Het leger moest het werk doen

In een aflevering uit 1903 van de Militaire Spectator hekelde een legerkapitein genaamd Buys de `strenge aanpak' van twee schildwachten die tijdens een staking bij de Rotterdamse scheepswerf Feijenoord een arbeider doodschoten. De betrokken militairen hadden `onder moeilijke omstandigheden' hun plicht getoond. Zij waren in voorarrest genomen, maar konden toch `onmogelijk gelijk worden gesteld met iemand die van doodslag werd verdacht', brieste de verontwaardigde officier. Het is de enige keer dat in Ronald van der Wals geschiedschrijving van de militaire rol bij handhaving van de openbare orde gewag wordt gemaakt van maatregelen tegen soldaten die dodelijk geweld toepasten. Van dit soort incidenten zijn er in de beschreven periode, 1840 tot 1920 tientallen, zo niet honderden geweest.

Een rode draad in dit boek is dat militairen door hun opleiding, instelling en uitrusting ongeschikt zijn voor het verrichten van politietaken. Dat gebeurde tot en met de Eerste Wereldoorlog op grote schaal. Na de Belgische opstand hadden leger en marine in Nederland (Indië is een ander verhaal) weinig anders te doen dan in dienst van de gevestigde orde de strijd aan te binden met paupers en proletariërs bij kermisrellen en arbeidsconflicten. Er was blijkens het onderzoek van Van der Wal sprake van een volledig gemilitariseerde ordehandhaving.

Karabijnbrigade

De politie stelde weinig voor. Het is een bijna idyllisch gegeven, dat bijvoorbeeld in Den Haag in 1840 met 60.000 inwoners de politiemacht uit vijftien agenten bestond. Groningen had er negen, plattelandsgemeenten beschikten (niet altijd) over één veldwachter. Het volkse gespuis dat de Haarlemmermeer drooglegde of het Noordhollands Kanaal groef, werd standaard door de cavalerie in bedwang gehouden.

Centraal in dit proefschrift de auteur promoveerde erop aan de Universiteit Utrecht – staan de slepende conflicten tussen het burgerlijk gezag en de militaire leiding. De militaire commandanten waren wettelijk verplicht in te gaan op verzoeken tot bijstand. Voor het plaatselijk bestuur was de vaak onberaden inzet van militairen voornamelijk goedkoop.

In detail beschrijft Van der Wal de vele pogingen om tot een reorganisatie van de politie te komen: uitbreiding van de marechaussee die aanvankelijk alleen aan de grenzen actief was, vorming van de rijkspolitie in de jaren vijftig van de negentiende eeuw, de militarisering en professionalisering van de gemeentepolitie in de jaren tachtig: invoering van karabijnbrigades, inzet van `stillen' en politiehonden.

Achter de institutionele geschiedschrijving wordt ook een onthutsend beeld van een aspect van de sociale geschiedenis zichtbaar. De veronderstelling dat de klassenstrijd in Nederland zoveel gematigder en vreedzamer verliep dan elders (Karl Marx voorzag voor Nederland een geweldloos einde van het kapitalisme) verdient bijstelling. Het was, ook in Nederland, klassenoorlog.

Bij voedseloproeren werd grof geweld gebruikt. Zo vielen in 1847 acht doden bij voedselrellen. Het Palingoproer van 1886 in Amsterdam leidde tot grootscheepse veldslagen (26 doden), huzaren braken havenstakingen in Rotterdam, het leger nam bij arbeidsonrust in de veenderijen in het noorden de veengebieden compleet over, in de Twentse textielstreek was het oorlog. Verbazingwekkend is dat koning Willem III zelfs eens de marine opdracht gaf Schiedam onder vuur te nemen (wat op het nippertje niet doorging).

Voedselrellen

De opkomst van de socialistische beweging joeg de burgerij de stuipen op het lijf. Domela Nieuwenhuis legde in 1883 uit wat er bij een revolutie moest gebeuren: dynamiet nemen, kazernes doen ontploffen. De socalisten deden een beroep op de militairen tot verbroedering met de arbeiders, in het bijzonder na de invoering van de algemene dienstplicht. In de steden zette men dan ook bij voorkeur boerenjongens uit Drenthe en Limburg in, die vreemd stonden tegenover het stadsleven en de arbeidersbevolking

Begin twintigstigste eeuw nam het leger meer afstand van de politietaak. Militairen mochten alleen worden ingezet in noodgevallen, dat wil zeggen voor toepassing van wapengeweld. Dat bleef zich met grote regelmaat voordoen. Het kabinet-Kuyper begon bovendien met het inzetten van militairen om stakers te vervangen. Bij de spoorwegstaking van 1903 mobiliseerde het extra lichtingen. Van der Wal beschrijft de verovering van het oproerige Kattenburg in Amsterdam bij een bootwerkersstaking als een stadsoorlog, waarbij geen enkel middel van geweld, zelfs zware mitrailleurs, werd geschuwd. Ook na de demilitarisering van de ordehandhaving werd het leger nog herhaaldelijk te hulp geroepen, vooral tijdens de voedselrellen aan het eind van de Eerste Wereldoorlog en in de `revolutiedagen' van 1918. Een jaar daarna werd het Korps Politietroepen gevormd dat speciaal voor politietaken was opgeleid en de bijstandstaak tot 1940 vervulde.

Van der Wal doet van deze ontwikkelingen helder en analytisch verslag. Het enige gemis is dat hij het begrip openbare orde als zodanig nergens ter discussie stelt. Wel wijst hij erop dat de gedepriveerde massa geen politieke rechten had en zodra zij zich roerde als vanzelfsprekend tegemoet werd getreden met gevelde bajonetten. Maar hij schrijft soms ook dat militairen gedwongen waren geweld te gebruiken of moesten vuren op de menigte als niet duidelijk is of dit uit lijfsbehoud gebeurde.

Ronald van der Wal: Of geweld zal worden gebruikt! Militaire bijstand bij de handhaving en het herstel van de openbare orde 1840-1920. Verloren, 352 blz. €27,–

    • Gijs Schreuders