De auto krijgt een nieuw hart

De auto-industrie is zich als geen andere bedrijfstak bewust van hoge olieprijzen en de eindigheid van de oliereserves. Harder dan ooit wordt nu gewerkt aan ontwikkeling van alternatieve aandrijfsystemen, en zelfs aan een compleet nieuw energiescenario voor automobiliteit.

Met opvallende gelatenheid lijkt de wereld de recordolieprijzen te accepteren. In plaats van de paniek in 1956 en 1973, toen iedereen zich op autoloze zondagen zorgen maakte over toekomstige mobiliteit, accepteert de wereld nu de krapte op de energiemarkt als een teken des tijds. Alleen wat dipjes in de verkoop van stereotype Amerikaanse benzineslurpers – de enorme en eigenlijk zinloze SUV-terreinwagens – geven aan dat autokopers de effecten van afnemende energievoorziening vooralsnog alleen als pijn in de portemonnee voelen. Het besef dat de `dikke' V8 motor zijn langste tijd heeft gehad, leeft nog niet.

Bij de vroegere crises reageerde de auto-industrie met een simpele kortetermijnstrategie: motoren zuiniger maken. Daarmee schoof zij het probleem voor zich uit, de kop in het zand stekend voor de wetenschap dat oliereserves – die rond de eeuwwisseling hun maximum bereikten – uiteindelijk toch zouden afnemen. Sinds de laatste jaren van de vorige eeuw wordt echter met toenemende intensiteit gewerkt aan verschillende oplossingen en zelfs aan een compleet nieuw energiescenario voor automobiliteit. De brandstofcel als energievoorziening voor elektrische aandrijving haalt daarbij het meest de publiciteit, al ligt de realisatie daarvan nog het verst in het verschiet. Maar met aardgas, synthetische en bio-brandstoffen of waterstof als energiedragers kan de traditionele verbrandingsmotor ook zonder de beschikbaarheid van uit fossiele aardolie verkregen benzine of dieselolie overleven. Intussen nemen enkele fabrikanten met succes een voorschot op de toekomst door auto's met hybride aandrijfsystemen op de markt te brengen.

Enkele jaren geleden werd nog getwijfeld, of de bestaande verbrandingsmotor op de langere termijn nog toekomst had. Wanneer de olie op is, kun je ook geen motoren laten draaien, zo dacht men. Dat beeld heeft de industrie inmiddels alweer uit de gedachte verdrongen. Met name bij het Volkswagenconcern, maar ook DaimlerChrysler leeft de opvatting dat de klassieke zuigermotor zelf een nieuwe toekomst heeft, mits oliemaatschappijen meewerken aan de ontwikkeling van alternatieve brandstoffen. Die zijn nodig voor een totaal nieuwe generatie verbrandingsmotoren waarin de werkingsprincipes van de huidige diesel- en benzinemotoren, zoals hoge compressieverhoudingen, worden gecombineerd met directe brandstofinjectie maar ook elektrische ontsteking.

Een dergelijk motorconcept is zuinig door een geöptimaliseerde verbranding maar ook schoner dankzij aardgas, bio- en synthetische brandstoffen en zelfs waterstof in plaats van de huidige benzine en dieselolie. Biodiesel (ook wel Sunfuel genaamd) is CO2-neutraal omdat de uitstoot van dit broeikasgas wordt gecompenseerd door de geteelde gewassen die voor de vervaardiging van een biobrandstof nodig zijn. Sunfuel maakt de wereld bovendien onafhankelijk van de beschikbaarheid van fossiele aardolie en het kan tegelijkertijd een nieuwe impuls geven aan de noodlijdende Europese landbouw.

Synthetische brandstof (Synfuel) wordt niet geraffineerd uit aardolie maar is opgebouwd uit voor automotoren ideale componenten van fossiele en niet-biologische grondstoffen. Het is dus een meer een `designers'-brandstof met een ideale samenstelling die zo min mogelijk schadelijke stoffen genereert tijdens het verbrandingsproces.

Bestaande dieselmotoren die normaal gesproken aan euro3-wetgeving voor uitlaatgassen voldoen, draaien met genoemde brandstoffen dankzij hun ideale samenstelling (onder ander door het ontbreken van benzol en zwavel) al zoveel `schoner' dat ze zonder technische ingrepen aan de strengere euro4-norm voldoen.

Hetzelfde geldt voor aardgas, dat als bijkomend voordeel een veel eenvoudiger distributie kent dan benzine en diesel omdat onder de meeste Europese landen al een compleet verdeelnet ligt. En de mondiale aardgasreserves zouden nog tot 2060 toereikend zijn.

De EU heeft overigens richtlijnen opgesteld om in 2020 ten minste 20 procent van alle autobrandstoffen uit natuurlijke bronnen te winnen en daartoe behoren natuurlijk Sunfuel en aardgas. In Duitsland is de belangstelling daarvoor sterk groeiend, terwijl men in Nederland zelfs met de toepassing van aardgas juist achterblijft.

De auto-industrie gaat intussen stapsgewijs versneld verder met de ontwikkeling van totaal nieuwe aandrijfsystemen die minder afhankelijk, en uiteindelijk geheel onafhankelijk van aardolieproducten functioneren. Hybride auto's zullen nog dit decennium een toenemende rol spelen in de mobiliteit en vanaf 2010 doen geleidelijk de eerste brandstofcelauto's hun intrede.

    • Wim Oude Weernink