Schnabbelen per BV

Een al wat ouder vraagstuk is weer actueel. Mogen journalisten bijklussen? Moet het zogeheten `schnabbelen' voor hen niet taboe zijn, zeker wanneer dat min of meer heimelijk gebeurt en/of tot een rollen- of belangenconflict (kan) voeren? Of moet enig bijklussen ook voor journalisten mogelijk zijn, maar met open vizier en op voorwaarden die de geloofwaardigheid van zowel de journalist als zijn medium beschermen? De tweede opvatting heeft de meeste aanhangers: het is verdedigbaar dat journalisten hun kennis en vaardigheden tegen betaling (soms) ook aan anderen dan hun vaste werkgever beschikbaar stellen. Maar af en toe hoor je journalisten nogal typische argumenten voor die opvatting noemen. Bijvoorbeeld dat de kwaliteit van hun netwerk zo gediend is met schnabbelen. Alsook de breedte of de diepte van hun zicht op de dingen. Zodat, als je maar wat verder wilt doordenken, zelfs hun vaste werkgever er misschien op den duur indirect baat bij heeft. Zoals dezer dagen wel te horen is uit het weer even in de schijnwerper geraakte schnabbelfront.

Beeldschoon argument, dat laatste. Je ziet zo'n journalist hevig klussend hevig werken aan zichzelf, als het ware aan zijn voortgaande kwaliteitsverbetering. De neveninkomsten zijn dan bijna een bijkomstigheid geworden, je pakt wat geld aan, omdat dat nu eenmaal de gewoonte is. Het is maar hoe je dat bekijkt. `Lust ge nog een peul? zeggen ze bij ons in Schin op Geul', zong Wim Sonnevelds vrolijk-wijze frater Venantius ooit. Namens het toen nog rijke roomse leven, waar men wel weet had van zulke dingen, zou je kunnen zeggen.

Het is nog niet zolang geleden, zeg een jaar of dertig tot veertig, dat de salarissen en pensioenvoorzieningen van journalisten aan de magere kant waren. Het ging, mede door het toentertijd grote aantal kranten – vaak aangeprezen als een blijk van mooie pluriformiteit – economisch niet zo goed in de bedrijfstak. Die bedrijfstak was nog behoorlijk verzuild, wat mede betekende dat het areaal voor bijklussen veelal beperkt bleef tot de `eigen zuil'. Uitgevers konden bovendien via de CAO nog hun voordeel doen met het geromantiseerde beeld van de journalist. Dat was in veel gevallen iemand uit het jongensboek `met God in het hart en niemands knecht'. Iemand in een lange regenjas en een sigaret in de mondhoek die spannend werk deed, die eerder een roeping dan een beroep had en voor die kostelijke privileges best een financieel offer mocht brengen. Mijn toenmalige hoofdredacteur placht verzoeken om salarisverhoging destijds met verwijzingen naar die privileges af te wijzen. Mijn toenmalige chef ter sportredactie, die bij de oude NRC uiteraard geen chef mocht heten, reageerde op zulke verzoeken met het advies om maar wat te gaan schnabbelen. Maar ja, de sportredactie bestond toen uit twee man, en er moest natuurlijk dagelijks iemand aanwezig zijn. En omdat die chef zelf stevig schnabbelde, bleef zijn raad dus academisch. De salarissen werden nog in papieren zakjes met contante inhoud verstrekt. Ik had een machtiging het zakje van mijn chef aan te nemen, wat ik, onderweg boos monologiserend over het schnabbelwezen, van Rotterdam naar Den Haag bracht, waar we beiden woonden. Te vrezen valt dat ik aan mijn bijna feitelijke onmogelijkheid tot schnabbelen indertijd soms de waarde van een beginsel heb gegeven. Iets om te onthouden.

Hoe dat zij, even later, toen Nederland in snel tempo ging ontzuilen, en vele emanciperende journalisten hun persoonlijke bevrijding vierden in een rap vernieuwde engagementspositie, had toenmalig VVD-voorzitter Haja van Someren-Downer een simpele verklaring voor hun nieuwe linksigheid. Die mensen verdienen weinig, en daarom zijn zij vaak links, sprak ze. Vrij naar de Duitse filosoof Feuerbach: Der Mensch ist was er isst.

Nadien is er in elke Nederlandse huiskamer een tv-toestel gekomen en kwamen er ook veel meer, deels commerciële, tv-stations. En in bijna elk gedrukt medium verschenen meer artikelen onder naam. En dus werden, nog wat later, heel wat journalisten sneller beroemd in Nederland, dat economisch trouwens ook steeds welvarender raakte. Annex daaraan begon de politiek-bestuurlijke advisering aan het bedrijfsleven, door oud-politici en journalisten, een nieuwe hoge vlucht te nemen. Ook ministeries raakten ermee vertrouwd, al dan niet omdat zij plafonds in hun personeelsbestand moesten aanvaarden, dat zij organisatorische en pr-activiteiten vaak aan particuliere adviesbureaus moesten uitbesteden. In een qua wetgeving en politieke gewoonten ingewikkelder wordende omgeving werden journalisten gewaardeerde, en verhoudingsgewijs niet eens zo dure, adviseurs. De privatisering of verzelfstandiging van allerlei overheidsdiensten voerde tegelijkertijd, zie het voorbeeld van de op afstand van de ministeriële verantwoordelijkheid werkzame uitkeringsorganisatie UVW, hier en daar soms tot een nogal ongedachte budgettaire zorgeloosheid. Kortom: vooral terwijl Paars met een aardig neoliberale koers regeerde (1994-2002) groeide de journalistieke schnabbelmarkt als kool door deze en dergelijke ontwikkelingen, kwalitatief en kwantitatief. De sinds de jaren '80 om financiële of ideologische redenen verder `wijkende overheid' liet zo een gat vallen waarmee elders aardig wat te verdienen viel.

Een kleine veertig jaar geleden raakte het al enigszins ontzuilende Nederland in opschudding, toen bekend werd dat niet alleen de politici Schmelzer (KVP) en Roolvink (ARP) maar ook de Elsevier-journalist Ferry Hoogendijk tegen betaling vertrouwelijk het olieconcern Gulf adviseerde. Dat is lang geleden, het lijkt zelfs een eeuwigheid geleden. Nederland is veranderd, zijn medialandschap ook. Nogal wat journalisten hebben naast een CAO een eigen BV. Of zelfs enkele BV's, om hun beroemdheid fiscaal dragelijk te houden.