Socialisten worstelen met zichzelf

De leiding van de Hongaarse socialistische partij heeft zich onzacht ontdaan van premier Medgyessy. Maar ze verkeek zich lelijk op de nasleep van de ingreep.

Of Ferenc Gyurcsány nu premier van Hongarije is of niet, is niet helemaal duidelijk. Formeel is hij het niet: volgens de regels treedt hij op 27 september aan, precies 30 dagen nadat premier Péter Medgyessy bij de Hongaarse president zijn ontslag aanbood. Maar omdat Medgyessy niet bereid was waarnemend premier te blijven, is zijn toekomstige opvolger de facto wel degelijk regeringsleider, opererend vanuit zijn ministerie van Sport.

Zijn aantreden verdient bepaald geen schoonheidsprijs. Medgyessy was geenszins van plan op te stappen, maar werd ten val gebracht door de partij die hem op zijn stoel had gezet, de regerende socialistische MSZP. Hij wilde twee weken geleden zijn kabinet wijzigen en ontsloeg zowel zijn criticus Gyurcsány, minister van Jeugd en Sport, als minister van Economie Csillag, lid van de Vrije Democraten (SZDSZ), de kleine liberale coalitiepartner van de socialisten. Toen de SZDSZ dreigde het vertrouwen in Medgyessy op te zeggen, dreigde deze terug: hij zou aftreden als de liberalen hem niet meer vertrouwden. Tot zijn verbijstering werd het dreigement prompt gekaapt door zijn eigen socialisten: hoewel niet zij, maar de liberalen door Medgyessy waren aangesproken, waren zij het die lieten weten dat ze de `ontslagaanvraag' van de premier accepteerden. Exit Medgyessy.

Het partijbestuur van de MSZP hield Medgyessy – oncharismatisch en zelfs saai, maar internationaal wel gerespecteerd – verantwoordelijk voor het echec van de partij bij de Europese verkiezingen van juni, voor de nog slechtere cijfers in de opiniepeilingen en voor de sociale onvrede. Barbertje moest hangen en hangen deed hij: hij sprak verbitterd van een `coup' en klaagde over ,,de vulgaire stijl en de rancune'' die het openbare leven in Hongarije kenmerken.

Maar ook het partijbestuur van de MSZP verkeek zich. Het schoof Péter Kiss naar voren als beoogd opvolger van de premier. Kiss, ooit leider van de jeugdorganisatie van de communistische partij en kabinetschef van Medgyessy, moest in de twee jaar tot de volgende verkiezingen het roer keren en het imago van de socialisten opvijzelen.

De neergang van de socialisten begon toen een jaar geleden minister van Sociale Zaken Judit Csehák opstapte en de MSZP haar sociale gezicht verloor. Dat ontslag gaf de MSZP het imago van een volkspartij die haar sociale beleid had ingeruild voor een hard economisch hervormings- en bezuinigingsbeleid – dit tot tevredenheid van bankiers, investeerders en de economische elite, maar tot ongenoegen van de miljoenen Hongaren die hun levensstandaard niet zien stijgen. Belangrijkste doel van dat `harde' beleid is Hongarije klaar te stomen voor toetreding tot de eurozone, in 2010. Nu is het land daar nog lang niet klaar voor, al was het maar omdat het begrotingstekort twee keer zo groot is als toegestaan in de eurozone.

Maar het partijbestuur misrekende zich ook, want nauwelijk had ze Péter Kiss naar voren geschoven, of de door Medgyessy ontslagen Ferenc Gyurcsány meldde zich als tegenkandidaat. Kiss had de voorkeur van het partijbestuur, maar Gyurcsány kreeg steun uit de provincie. Hij versloeg Kiss op het buitengewone partijcongres waarop Medgyessy's opvolger werd gekozen. Niet met grote voorsprong – maar dat illustreert alleen maar de crisis in de partij.

Zoals de verslagen Péter Kiss – even kundig en even saai als Medgyessy – het volksnahe en sociale gezicht van de MSZP en de traditionele socialistische waarden moest vertegenwoordigen, zo vertegenwoordigt Gyurcsány het gezicht van de hervormingen – voorzichtig, maar hard. Zijn bewonderaars noemen hem charismatisch, zelfbewust en daadkrachtig, vastberaden, energiek, een goede spreker en communicator, dynamisch, wilskrachtig – een vechter. Zijn vijanden noemen hem overambitieus, gehaaid en corrupt, een parvenu en een saloncommunist die over lijken gaat. De `socialistische Orbán', wordt hij wel genoemd, de linkse variant van de rechtse oppositieleider en ex-premier Viktor Orbán, Hongarije's opvallendste politicus. Gyurcsány, van huis uit eerst onderwijzer en later econoom, is net als Kiss afkomstig uit de jeugdbeweging van de vroegere communistische partij, maar koos na de val van het socialisme voor een carrière in het zakenleven, en slaagde met vlag en wimpel – mede door zijn huwelijk met een telg uit de Apró-dynastie, een familie met uitgebreide connecties binnen de vroegere communistische partij. Hij werd in de jaren negentig miljonair als directeur van het investeringsbedrijf Altus, dat staatsbedrijven opkocht, saneerde en doorverkocht en behoort met een geschat vermogen van veertien miljoen dollar tot de groep van honderd rijkste Hongaren. Twee jaar geleden haalde Medgyessy hem als adviseur terug in de politiek. Vorig jaar werd hij minister van Jeugd en Sport. In beide functies heeft Gyurcsány alles gedaan om naar buiten toe duidelijk te maken dat hij het beter kan dan Medgyessy.

Als hij zijn zin krijgt, komt het accent nog duidelijker te liggen bij hervormingen, een strak fiscaal en monetair beleid, het terugdringen van het begrotingstekort en economische groei. Maar Gyurcsány kan het sociale beleid niet negeren – de sociale ontevredenheid is zeer groot, en over twee jaar gaan de Hongaren weer naar de stembus. Bovendien moet hij de socialistische partij weer verenigen. En die is diep verdeeld, over de te volgen koers én over de manier waarop Gyurcsány Péter Kiss het premierschap heeft ontfutseld.