Gijzeling van journalisten verbroedert Frankrijk

De twee Franse journalisten die in Irak gegijzeld zijn hebben de Fransen verenigd rond de waarden van de Republiek. Moslims gaan nu zij aan zij met politici.

Op zaterdag 28 augustus waren de twee in Irak ontvoerde Franse journalisten Christian Chesnot en Georges Malbrunot al acht dagen spoorloos. Het waren acht dagen zonder noemenswaardige interesse voor hun lot. Zelfs hun hoofdredacteuren leken zich geen al te grote zorgen te maken. Ze verklaarden hen ,,zonder enige twijfel in leven'' en eentje opperde dat hun eventuele ontvoerders wellicht een vergissing hadden begaan. Misschien was hun ontgaan dat het Fransen zijn, zo zei hij.

De suggestie was duidelijk: anders dan de Italiaanse journalist die op 26 augustus werd vermoord, zijn Franse staatsburgers vanzelfsprekend veilig in Irak. Geen land immers dat zich zo fel heeft verzet tegen het Amerikaanse militaire ingrijpen in Irak als Frankrijk. Bovendien heeft het land geen troepen in Irak, zoals Italië.

De illusie werd vorige week zaterdag, rond kwart voor negen 's avonds, wreed verstoord. De Arabische zender Al-Jazira meldde de ontvoering van beide journalisten. Een losprijs bleek ook ten aanzien van Frankrijk te bedenken. Binnen achtenveertig uur diende de dit voorjaar aangenomen wet die het dragen van hoofddoeken op openbare scholen verbiedt te worden ingetrokken.

Even bleef het nog stil, om precies te zijn tot tien voor elf. Toen werd alarm geslagen – door niemand anders dan Dalil Boubakeur, voorzitter van de landelijke Moslimraad en rector van de Grote Moskee van Parijs. Hij sprak onverbloemd van `chantage', van `de ernst van een hoogst urgente situatie'. Hij bad God dat de levens van de journalisten `met inzet van alle middelen' behouden zouden blijven. Uitgerekend de leider van een gemeenschap die ook in Frankrijk moeilijk haar plaats kan vinden schudde het land wakker. Het is na de sussende houding die Boubakeur steeds heeft aangenomen ten aanzien van de hoofddoekwet een nieuw bewijs dat de grote moeite die de Franse regering zich heeft getroost om de Moslimraad tot stand te brengen loont. Boubakeur is kind aan huis geworden in het presidentiële Elysée, hij deelt dezelfde, statelijke, belangen.

Een half uur na zijn emotionele verklaring kwam Buitenlandse Zaken met een nog formeel verwoorde oproep tot vrijlating van de gegijzelden. De volgende ochtend: eerste crisisoverleg bij premier Raffarin. Rond twaalf uur: een vlammende oproep van minister van Binnenlandse Zaken Dominique de Villepin, omringd door leden van weer de Moslimraad. De woorden `waarden van de Republiek' vallen. Kort daarop: een communiqué van de omstreden islamitische intellectueel Tariq Ramadan, verklaard tegenstander van de wet op de hoofddoek. Hij spreekt over ,,weerzinwekkende chantage''.

Zondag om half zeven is het de beurt aan president Jacques Chirac. Hij spreekt plechtige woorden, te plechtig bijna, gezien zijn stilzwijgen tot dan toe. Behalve de levens van twee landgenoten, zo zegt ook hij, lopen ,,de waarden van onze Republiek'' gevaar. ,,Heel het volk'' van ,,de haven van tolerantie'' die Frankrijk is, heeft zich wegens die waarden verenigd. Het buitenland, en met name Amerika en Irak, verliest de president evenmin uit het oog: ,,Deze waarden hebben ook het Franse beleid in Irak bepaald.'' Ook de pluim vergeet het staatshoofd niet: ,,Ik neem met grote vreugde kennis van de reactie van [...] de moslims van Frankrijk, die het opnemen voor [...] principes die zij delen met al hun medeburgers.''

De toon is gezet, het startschot gegeven. Fransen zijn dol op verbroedering op basis van de Republikeinse waarden en op verwijzingen naar het land van de mensenrechten. De sfeer die in één dag ontstaat herinnert aan die van april 2002, toen de extreem-rechtse leider Jean-Marie Le Pen doordrong tot de laatste ronde van de presidentsverkiezingen. En aan die van de natiebrede protesten tegen de oorlog in Irak. Het zijn de momenten waarop de tot dan a-politieke moslims hebben leren demonstreren. Hun betrokkenheid nu is bijna normaal.

Omgekeerd geldt hetzelfde: gisteren namen minister De Villepin en de Parijse burgemeester Delanoë samen met familieleden van de ontvoerden deel aan een gebedsdienst in de Moskee van Parijs. Geen vanzelfsprekendheid in een land waarin de scheiding van kerk en staat ongeveer heilig is. De politiek voedt de solidariteit welbewust. Delanoë heeft reusachtige portretten van de ontvoerden aan de gevel van zijn stadhuis laten aanbrengen. Boubakeur laat evenmin af: hij zou vandaag twee delegaties naar Irak sturen.

L'heure est grave: de toestand is ernstig. De Franse televisie wijst niet zonder trots, op het ,,ongekend succesvolle offensief'' van Frankrijk in het buitenland. De Franse diplomatieke dienst, na die van de VS de grootste ter wereld, draait op volle toeren. Onderministers, hoge functionarissen, gepensioneerde generaals met successen in de bestrijding van islamitische terreur – ze zijn vanaf zondag in groten getale naar de betrokken hoofdsteden uitgezonden. Contacten leggen, druk uitoefenen, herinneren aan de traditioneel pro-Arabische Franse politiek – dat is hun opdracht.

En inderdaad: de lijst van Arabische en geestelijke leiders die zich zowel tegen de ontvoering als de inzet hebben uitgesproken, groeide alleen al op maandag met het uur. De verklaringen hielden gelijke tred met de missie in `de regio', waaraan minister van Buitenlandse Zaken Michel Barnier op last van president Chirac in de nacht van zondag op maandag begon. Wie de chronologie van elkaar snel opvolgende verklaringen in ogenschouw neemt, ontwaart een domino-effect. De één na de ander – en niet de gematigdste – is `om' gegaan: Hamas, Hezbollah, Arafat, de radicale Egyptische Moslimbroeders, hun Marokkaanse evenknie, de Verenigde Arabische Emiraten, Libanon, Saoedie-Arabië. Zelfs het in Qatar gevestigde Al-Jazira dat bij het bekendmaken van de eis nog toevoegde dat de hoofddoekwet `een onrecht' is en `geweld tegen het moslimgeloof', eiste maandagmiddag `de onmiddellijke vrijlating' van de gegijzelden. Het is de eerste keer dat de zender een ontvoering – waarvan er inmiddels meer dan honderdzestig hebben plaatsgehad – expliciet en formeel veroordeelt.

Opvallend aan de afwijzende verklaringen van de islamitische leiders – veel ondubbelzinniger dan die over de aanslagen van 11 september ooit geweest zijn – is de nadruk die erin gelegd wordt op de vreedzame, op harmonie gerichte inhoud van de islam. Het lijkt erop dat onder druk van Frankrijk het wapen van de extremisten – de islam – tegen henzelf wordt ingezet. Bijna terloops, alsof het om een bijproduct gaat, lijken de Fransen Amerika te willen tonen hoe het ook kan: de botsing der beschavingen voorkomen en terrorisme bestrijden.