Minderwaardige en lafhartige kritiek 6

De column van Anil Ramdas over Ayaan Hirsi Ali heeft bij mij tenslotte slechts één beeld nagelaten van de heer Ramdas: dat van een gefrusteerde man, die het niet kan verkroppen dat Hirsi Ali zoveel media-aandacht krijgt. Hij zet haar neer als een publiciteitsgeil wicht en een ieder die met haar te maken krijgt, of het nu journaliste Jutta Chorus of regisseur Theo van Gogh is, wordt zo mogelijk als nog dommer afgeschilderd. Hij suggereert dat er sprake is van een goed in elkaar gezette mediacampagne, dat Hirsi Ali bedreigingen van moslims niet vervelend vindt, haar beveiliging als een verdienste beschouwt, Jutta Chorus journalistieke gelden verspilt en ga zo maar door. Dit op de man spelen is te kinderachtig voor woorden.

Hirsi Ali is op dit ogenblik de enige die de positie van moslimvrouwen aan de kaak stelt. Dat is de zaak waar ze voor staat. Daarbij stelt zij zich vaak kwetsbaar op. Dat vind ik van moed getuigen. Als politica zoekt ze de publiciteit, maar dat is onlosmakelijk verbonden met haar vak.

In wat voor maatschappij leven wij eigenlijk waarin vrouwen (mijn zwaar gesluierde buurvrouw, bijvoorbeeld) uitsluitend in gezelschap van hun man hun huis mogen verlaten? Dat is toch een onverdraaglijke beperking van iemands vrijheid als individu? Moet ik daar begrip voor opbrengen onder het mom van `tolerantie en respect voor andere culturen'? Nee, wat mij betreft mag Ayaan Hirsi Ali blijven schoppen. En hard ook. Net zo lang tot het slaan ophoudt.