Kiezer moet direct oordelen over Grondwet

Een aparte grondwetgevende Kamer moet een grondwetsherziening beoordelen, meent O.L.E. Jongmans.

Het kabinet heeft gekozen voor een nieuw kiesstelsel. Dat vergt een wijziging van de Grondwet en het zou goed zijn om ook de huidige praktijk van grondwetsherziening eens onder de loep te nemen. Artikel 137 van de Grondwet schrijft voor dat nadat besloten is tot wijziging van de Grondwet, de Tweede Kamer wordt ontbonden en herverkozen, waarna de herziening met een tweederde meerderheid kan worden vastgesteld in een verenigde vergadering met de Eerste Kamer. De bepaling omtrent ontbinding en herverkiezing staat van oudsher in de Grondwet en heeft als achtergrond dat de kiezer zich uitdrukkelijk over de wijziging kan uitspreken.

Maar in de praktijk is hierbij een misbruik ingeslopen: na een eerste lezing van de grondwetsherziening wordt de Kamer niet ontbonden, maar wordt de grondwetsherziening `op de plank gelegd', totdat er om andere redenen verkiezingen plaatsvinden: de reguliere algemene verkiezingen of omdat er een kabinetscrisis is uitgebroken. Resultaat is echter dat de kiezer zich niet meer specifiek kan uitspreken over de grondwetsherziening. Hij krijgt zeer uitgebreide programma's voorgelegd, en dikwijls wordt in de verkiezingscampagne de tweede lezing van de voorgenomen grondwetsherziening niet eens genoemd. De verkiezingen gaan over bijna alles, behalve over de Grondwet. Bovendien kan een desondanks goed geïnformeerde kiezer in een spagaat terechtkomen wanneer het standpunt over de grondwetsherziening van een bepaalde partij hem aanstaat, maar hun programma niet en vice versa.

Ik noem als voorbeeld de kleine christelijke partijen die dikwijls een staatsrechtelijk zeer zuiver standpunt hebben, maar vrouwen uit de politiek willen weren. Wat te doen? Je standpunt over de Grondwet verloochenen of een `verkeerde' partij voor vier jaar in het zadel helpen?

Een treurig dieptepunt in deze praktijk werd bereikt toen een eerste lezing van een grondwetsherziening van vóór de verkiezingen van mei 2002 op de plank bleef liggen tot ná de verkiezingen van januari 2003. Welke van de twee verkiezingen was nu het oordeel van de kiezer over de voorgenomen grondwetsherziening?

Er is een oplossing. Na de eerste lezing wordt de Tweede Kamer niet ontbonden maar er wordt, daarnaast, een aparte grondwetgevende Kamer gekozen voor maar één doel: de tweede lezing van die bepaalde herziening. Leden kunnen van beide Kamers lid zijn; het gaat immers om stemverhoudingen op dat ene punt, niet om de poppetjes. Daarna wordt die Kamer weer ontbonden. Voordelen: de kiezer kan zich rechtstreeks en uitsluitend uitspreken over de Grondwet, zonder allerlei ongewenste ballast van verkiezingsprogramma's en actualiteit.

Anderzijds kan een uitgebreide discussie en besluitvorming plaatsvinden in een daartoe geeigend orgaan, wat bij een referendum niet kan. Hierdoor zouden we daadwerkelijk terugkeren naar wat bedoeld was als een unicum in ons staatsrecht: een zeer directe invloed van de kiezer. Dit is mijns inziens een ideale constructie, ook om eens te kijken hoe we verder gaan met het vraagstuk van de betrokkenheid van de kiezer, de `terugfluitbaarheid' van de politiek en de daarmee samenhangende (on)wenselijkheid van referenda. Wellicht zelfs kan het de vervreemding tussen de kiezer en de officiële politiek helpen terugdringen.

O.L.E. Jongmans is vm. juridisch beleidsmedewerker van de Hoofddirectie van de Waterstaat, oud-gemeenteraadslid en oud-wethouder.