Florence

Een medicijnenstudente doet onder pseudoniem verslag van haar stage. Vandaag over de thuiszorg.

Elke zaterdagochtend om 7 uur vervloek ik mijn bijbaan. Maar stiekem weet ik heel goed waarom ik er niet mee wil stoppen. In het ziekenhuis loop ik vijf dagen in de week mee, maar vooral: in de weg. Ik kijk, luister, leer en parasiteer. Bij de Thuiszorg kan ik ongestoord Florence Nightingale spelen.

Door de verlaten binnenstad fiets ik fluitend van bejaarde naar bejaarde. Verstopt in stoffige bovenwoninkjes, boven roze ramen of hippe cafés, wachten ze geduldig. Ik trek kousen aan, help hen met douchen en verschoon luiers. In ruil daarvoor vertellen ze me hun verhalen: van artrose tot de euro, van eenzaamheid tot Get the picture.

Alleen mevrouw Piazzo vertelt niet. Zij is, zoals dat in vaktermen heet, een zorgmijder. Ze heeft een vreemde, maar overtuigde aversie tegen toiletten en luiers. Daarom staan er in haar huis twee emmers, waarin ze slechts bij uitzondering weet raak te mikken. Ze hoort eigenlijk in een verzorgingshuis, maar weigert pertinent. Na een lange procedure heeft de Thuiszorg een sleutel van haar huis afgedwongen. Sindsdien komt er driemaal daags iemand langs om haar te verschonen. Helaas wordt ze van het woord alleen al kwaad. Je mag van haar hoogstens de emmers legen, urine en diarree van de vloer dweilen en koffie maken.

Mevrouw Piazzo is mijn uitdaging van de zaterdagochtend. Ik heb de afgelopen drie jaar aardig wat ervaring opgedaan met `non-coöperatieve cliënten'. Zodoende heb ik drie strategieën ontwikkeld, waarmee ik elke bejaarde gewassen en verschoond krijg. De eerste aanpak `paaien en onderhandelen' faalt direct bij mevrouw Piazzo: ,,Zal ik u even snel verschonen, drinken we daarna koffie?'' Ze gromt haar standaardantwoord: ,,Ben schoon, wil koffie.'' Ik hou vol: ,,Ah, kom, anders ben ik hier ook voor niets, zo gebeurd, dan zeur ik niet meer, krijgt u ook een sigaret.'' Ze gromt harder en beëindigt het gesprek.

Strategie twee, `beargumenteren' werkt al net zo slecht: ,,Ik verschoon u even. Dat is écht nodig.'' Mevrouw Piazzo gromt haar standaardantwoord. Ik blijf vriendelijk: ,,Schoon? Dat is prima. Laat me dan even een blik werpen. Als u schoon bent doe ik niets.'' Maar ze is niet vatbaar voor argumenten. Geërgerd fixeert ze zich in haar stoel en snauwt ,,koffie!''

De derde strategie, `overdonderen', is de enige met kans op succes bij mevrouw Piazzo. Muisstil sluip ik het huis in, vul een emmer water, en leg washand, handdoek en luier klaar in de gang. Dan stap ik de woonkamer in, doe of ik schrik van haar broek en de vloer vol diarree en brul: ,,Gatverdamme, u bent volledig ondergekakt!'' Als ik dat overtuigend genoeg doe, is ze even helemaal van de kaart. En dat is net lang genoeg om haar uit haar stoel te sjorren en de doorweekte joggingbroek naar beneden te trekken.

,,Blijf staan! Overal zit stront!'' beveel ik, terwijl ik de emmer sop de kamer in sleep. Vliegensvlug schrob ik de aangekoekte diarree van haar achterste en hijs haar in een stel schone kleren. Als ik snel genoeg ben, komt ze dan pas bij zinnen en zakt beduusd terug in haar stoel.

Bovenstaande tactiek is helaas behoorlijk riskant. Want als je iets te langzaam bent, of net niet overdonderend genoeg, krijg je zonder pardon een dreun voor je hoofd, begeleid door een authentiek Italiaanse scheldpartij.

Gelukkig worden deze missers ruimschoots gecompenseerd door de succesmomenten. Want mevrouw Piazzo kent geen wrok. Eenmaal schoon en droog, lurkt ze tevreden aan haar sigaret. En ik voel me dan genoeg Florence om weer een week te parasiteren in het ziekenhuis.

De beschreven gebeurtenissen hebben echt plaatsgevonden, de namen zijn gefingeerd.