskou, nam hij publiekelijk afstand. De CPN verklaarde zich `autonoom' en verbrak de banden met Moskou. De partij bezocht nauwelijks nog internationale bijeenkomsten, zag in 1967 zelfs af van de viering van de vijftigste verjaardag van de Russische Oktoberrevolutie, en veroordeelde een jaar later de inval van Warschaupact-troepen in Tsjechoslowakije.

Echec

Slechts weinig andere communistische partijen stelden zich zoals de CPN neutraal op. Deze stellingname ligt in het verlengde van de afkeer van De Groot van de destalinisatie, zo constateert Stam terecht. Daarnaast wilde de partijleider de speciale, uit de koloniale tijd stammende verstandhouding tussen de CPN en haar Indonesische zusterpartij – die zich achter Mao had geschaard – niet in de waagschaal stellen. Stam volgt hiermee de analyse van de eerder genoemde Verrips en Stutje, aan wie hij overigens in meer opzichten schatplichtig is. Hij put uitgebreid uit de notulen van het partijbestuur en artikelen uit de CPN-pers. Zijn studie, die ontsierd wordt door vele spelfouten, biedt daardoor veel details maar weinig nieuwe inzichten.

De destalinisatie en het `Sino-Sovjet' conflict deden enorm afbreuk aan het beeld dat het wereldcommunisme van zichzelf wenste te geven. Deze monolitische, gedisciplineerde en zelfbewuste beweging die de toekomst claimde, had zichzelf gecompromitteerd en bleek verdeeld. Het was dan ook geen wonder dat de verwarring onder de achterban groot was. Bij de dood van Stalin, in maart 1953, waren de loftuitingen aan zijn adres niet van de lucht geweest in de vele rouwadvertenties van gewone partijleden in De Waarheid. Dat de `held en herder' drie jaar later ineens in Moskou als een misdadiger werd afgeschilderd, had een groot demoraliserend effect op de CPN-aanhang. De `autonomie' betekende een einde aan de vakantiereizen van partijfunctionarissen naar Oost-Europa en aan de bezoeken aan cocktailparties van socialistische ambassades in Den Haag.

Op de gemoedstoestand van de achterban gaat Stam nauwelijks in; hij beperkt zich vooral tot de partijtop. Ook de belangwekkende vraag hoe de CPN zichzelf heeft kunnen overleven zonder de identiteitsbepalende relatie met de Sovjet-Unie, laat Stam onbeantwoord. Waarschijnlijk heeft de détente hier een rol in gespeeld. In combinatie met haar autonome opstelling maakte de internationale ontspanning een einde aan het isolement van de CPN. De maatschappelijke en politieke vijandigheid, die mede de behoefte aan identificatie met Moskou had versterkt, nam in de loop van de jaren zestig behoorlijk af. De CPN werd salonfähig, en kon rond 1970 vele studenten als lid verwelkomen. Dat die jonge generatie weinig met de Sovjet-Unie ophad, bleek na de zware verkiezingsnederlaag van 1977. Velen schreven het electorale echec toe aan het feit dat De Groot voor de verkiezingen geheel onverwacht de banden met Moskou weer had aangehaald. De bejaarde partijleider werd aan de kant gezet. In de `gedestaliniseerde' en `vernieuwde' CPN die in de jaren tachtig vorm kreeg, was geen plaats meer voor de Sovjet-Unie en het `reëel bestaande socialisme' – in plaats daarvan werden `tegenstanders' als Charta '77 en Solidariteit omarmd. Toen de CPN ook nog het leninisme overboord zette, was zij alleen nog maar in naam communistisch. De laatste logische stap was het opgaan in GroenLinks. In juni 1991 hief de CPN zich op – een paar maanden voordat de communistische wereldbeweging met de Sovjet-Unie ten onder ging.

Arthur Stam: De CPN en haar buitenlandse kameraden. Proletarisch internationalisme in Nederland. Aspekt, 477 blz. €35,–

    • Gerrit Voerman