Diep in het inheemse leven

Afgezet worden op een eiland met een inheemse stam die nog nooit een blanke heeft gezien. Zulk first contact is dé etnografische droom, en geen antropoloog heeft er vermoedelijk zo aan bijgedragen als Bronislaw Malinowski. Zijn diepgravende veldwerk onder de Trobrianders van de Stille Zuidzee begin twintigste eeuw was weliswaar geen voorbeeld van een `eerste contact' – de Trobrianders stonden vanaf 1884 onder Britse protectie – maar het gaf de antropologie een daverende impuls en maakte van deze Poolse Brit het archetype van de veldwerker.

In Michael Young heeft de etnograaf nu een even formidabele biograaf gevonden. Zo uitputtend als Malinoswki's eigen veldwerk was, zo grondig behandelt Young de eerste helft van dit buitengewone en onstuimige leven, tot de voltooiing van zijn Melanesische veldwerk en zijn huwelijk met Elsie Masson, die hij in Australië ontmoette.

Als etnograaf is Bronislaw Malinowski bigger than life. Hij was niet alleen de eerste veldwerker die zich langdurig onderdompelde in het leven van een premodern volk om door te dringen tot the native point of view, maar ook de schrijver van gekwelde ontboezemingen die de etnografie een literaire wending gaf; een rusteloze, nomadische fin de siècle intellectueel die rond de Londense Bloomsbury-kring cirkelde, en een man met een even heftig temperament als liefdesleven.

Algemeen wordt als zijn belangrijkste bijdrage aan de moderne antropologie zijn participerende methode gezien. Malinowski keerde zich tegen de comfortabele `leunstoel-antropologie', die vanuit de bibliotheek of vanaf de veranda de wereld probeerde te verklaren. In plaats daarvan volgde hij het advies van de Engelse antropoloog W.H.R. Rivers, om `intensief' veldwerk te doen bij een inheemse stam. Malinowski deed dat op de Trobriand-eilanden bij Nieuw Guinea van juni 1915 tot mei 1916, en nog eens van oktober 1917 tot oktober 1918, zo verpletterend gedetailleerd, dat het begrip `veldwerk' nooit meer hetzelfde is geweest. Argonauts of the Western Pacific, waarin hij zijn bevindingen in een literaire reportagestijl optekende, geldt nog steeds als een antropologische klassieker.

Theoretisch droeg Malinowski veel minder blijvends bij. Daarvoor waren zijn overtuigingen te eclectisch en is zijn `functionalisme' achterhaald. Tijdens zijn opleiding in Polen, Duitsland en Engeland werd Malinowski gevormd door Wilhelm Wundts Völkerpsychologie en door de positivist Ernst Mach, die wetenschap zag als het onderzoek van functionele relaties binnen een systeem. Malinowski verdedigde zo'n functionalisme voor de sociale wetenschappen: menselijk gedrag, gewoonten en geloof moeten worden onderzocht naar de functie die ze hebben om basale en afgeleide behoeften te bevredigen. De antropologie was geen studie van folklore, maar moest met het formuleren van wetten en generalisaties een heuse sociale wetenschap worden. Maar Malinowski werd nooit een hard core functionalist: bij hem draaide de samenleving ten slotte toch om het individu, en niet om het systeem; passend voor een man die zelf een uitzonderlijk en uitbundig individu was.

Met het afbladderen van de oude grote theorieën in de antropologie, inclusief Malinowski's functionalisme, begon zijn veldwerk in de jaren zestig juist aan een tweede jeugd: zijn tekening van het inheemse leven, en de associatie met de door Malinowski bewonderde Joseph Conrad, prikkelden de verbeelding van een nieuwe generatie. Antropologie was, manhaftig genoeg, `de studie ván grove mensen, dóór grove mensen'. Hij werd zelfs het middelpunt van een postume controverse met de publicatie van zijn dagboeken in 1967. Die staken schril af tegen het beeld van de nobele etnograaf: Malinowski klaagde erin over eenzaamheid, het barbaarse gedrag van de `niggers' en zijn zwakke gezondheid. Het leverde een relletje op over racisme en de dienstbaarheid van de antropologie aan het koloniaal bestuur – het kwade geweten van het vak. Maar ook hier maakte Malinowski school: reflectie van veldwerkers op de eigen troebelen en incorrecte emoties is nu een onderdeel van het genre.

Malinowski's dochter Helen Wayne gaf Michael Young toegang tot de complete dagboeken en archieven van de etnograaf. Zijn boek is opmerkelijk genoeg ook aan haar opgedragen, maar een hagiografie is het daarom nog niet geworden: Malinowski komt uit al die persoonlijke bronnen naar voren in al zijn onstuimigheid en neurotische onrust. Young beschrijft het Poolse laag-adellijke milieu, de szlachta, waarin Malinowski opgroeide, zijn moeizame relatie met papa en liefde voor mama, zijn geflirt met een Oscar Wilde-achtig dandyisme, de groeiende belangstelling voor `het exotische en het erotische', en zijn studie in Leipzig. Keerpunt is het jaar 1910, wanneer de anglofiele Malinowski naar Londen verhuist, brandpunt van de moderne antropologie. Hij woont er samen met Anna Brunton, een Brits-Zuid-Afrikaane pianiste met wie hij een voor zijn doen huiselijke affaire heeft. Hij maakt er kennis met de elitaire Bloomsbury-groep en krijgt toegang tot de prestigieuze London School of Economics, waar hij veel later hoogleraar sociale antropologie zal worden.

Malinowski stort zich daar in de hevige twisten over totemisme, de verering van `totems' door inheemse volken, waarin antropologen als J.G. Frazer, auteur van The Golden Bough, een herinnering zagen aan de oorspronkelijke `primitieve samenleving' die typisch zou zijn geweest voor de hele mensheid. Malinowski haalde hard uit naar Frazers oorsprongssmythe, en naar wetenschappelijke veteranen die volgens hem de verkeerde methoden gebruikten en hun feiten niet goed op een rijtje hadden. In de Eerste Wereldoorlog kreeg hij de kans zijn eigen talent in het veld uit te proberen, eerst op het Britse deel van Nieuw Guinea, daarna op de Trobriand-eilanden.

Young beschrijft ook die cruciale fase van Malinowski's leven zeer nauwgezet. Dat levert een mooi en indringend beeld op van de etnograaf aan het werk, dat afwijkt van het romantische cliché. Malinowski werkte bijvoorbeeld allerminst in terra incognita. Het grote eiland Kiriwina, aldus Young, `was een van de meest efficiënt bestuurde en gezondste plaatsen in heel Papoea'. Zijn zestig kratten en dozen werden aan land gedragen door gedetineerden. De Britse assistent-resident Bellamy was een verlicht man, een verademing vergeleken bij de handelaren en missionarissen met wie Malinowski eerder zaken had gedaan. Bellamy hielp de etnograaf op weg, stond zijn bed aan hem af en sliep zelf onder een tafel, maar klaagde later dat Malinowski met zijn hevige interesse in magie en seksuele mores zijn beschavingwerk had gefrustreerd.

Young heeft een imposante biografie geschreven – maar niet zonder gebreken. Zijn oog voor detail is zo scherp en hij put zo dankbaar uit de bronnen, dat zijn verhaal in die honderden pagina's vaak niet erg opschiet. Bovendien neemt hij te weinig afstand om de vaak obscure antropologische controverses uit die tijd aan de lezer uit te leggen. Zelfs de `Kula ring', Malinowski's onderwerp in Argonauts of the Western Pacific, komt er bekaaid vanaf: het handelsnetwerk tussen de eilanden dat volgens Malinowski een symbolische betekenis had die uitging boven economisch nut. Helaas geeft Young geen compacte, heldere uitleg van het gebruik – waarvan Malinowski's interpretatie overigens is bekritiseerd – zodat het voor de lezer wat in de lucht blijft hangen.

Misschien maakt de biograaf dat goed in het tweede deel over Malinowski's latere leven. En wie weet zal hij daarin ook ingaan op het verhaal dat Elsie haar man een flink handje hielp bij het schrijven van zijn boeken. In dit eerste deel moeten we het doen met de exuberante veldwerker Malinowksi – maar aan hem hebben we onze handen al meer dan vol.

Michael W. Young: Malinowski. Odyssey of an Anthropologist, 1884 - 1920. Yale University Press, 690 blz. €36,79