Hogeschool weet niet wat overheid wil

Het hoger onderwijs moest midden jaren negentig de markt op om zelf geld te verdienen. Nu, tien jaar later, is de overheid hier hard van teruggekomen.

Staatssecretaris Rutte (VVD, Onderwijs) had vanmiddag, aan het einde van zijn speech, nog ,,een kleine waarschuwing'' voor zijn publiek in petto. Voortaan, zei hij bij de opening van het hbo-jaar op Hogeschool Windesheim in Zwolle, kunnen hogescholen een zero-tolerancebeleid verwachten. Wie nog bekostigingsregels overtreedt, zal ,,krachtig'' worden aangepakt.

De harde taal van de net begonnen staatssecretaris is typerend voor de nieuwe lijn van de overheid. ,,Lange tijd was de houding van de politiek: we laten de scholen hun gang gaan zolang het geld oplevert'', zegt voormalig GPV-leider Gert Schutte. ,,Dat vertrouwen in de markt is een stuk minder geworden.''

In april presenteerde Schutte op verzoek van toenmalig staatssecretaris Nijs een onderzoek naar wat de hbo-fraude was gaan heten. Zijn conclusie: hogescholen, universiteiten en mbo-instellingen hebben de laatste paar jaar voor 58 miljoen euro ten onrechte aan overheidsgeld ontvangen. Zij verzonnen constructies om zo veel mogelijk winst te maken, en overtraden daarbij vaak bewust subsidieregels.

Dat is nog niet alles. Vorige week kwam nóg een affaire aan het licht, die in het rapport van Schutte niet genoemd wordt. Hogeschool Stoas in Wageningen bleek de afgelopen jaren geld te hebben doorgesluisd naar een commerciële holding, die zware verliezen leed. Inmiddels is een bedrag van 3,7 miljoen euro aan subsidiegeld zoek. Minister Veerman (Landbouw) wil zoveel mogelijk van het verdwenen geld terugzien.

De ,,spagaat'' tussen publiek en privaat, noemt bestuursvoorzitter Bastiaan Pellikaan de situatie waarin Stoas terecht was gekomen. En in veel opzichten is het commerciële avontuur van de kleine agrarische hogeschool (nog geen 800 studenten) typerend voor het dilemma van het hoger onderwijs, zegt voorziter Frans Leijnse van de HBO-raad, de vereniging van hogescholen. ,,De overheid komt met tegenstrijdige boodschappen. Aan de ene kant moeten we de markt op, maar aan de andere kant is vrijwel alles nu verboden. Er is nooit goed afgebakend wat de grenzen tussen publiek en privaat zijn.''

Wat was er in Wageningen gebeurd? Zoals alle hogescholen kreeg Stoas begin jaren negentig te maken met forse kortingen op de subsidies. Het ministerie van Landbouw verantwoordelijk voor het agrarisch onderwijs stelde de school voor een keuze: inkrimpen of zelf geld verdienen. Stoas besloot zich op de markt te richten. Talloze BV's werden overgenomen en de hogeschool stortte zich op de consultancymarkt en de promotie van Chileense uien. Toen in 2000 bleek dat dit verlies opleverde, besloot de hogeschool publiek geld over te hevelen naar de private holding.

Niet alleen Stoas, álle instellingen kregen sinds het midden van de jaren negentig het advies een ,,publieke onderneming'' te worden. Schutte: ,,Toenmalig minister Ritzen begon dit te stimuleren, maar zijn opvolger Hermans was hier nog veel explicieter in.'' Het idee was, dat het geld opleverde en dat scholen niet langer op een eiland zaten, zegt Schutte. Als Tweede-Kamerlid maakte hij de tijd mee dat vrijwel iedereen in de politiek dacht dat dit het beste was voor instellingen.

Sindsdien zijn de inkomsten in het hbo uit de zogeheten `derde geldstroom' geld dat op commerciële basis verdiend wordt flink toegenomen. De laatste jaren schommelt dit bedrag rond de 150 miljoen euro.

Het hoger onderwijs moest niet alleen commerciëler, maar ook flexibeler en `vraaggestuurder' werken. Minister Hermans trok in 1998 nog vijftig miljoen euro uit om kortere cursussen aan te bieden. Hogescholen en universiteiten werden bovendien bekostigd op basis van het aantal studenten dat zich inschreef én het aantal diploma's dat werd uitgereikt. Op die manier, redeneerde het ministerie van Onderwijs, werden instellingen gedwongen de concurrentie met elkaar aan te gaan.

In 1997 kwamen de eerste serieuze tegengeluiden. Een commissie onder leiding van Job Cohen kwam met het advies dat publieke taken en marktactiviteiten zoveel mogelijk gescheiden moesten blijven. Meer en meer waren er hybride ondernemingen ontstaan, die met overheidsgeld de markt op gingen. Dit, schreef Cohen in zijn advies, leidde tot oneerlijke concurrentie en oncontroleerbare geldstromen.

Een paar jaar later, in 2000, schreef oud-topambtenaar Roel in 't Veld in het boek Zeven jaar paars dat het hoger onderwijs steeds meer de grenzen van de markt opzoeken, onder meer doordat studenten aan particuliere opleidingen ook als regulier student werden ingeschreven. ,,Dat weet iedereen in Den Haag en Zoetermeer, maar niemand die er wat aan doet'', schreef hij. En: ,,Mijn belangrijkste bevinding is dat het legaal is. Doordat de bekostigde instellingen zich pas op de particuliere markt begeven, zijn er gewoon geen richtlijnen voor.''

Het duurde nog een jaar voordat ook het ministerie van Onderwijs werd wakkergeschud. Eind 2001 trok oud-directeur De Jong van Hogeschool Deltaland aan de bel. Hogescholen zouden studenten onderling `rondpompen'.

Minister Hermans meldde geschrokken aan de Tweede Kamer dat kennelijk alles is toegestaan wat niet expliciet verboden was. Daarom kondigde hij harde maatregelen aan. Zijn opvolger Nijs stelde de commissie-Schutte in, die over ieder twijfelgeval een achterafoordeel heeft gegeven. Rutte zal bovendien met maatregelen komen om de fraudegevoeligheid uit het systeem van bekostiging te halen. Volgende week praat hij hierover met de Tweede Kamer.

Allemaal prima, zegt voorzitter Leijnse van de HBO-raad, maar inmiddels is de verwarring in het hoger onderwijs groot. ,,De ene keer moeten we alles doen om de markt te verkennen en flexibel onderwijs te beiden. Nu gedraagt de overheid zich weer als een Algemene Rekenkamer, die vindt dat iedere euro overheidsgeld doelmatig en rechtmatig besteed moet worden. We weten nauwelijks meer wat er van ons verwacht wordt.''