Een voetnoot kon er niet meer van af

Wie leest er nog Menno ter Braak? Tot ver na de oorlog was hij het middelpunt van literaire discussies, maar kan hij ons nog echt raken? Een bloemlezer probeert de beroemde schrijver weer aan de man te brengen.

Hoe komt het dat een beroemde schrijver na verloop van tijd toch niet meer wordt gelezen? Menno ter Braak behandelde die vraag in een vergelijking tussen de negentiende-eeuwse tijdgenoten Conrad Busken Huet en Multatuli, in Het Vaderland op 1 mei 1936. Hij schrijft dat de twee veel gemeen hadden: scherpzinnigheid én een vijand, de `ongehoorde Nederlandse stumperachtigheid en zelfvoldaanheid'. Maar toch: de één verstofte in de bibliotheek, de ander werd nog volop gelezen en bediscussieerd.

Niet dat het publiek anno 1936 een hekel had aan Huet. Men is het, aldus Ter Braak, `over de verdiensten van Huet vaak zo roerend eens [...] dat hij er zelf waarschijnlijk van zou zijn geschrokken'. Het probleem was dat hij het Nederlandse volk niet meer kon raken: zijn `scherpe sarcasmen' waren niet langer ergernissen voor het Nederlandse volk, ze waren `speldenprikken' geworden. Voor Multatuli gold volgens Ter Braak het omgekeerde: die is `nog altijd een onopgelost probleem in de literatuur van dit land'.

Het prachtige, beknopte stuk over Busken Huet en Multatuli is opgenomen in De canon, een bloemlezing die de Ter Braak-biograaf Léon Hanssen samenstelde uit diens werk. Met de bundel, die een openingsessay en negenendertig `portretten' telt van Nederlandse cultuurdragers, is het werk van Ter Braak voor het eerst sinds 1992 (De draagbare Ter Braak) weer leverbaar. Want hoe aanwezig deze schrijver in de eerste decennia na zijn dood ook was in de Nederlandse letteren, dat lijkt nu voorbij. Ook hij krijgt, net als Busken Huet, algemene waardering, maar wordt nauwelijks meer gelezen. Volgens Hanssen ligt dat in dit geval aan de lezers: `Wij kunnen niet meer contextueel en metaforisch lezen'. Ter Braak wordt te letterlijk genomen en vervolgens niet begrepen.

Ondanks dat onvermogen van de lezers, heeft Hanssen zich met deze uitgave veel moeite getroost om Ter Braak, zoals hij het zegt `over de beruchte drempel van vijftig jaar heen te tillen'. De teksten zijn herspeld, de ouderwetse genitief `der' is geschrapt. Dat gaat ver, schrijft Hanssen in zijn nawoord, maar hij gaat nog een stuk verder: verwijzingen naar `de literaire actualiteit van de jaren dertig' zijn `consequent weggelaten' om ons een duwtje in de rug te geven. Wáár dat precies is gebeurd, geeft Hanssen niet aan, omdat zijn bundel `nadrukkelijk een leeseditie' is. Maar het maakt wel nieuwsgierig naar wát er precies is weggelaten. Buitenlandse citaten, vooral Duitse, weigert Hanssen voorts te vertalen. Dat is in de lopende tekst nog te billijken, maar een vertaling van een voetnoot was wel zo vriendelijk geweest.

Het meest eigenzinnig is Hanssen echter te werk gegaan in het samenstellen van de teksten. Zestien van de veertig stukken in De canon zijn samenvoegingen van (meestal twee) aparte artikelen. Hanssen verdedigt dat knippen en plakken door te zeggen dat Ter Braak zelf ook zo te werk ging, bijvoorbeeld bij het maken van In gesprek met de vorigen. Maar Léon Hanssen is geen Menno ter Braak, ook al uitte Kees Fens vorige week in De Volkskrant het vermoeden dat de terecht geprezen biograaf inmiddels haast denkt dat hij Ter Braak wél is. Een dergelijk vrijpostige tekstbezorging als die van Hanssen in De canon is volgens Fens alleen verklaarbaar `uit de vereenzelvigingsrol'.

Bronnen

Hoe dat ook zij, stukken tekst aan elkaar plakken zonder duidelijk te maken wat precies waar vandaan komt, is geen goede manier om het werk van een dode schrijver opnieuw uit te geven. Hanssen geeft weliswaar de herkomst van de oorspronkelijke teksten, maar waar de overgangen precies zitten, moet de lezer zelf maar raden. In het stuk over Carry van Bruggen zijn bijvoorbeeld zeven pagina's recensie en twee pagina's necrologie omgevormd tot een stuk van vijf pagina's. Wie de bronnen erbij zoekt (vooral het Verzameld werk) heeft een aardig tijdverdrijf en kan zijn scores vergelijken met andere speurneuzen – maar op een Menno-ter-Braak-puzzelboek zaten we niet te wachten.

Zijn die bezwaren ook belangrijk voor de lezer die Ter Braak niet kent maar wel nieuwsgierig is naar dit werk?

Bij veel van de samengestelde artikelen is dat helaas het geval. Het knippen en plakken leidt niet tot goede stukken. Als Ter Braak zijn grote bewondering voor de wisselvallige veelschrijver Couperus mooi heeft uiteengezet, maakt het stuk plotseling een `herstart' met: `Waarin bestond de grootheid van Couperus eigenlijk?'. Vervolgens wordt de hele argumentatie overgedaan. Vondel, op zijn beurt, moet het eerst in een vergelijking afleggen tegen Shakespeare en meteen daarna tegen Multatuli. Met stukken die halverwege een andere weg inslaan (logisch, omdat het eigenlijk twee verschillende stukken zijn) wordt Ter Braak niet toegankelijker. Kiezen was beter geweest dan delen.

Gelukkig is het niet allemaal kommer en kwel met deze bundel. En dat is deels óók het werk van de samensteller. De bundel begint met een (niet in het Verzameld werk opgenomen) opstel van Ter Braak over de Nederlandse cultuur als burgerlijke cultuur. Ter Braak zet daarin zijn dubbelzinnige houding tegenover die cultuur uiteen: `Uit burgerlijkheid weet de Nederlander zijn nuchterheid te bewaren tegenover de hees geschreeuwde retoren, die tegenwoordig in Europa van de publieke tribunes daveren: deugd. Uit burgerlijkheid zou hij het liefste willen dat alles bij het oude bleef en dat Hildebrands Camera Obscura voor eeuwig de maatstaven zou leveren voor de rustige rust van ons volksbestaan: ondeugd.'

Dat opstel is een goed vertrekpunt voor het lezen van de stukken over Reinaert de Vos, Hiëronymus Bosch, Erasmus, Coornhert en anderen, tot een met de jonge dichters uit Ter Braaks eigen tijd, Achterberg en Vasalis. Het geeft een mooie cultuurhistorische achtergrond bij veel van de portretten. Zo is de tegenstelling die hij in de persoon van Erasmus ontwaart zeer verwant aan de twee zijden van de Nederlandse cultuur. De humanist is `een illusionist van het oppervlakkig laagje beschaving', die naadloos past in de pedante, zelfgenoegzame kant van de Nederlandse burgerlijkheid. Hij ontwaart ook een `tegenmelodie', die precies aansluit bij de ondernemende kant van de Nederlandse cultuur. Ook voor Erasmus gold dat `het humanisme [...] een onderdak [was] voor sterke veroveringsinstincten'. Juist de veroveringsdrang beschouwt Ter Braak in het openingsessay als een voorname Nederlandse deugd.

In het tonen van zulke lijnen is Hanssen geslaagd. En uiteraard staan er in De canon voorbeeldige essays (over de schilders Saenredam, Bosch en Rembrandt bijvoorbeeld), die in een handvol pagina's duidelijk maken waar de reputatie van Ter Braak op stoelt: de scherp geformuleerde, korte analyse waarin het verlangen naar groots kunstenaarschap en de eigen redelijkheid elkaar steeds weer opzoeken en aftasten. Essays als verkenningen, letterlijk als pogingen.

Tot die categorie hoort ook het stuk over het duo Busken Huet en Multatuli, dat misschien ook een licht kan werpen op de vraag waarom Ter Braak zelf nog maar zo weinig wordt gelezen. Huet schreef onbevangen en prikkelend, maar bleef, schrijft Ter Braak, deel uitmaken van `die belangenwereld, waarvan hij de kleine ambities en onnozele stijlfiguren zo goed doorzag.' Multatuli (een `dolleman' van nature) plaatste zichzelf buiten zijn tijd. Dat heeft alles te maken met het verschil tussen het talent en het genie. `Het talent is van dichtbij gezien veel volkomener dan het genie, maar het mist precies het absolute, waardoor het genie zich voortplant in de ruimte'.

Genialiteit

De literaire teksten van Ter Braak hebben zich enkele tientallen jaren voortgeplant in die ruimte, maar inmiddels lijken de literaire kwesties die hij aan de orde stelt, geen rol meer te spelen. Zijn analyse bijvoorbeeld, dat het genie (hier Multatuli) minder waarde aan de taal zal hechten dan het talent (hier Busken Huet) is interessant, maar van de vraag naar genialiteit ligt niemand meer wakker. En het klassieke onderscheid tussen `vorm en vent' dient hier en daar nog wel als uitgangspunt, maar wordt toch niet echt meer bediscussieerd. Eerder gaat het ook in de hedendaagse literatuur bij schrijvers om de manier waarop de `vent' in de schrijver zich verhoudt tot zijn eigen imago, tot zijn `vorm'.

Daarmee is natuurlijk niet beweerd dat je Ter Braak ongelezen moet laten, zoals je grote schrijvers nooit ongelezen moet laten (en Busken Huet trouwens ook niet). Bovendien is er één stuk in De canon waarbij je een heel ander gevoel krijgt, en het besef daagt dat het ook nu nodig is om Ter Braak te lezen. Dat is het al aangehaalde openingsstuk over de contradicties in de Nederlandse burgerlijkheid. Al is het maar omdat, na jaren van relatieve kalmte, heftige verbale botsingen en emoties weer dagelijkse kost zijn in de Nederlandse politiek. Uit dat stuk blijkt Ter Braaks verlangen naar grote, vrije persoonlijkheden, die niettemin wars zijn van extremisme. En daarmee raakt hij aan de controverses over Pim Fortuyn, de Haagse kaasstolp en de `nieuwe politiek'. Het wachten is dus eigenlijk op een – en nu wel zorgvuldig bezorgde – heruitgave van de politieke geschriften van Ter Braak.

Menno ter Braak: De canon. Samengesteld en van een nawoord voorzien door Léon Hanssen. Meulenhoff, 384 blz. €25,–

    • Arjen Fortuin