Geef de horizon een hand

K. Michel heeft meer lezers dan een dichter zich durft te dromen. Oppervlakte en diepte vallen ook in zijn nieuwe bundel mooi samen, in haast journalistieke formuleringen, die onverhoeds de emoties raken.

Wat maakt deze verzenmaker zo bijzonder? Is het zijn beheerste lichtvoetigheid, de luchtige manier waarop hij in gewone mensentaal dichterlijk vorm geeft aan wat in zijn blikveld, dromen of gedachten komt? Zijn onderwerpen variëren van alledaagse impressies tot wetenschappelijke diepzinnigheden, en niet zelden brengt hij die samen in één gedicht. `Speels' lijkt het eerste devies van zijn poëzie. Hoewel hij als filosoof geschoold is, verkiest hij associatie boven logica. De ratio is ook niet het instrument van een dichter. Hij citeerde zelf in dit verband ooit de kwinkslag van een Amsterdamse tramconducteur: `Denken? Denken moet je overlaten aan een paard want die hep een grotere harses.'

Vorige week verscheen de langverwachte nieuwe bundel Kleur de schaduwen van K. Michel (Tilburg, 1958). Lang verwacht omdat hij zich met zijn vorige bundel Waterstudies, vijf jaar geleden, definitief op de kaart zette. Die bundel kreeg zowel de Jan Campertprijs als de VSB Poëzieprijs 2000. Maar niet alleen juryleden en collega-dichters waren van Michels werk gecharmeerd; het vond ook lezers – meer zelfs dan een dichter zich durft dromen. Inmiddels verscheen de vijfde druk van Waterstudies.

Waar komt deze dichter vandaan? Van 1982 tot 1985 gaf hij samen met Arjen Duinker AapNootMies uit. Tienmaal per jaar schreven beide redacteuren deze literaire circulaire vol met eigen gedichten, proza en vertalingen. De oplage was tweehonderd exemplaren. Er zijn nauwelijks exemplaren terug te vinden. Gemakshalve wordt Michels bijdrage van twee gedichten aan Maximaal dan ook als zijn literaire debuut beschouwd. In deze poëziebloemlezing rebelleerden elf jonge dichters in 1988 tegen de heersende dichtersgeneratie, die zich volgens het voorwoord van Arthur Lava had toegelegd op het figuurzagen van stillevens. Lava en zijn bentgenoten hadden `de voortreffelijke pretentie de ramen van het rusthuis dicht te spijkeren en de muze de straat op te jagen, waar zij met een vitaal crescendo haar achterstallige schuld aan de wereld zal inlossen'.

Maximaal bracht proeven van het dichtwerk van onder anderen Pieter Boskma, René Huigen, Tom Lanoye, K. Michel, Frank Starik en Joost Zwagerman. Elk van dit zestal laat nog regelmatig van zich horen, maar vooral Boskma en Michel hebben het vitaal crescendo dat de bloemlezing beloofde verder uitgedragen. Michel in een wat trager tempo en minder massaal dan Boskma, maar gestaag en met een constante, intrigerende kwaliteit. Sinds 1989 kwam hij eens per vijf jaar met een bundel.

De minst Maximale van Lava's dichterkring blijkt de meest authentieke verzenmaker. Die belofte droeg hij al in zich bij zijn eerste bundel, Ja! naakt als de stenen uit 1989. Die bundel toont alle beginselen van Michels poëtica. De dichter verbaast zich over gewone, alledaagse dingen en doet daarvan verslag in een taal die terloops uit de werkelijkheid lijkt geknipt. Er is aldoor een filosofische ondertoon: niet de gedachten maar de beelden bepalen de voortgang in het gedicht. `Water' is al een belangrijk thema in Ja! naakt als de stenen, maar voor het overige waaiert de blik nog alle kanten op. Er is ook nog geen eenheid van toon, vorm en idioom, maar het is poëzie die verwachtingen wekt.

Intussen maakte de dichter in Tingeling (1989) – in 1992 uitgebreid tot Tingeling & Totus – een kort uitstapje naar het proza. Net als in zijn poëzie is ook hier verwondering de drijfveer, dat wil zeggen: in de Tingeling-verhalen. In de Totus-verhalen heerst verbijstering. Robert Anker omschreef dit proza treffend als `licht als een neerdwarrelende veer, maar die veer komt wel van een heel grote vogel die blijkbaar net voorbijgevlogen is'.

Vanaf Boem de nacht (bekroond met de Herman Gorterprijs in 1995) komt er rust in de opmaak en het taalgebruik van Michels poëzie. Niettemin blijft het blikveld nog steeds panoramisch. Kleine alledaagse gebeurtenissen, opgevangen gespreksflarden, een foto, faits divers uit dag- en weekbladen, maar ook opmerkelijke passages uit literaire en filosofische werken zijn bronnen voor zijn poëzie. Veel van dit materiaal lijkt door het toeval aangedragen, maar zelf relativeert K. Michel die gedachte. In een interview in de Poëziekrant (november 2000) zegt hij dat hij zich wel laat leiden door het toeval, maar uiteindelijk zelf beslist of een gedicht gelukt is. `Er worden,' stelt hij, `geen door toeval geciteerde producten afgeleverd. Ik ben niet van de aleatorische kunst. Ik ben de baas.'

Dat de dichter niettemin een gulzig oog heeft voor de grillen van het toeval, toont `De meeuw van Treytel' in Boem de nacht. Dit gedicht biedt een aaneenschakeling van bizarre samenhangen. Het begint met een artistieke spreeuw:

Door het open raam vliegt een spreeuw

het atelier van Hans Broek binnen

en kakt onderweg op het schilderij

in het blauwe vlak linksboven

`Klaar' bromt de schilder

Dan volgen nog vijf andere absurditeiten, waarna de dichter zijn conclusie trekt:

Naarmate mijn leven zich ontrolt

en ontbindt in steeds grilliger patronen

ontvang ik dit soort signalen des te

gretiger; souvenirs van een vergane

samenhang; de suggestie dat om de hoek

het geluk wacht op een botsing

Complexe processen: als ik op blote

voeten over de tegels naar het balkon

loop, begint mijn neus te niezen

Dit lijkt mij een sleutelgedicht voor het oeuvre van K. Michel. Het materiaal komt uit schijnbaar onverwachte hoeken, oogt puur anekdotisch, mist samenhang maar krijgt die gaandeweg in het vers. De dichter doet zowaar een poging tot synthese, maar dan blijken zulke `souvenirs van een vergane samenhang' complex, omdat ze niet alleen om de hoek te liggen, maar ook nadrukkelijk aanwezig zijn in de eigen omgeving.

Oppervlakte en diepte vallen samen in de gedichten van K. Michel. Het onderwerp en het betoog zijn soms flinterdun, maar elk vers etaleert eigenzinnige overwegingen die, dankzij een droge, haast journalistieke formulering, transparant en dus universeel overkomen – en soms ook onverhoeds de emotie raken. In Mooi, maar dat is het woord niet karakteriseerde Rutger Kopland in 1998 de sfeer van Michels gedichten als `een soort weemoedige hilariteit'. Hij raakte ontroerd door `In het vijfde element' uit Boem de nacht. Die ontroering omschreef hij als `een vreemd weten: het is onzin en het is het niet. Een eigenaardig gevoel ,,alles te begrijpen'' en tegelijk weten dat dit gevoel intens maar vluchtig is, niet meer is dan een flits, dat je het niet vast kunt houden, dat het je even bevangt, maar even snel weer zal loslaten. En vreemd is ook dat weemoedige weten: dit gevoel hoeft ook niet te blijven, het mag wel voorbijgaan.'

Kopland plaatste Michel als dichter in de traditie van de patafysica. Deze door de Franse schrijver Alfred Jarry ontwikkelde `wetenschap' probeert, anders dan de fysica en de metafysica, menselijke ervaringen niet wetmatig, voorspelbaar, herhaalbaar en verklaarbaar te maken. De patafysica laat het uitzonderlijke, eenmalige, onherhaalbare intact. De patafysica spot met het denken en bedenkt denkbeeldige oplossingen.

Koplands theorie lijkt een toepasselijke plaatsbepaling van Michels poëtica, maar poëzie is geen systeemgebonden bezigheid zoals wetenschap. Hoe doet ie dat? is een terechte vraag bij zulke intrigerende gedichten als die van Michel. Die vraag werd in de jaren zeventig ook bij het werk van Hans Faverey gesteld. Er moest wel een systeem achter zitten, en kennis van dat systeem zou inzicht bieden in Faverey's tartende dwaaltuin. Maar er was geen systeem. Niet de logica, maar de verbeelding is immers het drijfwerk van dichters. En bij Michel vindt die verbeelding haar voeding doorgaans in simpele verwondering, zoals deze in `Scheel protocol' uit de nieuwe bundel Kleur de schaduwen:

De verbazing toen ik een ezel

voor het eerst in het echt hoorde

balken; onleesbaar en niet ia

In zijn antwoord op Kopland verklaart Michel (ook in Mooi, maar dat is het woord niet) dat hij eerlijk gezegd geen fluit weet van de patafysica, maar zich wel kan herkennen in Koplands betoog. `De mentaliteit van mijn werk', stelt hij, `blijkt een onvermoede affiniteit te bezitten met een filosofie die ik niet ken.' Hij heeft wel een universitair diploma in de wijsbegeerte, maar beschouwt de vragen die Kopland aandraagt als te moeilijk voor zijn hoofd. Niettemin openbaart hij vervolgens een paar geleerde paradoxen die aan zijn werk ten grondslag liggen.

Een van die paradoxen is dat hij, hoewel hij bepaalde woorden ervaart als dingen die je in de handen kunt nemen en betasten, tegelijkertijd steun vindt in een theorie die een vraagteken plaatst bij de zelfstandigheid van het woord. In die theorie spreekt Umberto Eco niet over woorden, maar over tekens en eigenlijk, aldus Eco, kun je niet spreken van tekens maar alleen maar van `tekenmomenten'. Tekens zijn immers afhankelijk van hun context, het netwerk waarin ze functioneren. Michel geeft als voorbeeld het woord `vorst'. Dat kan zowel koude aanduiden als de heersende koning, afhankelijk van de andere woorden waarmee het een relatie aangaat.

Eco's semiotische theorie gaf Michel naar eigen zeggen `een groot gevoel van vrijheid, van armslag; de ruimte om te gaan stoeien met klanken en betekenissen zonder je meteen druk te maken over hun referentiële functie, dus zonder je (in eerste instantie) druk te maken over waar ze naar verwijzen. Dat maakt het mogelijk gedichten te schrijven waarin je de horizon een hand geeft en je wakker wordt in een asbak.'

Juist dat soort gedichten schrijft hij dan ook. Niet het weten, maar de verbeelding krijgt daarin vorm, en ook die vorm is geen vaststaand gegeven. Scheen de dichter in Waterstudies zijn anker gevonden te hebben, in Kleur de schaduwen zijn de trossen weer los. Alsof alles nieuw is, onderzoekt Michel in dertig gedichten de ons omringende werkelijkheid (of wat daarvoor door wil gaan), het spanningsveld tussen die werkelijkheid en verbeelding, en bovenal ook de relatie tussen mens en taal. En dat zelfs `mens' dan een relatief begrip mag zijn, toont het gedicht `In':

in het lopende buffet

dat dit ondermaanse is

zei de geleerde aap

is als zes seks

en negen zomerregen is

het allerbeste dat

een banaan kan overkomen

interpretatie

Kleur de schaduwen biedt meer van dit soort linguïstische exercities. `Uit de bomen afgedaald' is een ander voorbeeld, dat bovendien als tegenhanger van `In' gelezen kan worden. Is het toeval dat het ene gedicht op pagina 13 en het andere op pagina 31 staat? In `Uit de bomen afgedaald' is de wereld veranderd `van een lopend buffet / in een krakelend marktplein'. Nu tienduizenden jaren later zijn we dan ook eindelijk in staat `tuinmeubelkussenbewaartas' te zeggen en `zwevende rentevoet'.

Een zo bont vormgegeven fascinatie is voor mij even aansprekelijk als aanstekelijk. Michels poëzie is vooral ook een uitnodiging tot beter, verwonderend kijken, naar wereld en taal. Dit geldt zeker voor de langere verzen, waarin hij het gekozen uitgangspunt tot het uiterste voert. In `Ook de vissen' is dat uitgangspunt een moment van verbeelding:

Zou je de Haagse Hofvijver overeind zetten

rechtstandig als een majestueuze wand van water

om het licht de diepte te laten doorstralen

om de stad een doorzichtige spiegel te bieden

een oudgouden glans zou over de huizen strijken

en iemand roept als eerste `kijk' en wijst

toeterend komt het hele verkeer tot stilstand

abrupt worden alle vergaderingen opgeschort

en de straten vullen zich met ogen en geroezemoes

een vorstelijk banket, jagers in een herfstbos

zegels en paperassen, gesluierde naakte vrouwen

iedereen ziet in de vijverwand iets anders

maar allemaal blikken ze diep in de tijd terug

En eindelijk kunnen de hofvissen ook eens

over de schubbenhuid van de daken uitkijken

naar de glinsterende torens en ijspaleizen

de bomen bij de duinen, het gele strandzand

`kijk,' stoten de vissen elkaar aan, `dat zilvergrijze

dat schitterende schuimende, woelende weidse

dat zich daar uitstrekt tot aan de einder en verder

dat is nou de zee, ja dat daar is de zee'

Dit is grootse poëzie. De verbeelding slaat wel op hol, maar de dichter houdt de teugels strak in handen. Het is juist dit soort gedichten waarmee Michel zich aan iedere stroming of de gedachte daaraan onttrekt. `Ook de vissen' toont in zijn verbeeldingskracht misschien wel overeenkomsten met de poëzie van Arjen Duinker, maar Duinker kiest voor het lyrische en het theatrale effect, schrijft middelpuntvliedend, waar Michel juist de diepte zoekt. Anderszins is Michel niet zo'n denkende dichter als Martin Reints of Peter van Lier. Ze zijn wel verwant, maar Michel is ruimhartiger en speelser dan Reints, en absoluut nooit melig of vrijblijvend, zoals Van Lier soms is. Het lijkt erop dat Michel zich vooral door buitenlandse dichters heeft laten inspireren. Hij vertaalde gedichten van Octavio Paz en Michel Ondaatje, en in het interview in de Poëziekrant noemt hij zulke uiteenlopende dichters als William Carlos Williams, César Vallejo en Hans Magnus Enzensberger.

`Ik speel niet, ik zoek speling,' schreef Breyten Breytenbach in Een seizoen in het paradijs. Michel citeert hem met instemming in zijn stuk in Mooi, maar dat is het woord niet. Spel en speling. De woorden liggen dicht bijeen, maar soms blijft het bij spel, zoals wanneer Michel elf berichtjes uit de Leeuwarder Courant van het voorjaar 1999 op rij zet. `De eerste-ei-variaties' heet deze reeks, waarin telkens weer de vondst van een eerste kievitsei wordt verslagen. Het is een speelse opsomming, maar het is de vraag of elke lezer Michels fascinatie wil delen. Het materiaal is hier te kaal gepresenteerd om speling te bieden, om een uitweg te wijzen naar meer dan er staat. Waar Michel zelf aan het woord is, al dan niet met citaten strooiend, gebeurt dat wel. Op z'n best, en dat is niet bij uitzondering, biedt het vers dan ook aan de lezer een uitdaging tot verdere verkenning. Dat gebeurt bij voorbeeld in `Handpalmpapier':

a.

trek een lijn

en er loopt een horizon

trek nog een lijn

en er ligt een rivier

geen maan werpt schaduwen

geen grasland golft

geen wind draagt stemmen

in de lege velden

lichten twee

witte stipjes niet op

ademvlaggetjes

fladderen in de kou

niet voor je mond

b.

daar en hier staan ieder

op een oever van de rivier

hoe kom je aan de overkant

vraag ik wuivend roep jij

je bent al aan de overkant

c.

vul nu de namen in en kleur

de schaduwen en water

blauw komt de stroom op gang

Een tekening bepaalt hier de tekens. Of die tekening op papier verschijnt dan wel in de handpalm beklijft, laat het gedicht in het midden. Er is ook veel dat ontbreekt, want de tekst verkent niet alleen de verbeelding, maar ook het gebrek aan werkelijkheid daarvan. En toch: na toekenning van een kleur komt de stroom op gang.

In Kleur de schaduwen doet Michel wat de titel belooft. De woorden worden opgetild, betast en krijgen een tint die ze doet oplichten in hun door het vers bepaalde omgeving. Maar wat de lezer ziet, ziet hij door het oog van de dichter; want zelfs in citaten en `ready made's' is Michel nadrukkelijk zelf aanwezig. Doorgaans immers beperkt hij zich niet tot het isoleren van taalvondsten. Hij herformuleert waar hij dat nodig vindt, en hij combineert. `Sampling' lijkt voor hem een vertrouwde techniek. Niet alleen in gesprekscollages, zoals `Een vis die dorst', maar ook in verzen die suggereren dat ze op eigen herinnering stoelen, zoals `Groet':

Ik herinner me de plankenvloer

die kraakte, de eksters in de tuin

de ijsbloemen op het slaapkamerraam

dat je zei, in een vorig leven

was ik een aquarel, nee een witregel

dat het bizongras in de fles

zweefde als een zeepaardje

dat ik na het tellen tot honderd

ging zoeken, de laatste tree

miste in het donkere trappenhuis

dat de telefoonkaart vergeten

in de abri langs de weg bleef steken

dat in de hal van het vliegveld

de lucht plots massief werd

toen ik tegen een glazen wand op liep

Ja, het is reuze leuk om je te verstoppen

maar een ramp als je niet gevonden wordt

Zoals in `De meeuw van Treytel' wacht hier om de hoek het geluk op een botsing. Niets is zeker; zeker niet wat je je herinnert. En dan is er die laconiek verwoorde, maar ontregelende slotstrofe. Ook daarin is K. Michel een voorbeeldig dichter.

K. Michel: Kleur de schaduwen. Augustus, 55 blz. €16,50

    • Arie van den Berg