Averij in de haven

Het Havenbedrijf Rotterdam heeft aanzienlijke averij opgelopen. De algemeen directeur moest gisteren per direct opstappen nadat hij zich zonder dat zijn collega's, de toezichthouders en de enige aandeelhouder daarvan op de hoogte waren, voor 100 miljoen euro garant had gesteld voor een noodlijdende onderneming waarvoor de banken nu hun zekerheden opeisen. Voor het als oerdegelijk bekend staande voormalige Gemeentelijk Havenbedrijf is dit een ongehoord financieel schandaal met een navenante reputatieschade. Rotterdam is 's werelds grootste haven. De leiding ervan staat nu nationaal en internationaal te kijk als financiële wanbeheerders. De ontslagen topman Willem Scholten doet na zijn verdienstelijke werk van de achterliggende jaren ineens denken aan een eveneens gesneefde voorman uit de Rotterdamse haven: Lodewijk Pincoffs, de reder-politicus uit de negentiende eeuw die door ongedekte kredieten zijn hand financieel overspeelde en uiteindelijk als frauduleus bankroetier naar Amerika moest vluchten.

Hoewel er nog veel vragen zijn in de zaak met de bankgaranties, is nu al duidelijk dat Scholten zijn boekje ver te buiten is gegaan. Eerder dit jaar liet hij zijn raad van commissarissen weten dat het Havenbedrijf zich voor 25 miljoen euro garant had gesteld voor de deels failliete boedel van het Rotterdamse defensieconcern RDM. Dat bedrag viel weliswaar binnen Scholtens mandaat, maar toen al hadden de alarmbellen moeten gaan rinkelen. Want waarom moest het Havenbedrijf zich garant stellen voor een private onderneming, nota bene een bedrijf waarmee het slecht ging? Zijn financiële zaken wikkelde Scholten af met de eigenaar van RDM, `bedrijvendokter' Joep van den Nieuwenhuyzen, een door zijn werkwijze niet onomstreden entrepreneur, die met de RDM onderzeeboottechnologie aan Taiwan hoopte te verkopen.

De commissarissen als professionele toezichthouders hadden op dat moment onraad moeten ruiken. Pijnlijk is dat de voorzitter van dit college havenwethouder Wim van Sluis is. Aan misleiding, als daarvan sprake is, kan hij weinig doen. Maar feit is wel dat Van Sluis (Leefbaar Rotterdam) politieke én inhoudelijke verantwoordelijkheid draagt. Het Havenbedrijf verkeert in de slotfase van een gecompliceerd verzelfstandigingsproces. De gemeente is nog steeds enig aandeelhouder. Het is onvermijdelijk en terecht dat opnieuw politieke vragen zullen worden gesteld over nut en noodzaak van de verzelfstandiging. Ook de vele miljoenen die in de tweede Maasvlakte moeten worden geïnvesteerd, komen in het kwalijke licht van dit boekhoudschandaal te staan. Dat is de consequentie van een daad van schijnbaar grote achteloosheid.

Ronduit opmerkelijk is het dat de havendirecteur zo lang ongecorrigeerd zijn gang kon gaan. Misschien met de beste bedoelingen, maar kennelijk zonder tegenspraak, kritiek of adequaat toezicht. Het past in de cultuur van een tijd die overspannen verwachtingen van leiders koestert. Topmanagers zijn niet zelden de gevangene van de cultus rond hun eigen persoon, blijven te lang in hun functie hangen en worden overmoedig of slordig. Rotterdam zit daardoor met deels ongedekte zekerheden opgescheept ter waarde van minstens 100 miljoen; voor een nuchtere stad in een zuinige tijd een beschamend besef.