De partituur van de menselijke beschaving

De grote Franse antropoloog Claude Lévi-Strauss ontmoette in Brazilië indianen die niet door de westerse beschaving waren aangetast. Zijn sublieme reisverslag daarover en zijn andere werk belichaamt de paradox die iedere ontmoeting tussen culturen met zich meebrengt.

In 1984 is de Franse antropoloog Claude Lévi-Strauss voor het eerst van zijn leven in Californië. In een overvol restaurant vraagt men hem naar zijn naam, om hem te roepen als er een tafel vrijkomt. De kelner reageert verrast: `Lévi-Strauss: van de boeken of van de broeken?'

Al eerder had die naam in Amerika voor verwarring gezorgd. Wanneer Lévi-Strauss tijdens de Tweede Wereldoorlog in New York doceert aan de New School for Social Research, wordt hij door de administratie ingeschreven als Claude L. Strauss om cowboy-associaties te vermijden. Met nauwelijks enige publicaties op zijn naam, kan deze nog lang niet op eigen benen staan. Dat hij veertig jaar later kan concurreren met de jeans-fabrikant, is een maat voor zijn succes. Hij is een meesterdenker geworden, de aartsvader van het Franse structuralisme. In intellectuele kringen klinkt zijn naam als een merk op zichzelf.

Lévi-Strauss is een overlever. Over een kleine drie maanden wordt hij zesennegentig. Geboren in 1908 was hij drie jaar jonger dan Sartre en de jaargenoot van Simone de Beauvoir, met wie hij als aankomend filosofiedocent stage liep. Ook veel van de denkers die hen aflosten – Roland Barthes, Michel Foucault en de oudere Jacques Lacan – zijn inmiddels van het toneel verdwenen. Beide generaties probeerden hem, op diverse momenten, bij zich in te lijven en beide hield hij hardnekkig op afstand. De existentialisten waren hem te metafysisch en tezeer vervuld van het navelstarend menselijk subject. De populaire structuralisten waren hem te literair-impressionistisch en niet wetenschappelijk genoeg.

Een intellectueel in de Franse traditie wilde Lévi-Strauss niet zijn. Slechts één keer ondertekende hij een politiek manifest (voor de onafhankelijkheid van Algerije). De mei-revolutie van 1968 boezemde hem diepe afkeer in. Wetenschap wilde hij beoefenen, geen platte demagogie met een mening over elk onderwerp en een luchtige opvatting van de universitaire plicht. Wanneer hem in 2002 door Le Nouvel Observateur gevraagd wordt wat voor hem `wijsheid' betekent, antwoordt hij: `Op mijn leeftijd bestaat wijsheid, zoals ik die opvat, erin niet op dit soort vragen te antwoorden. Met vriendelijke groet.'

Toch dankt ook hij zijn populariteit in de eerste plaats aan een niet-wetenschappelijk boek, Tristes tropiques, dat in 1955 verschijnt. In antropologische kringen is Lévi-Strauss dan al een autoriteit. Zijn dissertatie De elementaire structuren van de verwantschap geldt mede dankzij het enthousiasme van zijn Nederlandse collega Josselin de Jong internationaal als een klassieker. Harvard biedt hem een leerstoel aan, maar hij zette zijn kaarten op een carrière in Parijs. Op dat moment vraagt de uitgeverij Plon hem een verslag te schrijven over het veldwerk dat hij ruim vijftien jaar eerder in de Braziliaanse binnenlanden heeft gedaan.

In vier maanden klaart Lévi-Strauss de klus en het boek wordt onmiddellijk ontvangen als een meesterwerk. Niet alleen als reisverhaal of antropologische studie, maar ook als literaire schepping verovert het Frankrijk en vervolgens de rest van de wereld. In 1962 komt het in Nederland uit als Aula-pocket, in een editie die inmiddels niet meer aan de eisen voldoet. In de nu verschenen, bijzonder fraaie vertaling van Marianne Kaas verbluft Lévi-Strauss opnieuw als meeslepend verteller, scherpzinnig waarnemer en borend graver naar de grondtrekken van de menselijke beschaving.

Veel had het niet gescheeld of niet alleen het boek maar ook de antropoloog Lévi-Strauss waren er nooit geweest, zo schrijft Denis Bertholet in zijn onlangs gepubliceerde biografie, die het lange leven van Lévi-Strauss informatief maar zonder veel raffinement of eigen onderzoek samenvat. Met lange tanden had de latere antropoloog filosofie en rechten gestudeerd. Bij toeval werd hij in 1935 uitgezonden naar de universiteit van São Paulo, om de Brazilianen wegwijs te maken in de Franse sociologie. Zijn etnografische belangstelling verkeerde nog in het stadium van de amateur. In zijn vrije tijd zou hij alle gelegenheid hebben om de indianen te bestuderen, zo werd hem te verstaan gegeven. In de buitenwijken van São Paulo zaten er velen.

Al in datzelfde jaar maakte hij zijn eerste expeditie naar wat de echte indianencultuur zou moeten zijn. Zijn eerste ontmoeting was even teleurstellend als die van zijn verre voorganger Chateaubriand, die hem naast Rousseau zijn hele leven heeft geïnspireerd. Terwijl Chateaubriand in 1791 zijn eerste Noord-Amerikaanse indianen aantrof tijdens een dansles waarop een Franse maître danseur hen de Franse guigues en sarabandes onderwees, vond Lévi-Strauss hen op het zuidelijk halfrond terug in reservaten waarin men hen vergeefs had getracht klaar te stomen voor de westerse beschaving. `Wilden' waren ze al lang niet meer, maar onder hun nieuwe gewoonten en technieken waren de sporen daarvan nog wel zichtbaar.

Op een langere reis, diep de Braziliaanse bergstreek de Mato Grosso in, begint hij de geheimen ervan voorzichtig te ontsluieren. De Caduveo-indianen zijn weliswaar al evenmin vrij gebleven van westerse invloed, maar de gecompliceerde tatoeagekunst waarmee zij van oudsher hun gezicht verfraaien is nog grotendeels intact. De patronen op hun gezichten lijken op speelkaarten en hebben een soortgelijke functie. Ze geven de dragers ervan hun plaats in een reeks: hun kaste. En tegelijk moeten ze over die grenzen heen – als in een kaartspel – tegen elkaar kunnen worden `uitgeruild', omdat alleen zo een goed functionerend sociaal leven kan ontstaan.

Ordening krijgt een samenleving dus pas doordat er scheidslijnen getrokken worden. Maar de samenhang wordt slechts gegarandeerd doordat die lijnen steeds worden overschreden, vooral in de meest fundamentele `ruil' die een gemeenschap kent: die van het huwelijk. Daarom valt het incestverbod samen met het ontstaan van de beschaving. Exogamie, de verplichting te trouwen met iemand van een andere groep, is daarvan het verlengstuk maar daartoe moeten er tussen of binnen de clans eerst grenzen worden geschapen.

Die structuur vindt Lévi-Strauss opnieuw wanneer hij, nog verder de wildernis intrekkend, kennismaakt met de Borôro-indianen. Ongerepter en met een geheel andere cultuur dan de Caduveo, wordt ook hun samenleving gekenmerkt door een allesfunderende sociale scheidslijn, die tegelijk verdeelt en bindt. En ook hier wordt dat orde-principe symbolisch zichtbaar gemaakt: niet in de gelaatstatoeages maar in de plattegrond van het dorp, dat aangelegd als een ronde kraal, doorsneden wordt door onverbiddelijke scheidingsassen.

In een notendop is daarmee het wetenschappelijk programma gegeven dat Lévi-Strauss zijn leven lang is blijven volgen. Betekenis krijgt de wereld pas dankzij een structuur, die haar uiteenlegt in onderling tegengestelde elementen. Dat stramien maakt de mensheid mogelijk. Het is de opdracht van de menswetenschappen dit rasterwerk op strikt wetenschappelijke wijze bloot te leggen.

Een botsing met het naoorlogse existentialisme kon niet uitblijven, al meende Simone de Beauvoir in De elementaire structuren van de verwantschap aanvankelijk nog een geestverwant te ontdekken. In 1962 zou Lévi-Strauss in zijn boek Het wilde denken een frontale aanval doen op Sartre en diens geschiedfilosofie. Maar al veel eerder was duidelijk geworden dat een filosofie die alle kaarten zette op de individuele beslissingmacht van ieder mens onverenigbaar was met een denken dat filosofie wilde vervangen door wetenschap en ook aan het individu bijzonder weinig boodschap had. Dat mensen leven in een wereld die vol is van betekenis, is niet hun eigen keuze, maar is te danken aan het feit dat zij zijn opgenomen in een structuur die hun levenstoneel voor hen al geschapen heeft.

Zo streng zijn de wetenschappelijke eisen van Lévi-Strauss, dat hij vrijwel geen van de denkers die in de jaren zestig als `structuralisten' op de voorgrond treden, tot zijn programma wil rekenen. Zelf na veel strijd in 1959 als hoogleraar benoemd aan het prestigieuze Collège de France, weigert hij elf jaar later Michel Foucault te steunen, wanneer deze bij hetzelfde instituut zijn opwachting maakt. Juist op dat moment legt Lévi-Strauss de laatste hand aan zijn vierdelige reeks Mythologieën, waarin hij aan de hand van vele honderden mythologische vertellingen en hun varianten probeert te doen wat hij eerder met de sociale orde en verwantschapsstructuren heeft gedaan.

Ook de mythen delen op symbolische wijze de wereld in volgens tegengestelde categorieën (hemel-aarde, man-vrouw, rein-onrein, etc.) en zetten daarmee een geordend mentaal terrein uit waarop de menselijke cultuur zich kan ontplooien. Al die verhalen moeten, met hun varianten, gelezen worden als een partituur: pas dan zal, net als in de analyse van een muziekstuk, het onderliggende patroon naar voren komen.

Lévi-Strauss gebruikt die muzikale beeldspraak niet voor niets. Muziek is niet alleen de kunst die met de strengste code (de tonaliteit) de zuiverste schoonheid bereikt, maar ook de taal die hij graag had gesproken. Vier delen moesten zijn Mythologieën tellen, als eerbewijs aan de tetralogie van de bewonderde Richard Wagner: de meest monumentale poging tot het scheppen van een nieuwe mythologie uit de moderne tijd.

Zo reikte de wetenschapsman de hand aan de kunstenaar en de antropoloog aan de filosoof, die hij niet wilde zijn. Maar in Het trieste der tropen ontkomt Lévi-Strauss niet aan de bespiegeling die voor de laatste kenmerkend is. Hij heeft er, in de melancholie die reeds uit de titel spreekt, alle aanleiding toe. De tropen zijn niet zozeer exotisch, zo stelt hij vast in zijn openingsverklaring tegen de ontdekkingsreis en de zucht naar het pittoreske. Ze zijn ook niet alleen `verouderd', zoals hij vaststelt wanneer hij zich, aankomend in Rio de Janeiro, geconfronteerd ziet met een architectuur van één of twee generaties her. Zij zijn vooral het toneel van verkommerende culturen die worden gelijkgeschakeld in een proces dat we inmiddels mondialisering noemen.

Scherp is Lévi-Strauss zich bewust van de dubbelzinnige rol die hij als antropoloog speelt. Hij legt in extremis nog datgene vast wat binnenkort definitief verdwenen zal zijn. En, wanneer hij aan het eind van zijn expedities eindelijk een indianenstam lijkt te hebben gevonden die nog niet door de westerse beschaving is aangetast, wordt de expeditie niet alleen gefrustreerd door communicatieproblemen (`Daar waren ze, mijn wilden [...] en ik sprak hun taal niet!'), maar blijken de inwoners van een verwant dorp zich inmiddels op weg te hebben begeven om zich tot diezelfde beschaving te bekeren.

Eerder was hij al op tragikomische wijze met zijn eigen paradoxen geconfronteerd. In de Nambikwara-indianen had hij een bevolkingsgroep ontdekt die nog in alle opzichten leefde in het stenen tijdperk. Vrijwel naakt, slapend op de grond en rondtrekkend van plek naar plek vertoonden de Nambikwara een jaloers makende harmonie met zichzelf en hun omgeving, die door hun sensuele openheid des te aantrekkelijker werd.

Maar wanneer het komt tot een ontmoeting tussen twee clans, blijkt de leider zich een eigenaardige gewoonte te hebben aangeleerd. Bij de verdeling van de geschenken tekent hij aandachtig golflijntjes op het papier dat hij van de antropologen heeft gekregen. Hij bestudeert ze alsof ze een te ontcijferen geheim bevatten, en plotseling realiseert Lévi-Strauss zich dat deze intelligente indiaan niet het schrift maar wel de functie daarvan heeft uitgevonden: niet die van een versterkt geheugen maar van een vergroot gezag. Het schrift dient eerst en vooral ter uitoefening van macht.

De treurzang die Lévi-Strauss aanheft over de teloorgang van deze onschuldige beschavingen, slaat dus ongemakkelijk op zijn eigen onderneming terug. Aan het slot van Het trieste der tropen maakt hij in een schitterende meditatie de balans op van de antropologie als bemiddelaar tussen beschavingen en tegelijk de vernietiger van hun verschillen. Het is ook zijn eigen dilemma, dat niet toevallig naar voren komt in een boek waarin hij afstand neemt van wetenschappelijke habitus en zich ontpopt als een literator zonder weerga.

Als wetenschapsman wiens enige religie de rede is, blijft hij tot aan het eind van zijn leven de drager van een negentiende-eeuws kennisideaal. En tegelijk is hij te diep onder de indruk van de culturen die hij bestudeert om hen te laten wegvagen door een westerse beschaving, die niettemin de voorwaarde is van zijn eigen wetenschap. Zo wordt hij, als overtuigd rationalist, tegelijk de verdediger van het cultuurrelativisme dat in de Amerikaanse antropologie onder invloed van Franz Boas al veel eerder wortel had geschoten. Iedere beschaving heeft haar eigen menselijke bestaansvorm gevonden die onvergelijkbaar is met, maar principieel gelijkwaardig aan, alle andere beschavingen. In een ophefmakende rede voor de Unesco zal hij er in 1971 voor pleiten dat de verschillende culturen elkaar niet té na komen, opdat de één de ander niet vernietigt.

In Het trieste der tropen eindigt Lévi-Strauss met een bewogen verdediging van de antropologie als de belichaming van de paradoxen die iedere ontmoeting tussen culturen met zich brengt. Omdat zij zich daarvan als geen ander bewust is, weet zij ook dat drastische antwoorden daarop in hun eenvoud het grootste kwaad zijn. Juist de wetenschap die geleerd heeft afstand te nemen van een hoogmoedig humanisme, zal, zo hoopt Lévi-Strauss, de mensheid ontvankelijk maken voor het onderliggende patroon waaraan zij haar bestaan dankt en dat zich in de verschillende culturen onder zulke volstrekt verschillende patronen toont.

Meer dan Lévi-Strauss' wetenschappelijke ideaal zijn het deze overwegingen die Het trieste der tropen, tot een belangrijk en urgent boek maken. Ze liggen vervat in een reisverslag dat even adembenemend is gebleven als het een halve eeuw geleden was. Subliem geschreven, laat het in deze nieuwe vertaling wederom overtuigend zien dat het behoort tot de allergrootste werken van de twintigste-eeuwse Franse literatuur.

Claude Lévi-Strauss: Het trieste der tropen. Vertaald door Marianne Kaas. Atlas, 480 blz. €24,90

Denis Bertholet: Claude Lévi-Strauss. Plon, 465 blz. €30,50

    • Ger Groot