Waar blijven de vrouwen?

Bijna geen enkel Europees land telt zo weinig vrouwelijke hoogleraren als Nederland. Stimuleringsregelingen en aparte benoemingsprogramma's brengen daar maar mondjesmaat verandering in. De veelal mannelijke netwerken zijn daar debet aan, maar ook de houding van vrouwen zelf, menen deskundigen. Een somber beeld aan de vooravond van het nieuwe academisch jaar.

Een mannelijke hoogleraar van vijftig heeft twee promovendi van midden twintig, een man en een vrouw. Een van hen kan hij meenemen naar een internationaal congres. Hij kiest de man. Met een jonge vrouw aan zijn zijde krijgt hij suggestieve blikken van zowel mannelijke als vrouwelijke collega's. En vindt zijn echtgenote het wel leuk als hij vier dagen met een jonge vrouw op stap is?

Twee keer hoorde Margo Brouns, onderzoekster aan de Rijksuniversiteit Groningen, dit voorbeeld van mannelijke hoogleraren. ,,Je kunt wel ontkennen dat de omgang tussen mannen en vrouwen in de wetenschap strikt neutraal is, maar zo'n gezamenlijk reisje heeft wel degelijk een lading. En juist het bezoeken van die congressen is essentieel voor je wetenschappelijke carrière. Daar word je geïntroduceerd in het netwerk waar men beslist over benoemingen. Zo wordt de man onbedoeld op een voorsprong gezet.''

Brouns, als universitair hoofddocent verbonden aan de Groningse faculteit van sociale wetenschappen, is projectleider Gender en Wetenschappen. In juni is onder haar leiding, in opdracht van het ministerie van OCW, een twee jaar durend onderzoek gestart naar de selectieprocedures van hoogleraren. ,,We gaan kijken naar de onbedoelde en onbewuste mechanismen die vrouwen belemmeren om carrière te maken in de wetenschap. Die mechanismen spelen zowel bij de universiteit als bij vrouwen zelf.''

Dat OCW zo'n onderzoek financiert, hoeft niet te verbazen. Nederland slaat al jaren een modderfiguur als het gaat om het aantal vrouwelijke hoogleraren. Onderwijsminister Maria van der Hoeven, verantwoordelijk voor het wetenschapsbeleid, zou graag zien dat Nederland een paar plaatsen omhoog schuift in het Europese ranglijstje. Nu staan we op de een na laatste plaats, net boven Oostenrijk.

Vorige week werden de WOPI-cijfers van eind 2003 bekend (Wetenschappelijk Onderwijs PersoneelsInformatie). Slechts 8,5 procent van de Nederlandse hoogleraren is vrouw, dat is althans het gemiddelde van alle universiteiten. De onderlinge verschillen zijn aanzienlijk. Koploper is de Universiteit Leiden met 14,1 procent, hekkensluiter is de Technische Universiteit Eindhoven met 1,6 procent. In totaal telt Nederland 2.105 mannelijke en 196 vrouwelijke hoogleraren. Het aantal vrouwen is de laatste jaren nauwelijks toegenomen. De vrouwen zijn oververtegenwoordigd in de disciplines taal & cultuur en gedrag & maatschappij. In de categorieën landbouw, techniek en gezondheid zijn er elk tien.

Mannen zijn niet slimmer. Integendeel, cijfers en rendement van vrouwelijke studenten liggen hoger dan die van mannelijke studenten. Om kwaliteitsverschillen te kunnen uitsluiten, vergeleek Brouns in een eerder onderzoek de vervolgbanen van mannelijke en vrouwelijke cum laude gepromoveerden. De gemiddelde functie van cum laude gepromoveerde vrouwen bleek niet alleen lager te zijn dan die van cum laude gepromoveerde mannen, maar zelfs lager dan die van mannen die zonder lof waren gepromoveerd. Niet alleen blijft er dus talent onbenut, de achterstand van vrouwen gaat ook ten koste van de kwaliteit van wetenschappelijk personeel. Bovendien: met de aanstaande pensionering van de babyboomers kunnen universiteiten het zich niet permitteren om het vrouwelijke potentieel te negeren.

Formeel zijn de gelijke rechten goed geregeld in Nederland. De oorzaken van de achterstand moeten informeel van aard zijn, in de sfeer van ongrijpbare mechanismen. Wat weerhoudt Nederlandse vrouwen van een carrière in de wetenschap?

Het begint al op de middelbare school, zegt Caren van Egten, ofwel prof. dr. C.A. van Egten RA. ,,Als enige meisje in een bèta-omgeving werd me gevraagd wat ik daar deed. Competitie wordt je als meisje snel afgeleerd. Bescheidenheid wordt bij ons, anders dan in de Angelsaksische cultuur, enorm gewaardeerd.'' Van Egten liet zich niet ontmoedigen: ze is nu vice-president bij Capgemini en hoogleraar bestuurlijke informatieverzorging en management control bij de Vrije Universiteit. Ze is ook bestuurslid van het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren en op de VU `boegbeeld' van het Europese project Equal, beide gericht op doorstroom van vrouwen naar academische topfuncties.

Van Egtens openlijk getoonde ambities pakten zowel positief als negatief uit. ,,Ik ben een paar keer goed geholpen door mannen, die vonden het leuk om een ambitieuze vrouw een stap verder te helpen. Twee keer heeft mijn carrière vertraging opgelopen, dat had beide keren te maken met verzet tegen een vrouw op die functie.'' Makkelijk is het niet om carrière te maken in de wetenschap. ,,Het is tamelijk eenzaam. Je moet het goed met jezelf kunnen vinden, niet steeds bevestiging van anderen nodig hebben. Veel vrouwen hebben dat nodig. Mannen stellen zich agressiever en arroganter op, plaatsen zichzelf nadrukkelijker in het vizier, hebben aan zichzelf genoeg.''

Klopt, zegt Tineke Jong, medewerker communicatie aan de Universiteit van Amsterdam. ,,Mannen hebben vaker een doelgericht plan voor hun carrière. Vrouwen willen een leuke baan die een maatschappelijke bijdrage levert. Ze eisen minder voor zichzelf als het gaat om salaris of promoties. Niemand vindt het raar als een vrouw jarenlang dezelfde functie blijft vervullen, bij een man valt dat op.''

Jong is tijdelijk voorzitter van de Stichting De Beauvoir, genoemd naar de Franse schrijfster, die met een tweejaarlijkse monitor de positie van vrouwen in de wetenschap in kaart brengt en met bijzondere leerstoelen het aantal vrouwelijke hoogleraren probeert uit te breiden. Onlangs benoemde de stichting een nieuwe hoogleraar, Adriana Bus aan de Universiteit Leiden, voor de leerstoel `ontluikende geletterdheid'.

Vertrouwen op het inmiddels gelijke aantal vrouwelijke studenten en hun toenemende assertiviteit is niet genoeg, meent Jong. ,,Dit komt niet vanzelf goed. Onderweg vallen te veel vrouwen uit, het probleem van de `lekkende leidingen'. Dat heeft te maken met de loopbaanopbouw aan de Nederlandse universiteiten: talent wordt niet gebonden, er is geen lange-termijnplan, je moet steeds opnieuw solliciteren.''

En daar gaat het mis, vermoedt de Groningse onderzoekster Margo Brouns. ,,Benoemingen vinden voor een groot deel plaats achter gesloten deuren. Er is sprake van een informeel voorproces, de decaan kijkt naar zijn eigen netwerk. Daar ontbreken de vrouwen, want zo'n netwerk werkt met coöptatie en laat moeilijk iets nieuws en afwijkends toe.'' Brouns constateert verschillen per discipline. ,,Vrouwen in de natuurwetenschappen hebben al zoveel overwonnen, die zijn heel ambitieus. Bij letteren is het aanbod van studenten zo groot dat er altijd wel een paar doorgaan. Het probleem zit bij de medische wetenschappen. Daar werkt het old boys network in optima forma, dat is een machocultuur met agressieve competitie. Studentes geneeskunde zijn er volop, maar hoogleraren heel weinig.''

Ook Caren van Egten denkt dat de subjectiviteit van benoemingen door de peer group een belangrijke belemmering is. ,,In het bedrijfsleven geldt de objectieve wet van het geld: als je veel euro's binnenhaalt, kunnen ze niet om je heen, dan is het tegen het bedrijfsbelang om je te laten lopen. In de wetenschap geeft het sociale systeem de doorslag, en dat is ongrijpbaar, arbitrair. Uiteindelijk gaat het er niet om hoe goed je bent. Wat telt is dat een groepje mensen jou die baan moet gunnen, ze moeten het leuk vinden om jou in de groep te hebben.''

Op verschillende plaatsen probeert men de achterstand te verhelpen met speciale programma's voor vrouwen. NWO, de grote verdeler van rijksgeld voor wetenschappelijk onderzoek, heeft met het Aspasia-programma het aantal vrouwelijke universitair hoofddocenten (uhd) weten op te krikken van 7 naar 14 procent. In twee rondes in 2000 en 2002 zijn door NWO zeventig onderzoeksaanvragen gehonoreerd en hebben de universiteiten zelf nog eens zeventig docenten bevorderd tot hoofddocent. Wilma van Donselaar, beleidsmedewerker bij NWO, relativeert het succes: ,,Veel van die bevorderingen waren tijdelijk, de eerste is al weer ontslagen. Bovendien wordt zo'n functie door collega's niet altijd als een echte uhd-plaats gezien.'' Wel wijst Van Donselaar er op dat een handvol van deze vrouwen inmiddels is benoemd tot hoogleraar. Probleem blijft ook, volgens haar, dat vrouwen te weinig onderzoeksaanvragen indienen. ,,Er komt geen nieuwe Aspasia-ronde. We hopen dat universiteiten vrouwen zullen stimuleren om aanvraag te doen voor de reguliere programma's Vidi en Vici. Als zo'n aanvraag wordt toegekend en de onderzoeker door de universiteit wordt bevorderd naar een uhd-functie, geven wij die universiteit een premie van 100.000 euro.''

Opmerkelijk is het Groningse Rosalind Franklin-programma, genoemd naar een Britse wetenschapster die onderzoek deed naar DNA. Bij de faculteit Wiskunde en Natuurwetenschappen zijn vorig jaar vijf vrouwelijke fellows benoemd, die vijf jaar lang onderzoek kunnen doen. Voor elke fellow is een half miljoen euro beschikbaar, een aanbod dat leidde tot 112 sollicitaties uit de hele wereld. Decaan Douwe Wiersma, de initiatiefnemer, verwacht dat het vijftal over vijf jaar benoemd zal worden tot hoogleraar of adjunct-hoogleraar. De Groningse universiteit heeft net besloten om een tweede Rosalind Franklin-ronde te beginnen, maar nu ook voor de medische en andere faculteiten, met twintig fellowships.

Die aparte programma's hebben een negatief bij-effect, meent Margo Brouns. Mensen die dankzij voorkeursbeleid op een hoge positie zijn beland, worden met wantrouwen bekeken. ,,Bovendien zijn het nooit meer dan kleine aantallen. De grote slag moet komen uit reguliere procedures. Serieuze aandacht voor vrouwelijke kandidaten moet standaard worden bij elke benoeming, de normale selectie moet sekseneutraal zijn. Dat is nu nog lang niet het geval.''

Ewine van Dishoeck, hoogleraar moleculaire astrofysica in Leiden en een van Nederlands prominentste wetenschappers, is evenmin voorstander van aparte programma's. ,,Benoemingscommissies moeten gewoon goed naar die cv's kijken. Vrouwen zijn vaak heel capabel, maar het schort bij hen aan zelfvertrouwen. Om een betere balans te krijgen, ben ik wel voor het benoemen van een vrouw bij gelijke geschiktheid, maar niet voor een onderscheid in benoemingsprocedures.''

Dat er nog een lange weg te gaan is, blijkt uit het feit dat het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren vorig jaar voor het eerst geen vrouwelijke hoogleraren heeft voorgedragen voor de Spinozaprijs, en dat de stichting De Beauvoir al een paar maanden vergeefs naar een nieuwe voorzitter zoekt. In beide gevallen luidt de verklaring: te weinig kandidaten, te klein reservoir. Van Dishoeck, winnares van de Spinozaprijs 2000, zal geen voorzitter worden van de stichting De Beauvoir. ,,Daar ben ik niet de juiste persoon voor. Ik probeer het op een andere manier, ik wil jonge mensen stimuleren voor mijn eigen vakgebied, sterrenkunde. Daarom houd ik vaak lezingen voor een algemeen publiek en voor scholieren. Ik vind het wel leuk als daar jonge meisjes bij zitten. Die vertel ik dan na afloop dat wetenschap prachtig is, dat je er ook als vrouw enorm plezier in kunt hebben.''

    • Mark Duursma