Bush moet Amerika een toekomst bieden

Amerikanen hebben geen idee wat hun president met Irak van plan is. Op de Republikeinse conventie deze week moet hij duidelijkheid verschaffen, meent David Ignatius.

In het militaire fitnesscentrum in de Groene Zone in Bagdad, waar de Amerikaanse troepen zich in hun vrije tijd ontspannen, hingen vorige maand achter de balie bij de ingang drie posters. De eerste was die van `De persoon van het jaar' van het tijdschrift Time, met de trotse gezichten van drie Amerikaanse soldaten, de tweede een archetypische foto van Muhammad Ali die uitrijst boven een verslagen tegenstander, en de derde, de grootste, was een foto van de twee torens van het Wereldhandelscentrum.

In de eetzaal van het Paleis van de Republiek, die als kantine dienst doet, staan de Twin Towers afgebeeld op de achtergrond van een grote muurschildering. Rond de torens staan de emblemen van de vier krijgsmachtonderdelen, en om de connectie tussen 11/9 en Irak nog te versterken, bevat de muurschildering ook de emblemen van de New-Yorkse politie en brandweer. Onder de torens staan de woorden: ,,Dank aan God voor de coalitietroepen en vrijheidsstrijders in binnen- en buitenland.''

Ik denk dat als je het de Amerikaanse militairen in Irak vroeg, zij zouden zeggen dat dit is waar zij voor strijden: om 11/9 te wreken en de terroristen die ervoor verantwoordelijk waren te verslaan. De omschrijving van Irak als een slagveld in de oorlog tegen het terrorisme is dikwijls door president Bush herhaald – zo vaak zelfs, dat zij een eigen leven en logica heeft gekregen.

De meeste militairen die in de schaduw van 11/9 met gewichten trainen, zouden niet twijfelen aan uitspraken van de president en de vice-president dat er voor de oorlog connecties waren tussen Al-Qaeda en Saddam Hussein. Toch heeft de 11/9-commissie vorige maand, na zorgvuldig onderzoek, geconcludeerd dat zij geen grondslag voor die beweringen heeft gevonden. Maar niemand heeft dat de soldaten verteld.

De Republikeinse conventie, deze week in New York, zal de banden tussen het land en de gebeurtenissen van 11 september versterken. Drie jaar na die verschrikkelijke dag worden wij aan alle kanten herinnerd aan de oorlog tegen het islamitische extremisme – in Irak, in Afghanistan, op onze luchthavens en op straat. Wie dezer dagen naar Washington rijdt, wordt op de snelweg verwelkomd door reusachtige elektronische borden met de onheilspellende waarschuwing: ,,Meld verdacht gedrag.''

President Bush, die zijn identiteit heeft gebaseerd op zijn rol als `oorlogspresident', heeft deze week een bijzondere verantwoordelijkheid: hij moet uitleggen hoe de oorlog verloopt, en welke strategie hij zal volgen als hij wordt herkozen. Zijn rivaal, John Kerry, is het land dezelfde opheldering van zaken verschuldigd.

Het dilemma waarvoor Amerika thans in Irak staat – en dat zo evident is dat het maar zelden wordt uitgesproken – is dat de oorlog die het terrorisme had moeten beteugelen, juist meer terrorisme veroorzaakt. Het merendeel van die nieuwe terreur vindt plaats in Irak zelf, dat het uitgangspunt van de strijd tegen het terrorisme had moeten worden, maar het in plaats daarvan als een magneet aantrekt.

Een schokkende karakteristiek van de heksenketel Irak was afgelopen zondag in de The New York Times te lezen in een artikel over de Taliban-achtige soennitische fundamentalisten die nu in westelijk Irak de dienst uitmaken.

Wanneer fatsoenlijke Irakezen proberen met de Amerikanen samen te werken in de strijd tegen deze opstandelingen, kan hun overkomen wat de plaatselijke bevelhebber van de Iraakse Nationale Garde overkwam: zijn hoofd werd afgezaagd.

De regering is zo verstandig te zoeken naar Iraakse oplossingen, die echter jammer genoeg geen kant-en-klare of heldere antwoorden verschaffen. Zoals zo vaak in de Arabische wereld komt er nooit een definitieve oplossing – het besluit wordt alleen maar uitgesteld. De veldslag om Najaf, die drie weken heeft geduurd, is het jongste voorbeeld. Dat leek een beslissend treffen tussen de opstandige militie van Muqtada Sadr en de door de VS gesteunde interim-regering. Maar vorige week, net toen de Amerikaanse en Iraakse strijdkrachten op het punt stonden een beslissende overwinning te behalen, die de interim-regering een geweldige steun in de rug zou hebben gegeven, werd een Iraakse oplossing gevonden. De shi'itische groot-ayatollah Ali Sistani regelde een overeenkomst waarbij geen duidelijke overwinnaars of verliezers vallen aan te wijzen.

Wat is de regering-Bush van plan te doen in een tweede ambtstermijn? Zullen de Verenigde Staten hun inzet in Irak verdubbelen en nogmaals een bloedige oorlog voeren om het land te pacificeren, of zullen zij genoegen nemen met meer obscure maar pragmatische Iraakse oplossingen?

Zullen zij de oorlog tegen de islamitische militanten uitbreiden door dreigementen aan het adres van Iran en Syrië, of zullen zij proberen die landen als bondgenoten te werven om de stabiliteit in de regio te handhaven? Zullen zij een brede – soms anti-Amerikaanse – coalitie voor verandering in Irak en de Arabische wereld accepteren – breed genoeg om zelfs plaats te bieden aan iemand als Muqtada Sadr? Of zullen zij zich voor langere tijd verschansen met een meer beperkte groep bondgenoten?

Feitelijk hebben wij geen idee wat de regering-Bush van plan is. Op de achtergrond verrijzen de Twin Towers, een machtig symbool van eenheid en vastberadenheid. Maar waartoe?

Deze week moet Bush het land duidelijkheid verschaffen over wat ons te wachten staat. Dat is een oorlogspresident toch zeker verplicht.

David Ignatius is columnist

© Washington Post Writers Group.