Fis-ovara parfumo

`Het feit dat je esperantist bent geldt bij romantische afspraakjes noch bij sollicitatiegesprekken als een warme aanbeveling', constateert Marc van Oostendorp droogjes in de inleiding van zijn boek Een wereldtaal. In de huidige wereld is het Esperanto hooguit een prettig anachronisme, een onschuldige hobby voor mensen die houden van rare talen en van internationaal corresponderen.

De bloeiperiode van deze `democratische wereldtaal' lag in de jaren twintig en dertig. In Den Haag alleen al zouden toen tussen de drie- en zesduizend mensen het Esperanto beheerst hebben. Van Oostendorp, die een blauwe maandag bijzonder hoogleraar Interlinguïstiek en Esperanto aan de Universiteit van Amsterdam is geweest, beschrijft de geschiedenis van de kunsttaal vooral aan de hand van biografieën: die van de bedenker natuurlijk, Lejzer Zamenhof (1859-1917), maar ook die van de vele Esperanto-activisten die de taal daarna verbreid hebben. Zij publiceerden hun levensverhaal vaak in het Esperanto en het is nu voor het eerst dat we al die verhalen in een natuurlijke taal tot ons kunnen nemen.

Het Esperanto was een taal van idealisten. In de geschiedenis van de Esperanto-beweging komen alle sociale en politieke bewegingen van de eerste helft van de twintigste eeuw voorbij: socialisten, communisten, anarchisten, vegetariërs. Een enkele nationaal-socialist, een vroege feministe. Een jonge, knappe pastoor die overal in Europa Esperanto-cursussen gaf en op foto's steevast wordt omringd door aantrekkelijke jonge vrouwen. Een man die over zichzelf het gerucht verspreidde dat hij om het leven was gekomen, om zo een nieuwe, a-nationale identiteit aan te kunnen nemen. En passant komt ook Willem Drees voorbij. Want de kunsttaal trok niet alleen avonturiers en zwevers aan, maar ook mensen die hielden van idealen met een grote praktische toepasbaarheid.

Zoals vaak het geval is bij idealistische bewegingen, lag het sektarisme voortdurend op de loer. Van Oostendorp schrijft: `In plaats van voortdurend vruchteloos te strijden tegen de ongeïnteresseerde buitenwereld vocht men liever tegen een tegenstander die misschien wél te overwinnen was: de andere esperantist.' Zo was er een tijdlang een felle ruzie over de betekenis van het voltooid deelwoord. Men kon het er niet over eens worden of in de zin `La pordo estas fermita' (de deur is dichtgemaakt) die deur nog steeds dicht was of daarna eventueel weer kon zijn geopend.

In het boeiendste hoofdstuk bespreekt Van Oostendorp een aantal uiteenlopende kunsttalen, zoals Umberto Eco tien jaar geleden ook al deed in Europa en de volmaakte taal. Waar Eco de zaak cultuurhistorisch en filosofisch benaderde, bekijkt Van Oostendorp de in elkaar geknutselde talen met de praktische blik van een taalkundige. De ideale universele taal moest gemakkelijk te leren zijn, maar ook mooi. Precies, maar ook wendbaar. Dat zijn tegenstrijdige eisen. Daarom is iedere kunsttaal voorbestemd om onvolmaakt te zijn: een compromis, dat aan alle eisen een beetje tegenmoet komt. Zoals natuurlijke talen in hun `onvolmaaktheid' ook altijd moeten schipperen tussen tegenstrijdige eisen.

De auteur bespreekt dit alles met een zekere afstand en gevoel voor humor. Als we hem mogen geloven heeft één eeuw Esperanto, behalve allerlei curieuze internationale contacten tussen de meest uiteenlopende lieden, ook een bovengemiddeld aantal goede erotische gedichten opgeleverd. Voor dat genre bleek de taal, met zijn besloten karakter en zijn voornamelijk Romaanse woordenschat, heel geschikt: `Dum inter viajn du femurojn, Kara, min ravas dolca, milde fis-ovara parfumo...' (Terwijl mijn hoofd tussen jouw dijen drukt, Liefje, raak ik verrukt van je zoete, zachte vissenkuitparfum...)

Marc van Oostendorp: Een wereldtaal. De geschiedenis van het Esperanto. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 216 blz. €17,50