`Het gildensysteem is niet van deze tijd'

De universitaire medische centra werken nu samen in een federatie. Wat is de toekomst van de opleidingen en het wetenschappelijk onderzoek?

De universitaire medische centra (UMC's) scoren in een internationale vergelijking hoog in de kwaliteit van hun wetenschappelijk onderzoek. De UMC's – de fusieproducten van academische ziekenhuizen en medische faculteiten – produceren eenderde van alle Nederlandse wetenschappelijke publicaties. En bij de opleiding van artsen en medische specialisten, een andere hoofdtaak van de UMC's, staan grote veranderingen voor de deur. Dr. Louise Gunning-Schepers, voorzitter van de raad van bestuur van het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam, licht namens alle UMC's de cijfers en plannen toe.

De medische onderzoekers van de UMC's hebben veel en goed gepubliceerd in internationale wetenschappelijke tijdschriften, maar levert het ook wat op?

,,Het levert in de eerste plaats kennis op. En verder geven de resultaten ons de mogelijkheid om patiënten sneller en beter te diagnosticeren en behandelen.''

Vindt die overgang van wetenschappelijke publicatie naar praktische toepassing ook plaats?

,,Voor de rationele onderbouwing van het medisch handelen is onderzoek nodig. Zowel puur fundamenteel onderzoek, waarin onderzoekers nieuwe wegen zoeken, als praktisch onderzoek, om kritisch te toetsen of een nieuwe methode bij patiënten ook echt werkt.''

Maar hoeveel van die publicaties leiden nu echt tot praktische vernieuwingen, patenten en producten? Welk deel van de inkomsten van de UMC's komt uit patenten?

,,De inkomsten uit patenten zijn marginaal. Je mag al blij zijn als je de kosten terugverdient. Octrooieren doe je primair om een vondst een toekomst te geven. Als je niet octrooieert is geen industrie bereid om op basis van een vinding een product te ontwikkelen. Dan mag iedereen het doen en is het commercieel niet meer interessant.''

Wiens verdienste is het dat de Nederlandse UMC's zo goed scoren? Is het goed beleid van managers? Of zijn het de geniale onderzoekers?

,,Toponderzoekers en topgroepen zijn uiteindelijk degenen die de publicaties scoren. De bestuurders vervullen randvoorwaarden. Langetermijninvesteringen in onderzoeksgroepen zijn bijvoorbeeld belangrijk. Door aanpassingen in het onderwijs stimuleren bestuurders ook dat slimme studenten kiezen voor het onderzoek. En dat er carrièremogelijkheden zijn.''

Nu hebben het Erasmus MC in Rotterdam en het UMC Utrecht dat kennelijk het best gedaan, want die scoren het hoogst.

,,Vergeleken met het buitenland zijn alle acht Nederlandse UMC's top. In de ene jaarreeks scoort de een beter dan de ander. Je hebt ook modes. Eind jaren tachtig was aids heel belangrijk. Toen scoorde het AMC heel hoog. Toen werd factor-V-Leiden, gerelateerd aan een stollingsziekte, ontdekt en stond Leiden bovenaan. Nu zijn sars en vogelpest belangrijk en zie je de groep van Osterhaus in Rotterdam omhoogvliegen.''

We weten dát er wordt onderzocht, met uitstekende resultaten. Maar hebben de besturen van de UMC's invloed op wát er wordt onderzocht?

,,Het interessante aan UMC's is dat het onderzoek is gekoppeld aan de zeer gespecialiseerde patiëntenzorg. Er komen dus patiënten met bijzondere ziekten.Patiënten met één bijzondere ziekte gaan vaak naar een van de universitaire ziekenhuizen. Wij als bestuurders hebben enige invloed door ervoor te zorgen dat die patiënten hier ook kunnen komen, hoewel dat financieel voor een instelling vaak helemaal niet aantrekkelijk is.''

De UMC-besturen constateren in hun vandaag uitgebrachte nota ,,een evident gebrek aan eindverantwoordelijkheid'' bij de opleidingen tot medisch specialist. De discussies over de aantallen op te leiden specialisten en over de vraag wat ze moeten kunnen, zijn ,,langdurig en hebben een onvoorspelbaar karakter''. Zitten we straks zonder de goede specialisten?

,,Nee. De afgelopen vier jaar is dat bestuurlijk wel in orde gekomen. Maar de opleiding gaat wel veranderen. Het gildensysteem, waarin je je opleiding krijgt door mee te lopen met de opleider en veel patiëntenzorg te doen, is eigenlijk niet meer van deze tijd. Je hebt skills labs waar je een heleboel kunt leren voordat je dat op een patiënt toepast. Er komen eisen ten aanzien van medisch-ethische zaken, van managementstaken. Die hoeft een medisch specialist niet al doende te leren. Daar kun je beter cursussen voor organiseren. Dat betekent dat de specialisten in opleiding wat minder beschikbaar zijn voor patiëntenzorg en voor nacht- en weekenddiensten.''

In de nota staat ook dat de ,,arts in de toekomst niet meer steeds moet doen wat hij altijd heeft gedaan''.

,,Er zijn al veel plaatsen waar ervaren verpleegkundigen de poliklinieken voor chronisch zieken draaien. Ook in de huisartspraktijk komen er steeds meer praktijkassistentes. De arts moet doen waar hij voor is opgeleid. In het begin van het traject is dat de diagnose, de triage. Dat is het moeilijkste deel: de beoordeling wat er met een klacht moet gebeuren en wie er moet behandelen.''

Bij de nieuwe huisartsenposten die net overal zijn ontstaan is de triage echter in handen van verpleegkundigen in call centers.

,,Dat is een grote zorg. De triage is het allermoeilijkste. Dat zou je niet aan een niet-arts moeten overlaten. Als de diagnose eenmaal is gesteld volgen er veel routinehandelingen. Daar kan de arts het overlaten aan gespecialiseerde verpleegkundigen. Aan de andere kant heb je de complexe patiënt, of de patiënt die niet reageert op de gebruikelijke behandeling. Daar is de arts ook weer nodig. Ik denk dat een dergelijke rationalisatie door zal zetten. Daar is ook een grens aan. De meeste patiënten willen een dokter zien.''

    • Wim Köhler