We moeten solidair zijn met werklozen

Voortijdig stoppen met werken staat al zeker een jaar bovenaan de politieke agenda in Nederland. Wie meent dat het hier gaat om het bepalen van de juiste strategie en middelen om een sociaal drama van de eerste orde op te vangen – namelijk het op straat staan van honderdduizenden Nederlandse ex-werknemers – heeft het mis. Alle aandacht gaat uit naar zaken als `levensloopregelingen', `prepensioenregelingen' en het getouwtrek om de exacte `uittredingsleeftijd' (62,5 of 63 jaar). Belangrijke zaken, zeker in het licht van de vergrijzing en de betaalbaarheid van ons pensioenstelsel, maar tegelijkertijd zijn het luxeproblemen in de ogen van de werklozen, voor wie het voortijdig stoppen met werken in de afgelopen jaren een voldongen feit is geworden. Uitlatingen van politici en media in de trant van `voortijdig stoppen met werk moet mogelijk blijven', dan wel `rustig doorwerken tot 65 jaar' kunnen in hun ogen dan ook niet anders dan als misplaatst en cynisch worden betiteld.

Het CBS berichtte onlangs dat er momenteel ongeveer een half miljoen werkzoekenden zijn, oftewel 6,6% van de beroepsbevolking; in het afgelopen jaar zijn er 128.000 werklozen bijgekomen, oftewel de grootste stijging van de werkloosheid sinds 1982.

De cijfers van het CWI, het Centrum voor Werk en Inkomen zijn nog dramatischer: circa 714.000 werkzoekenden in maart, oftewel 9,5% niet werkende werkzoekenden (nieuwsflits CWI, april 2004). In april was er als gevolg van seizoenswerkgelegenheid in de horeca en landbouw weliswaar een lichte daling van de werkloosheid te constateren, maar van een kentering in de werkloosheid als gevolg van een aantrekkende economie is nog geen sprake.

Veelzeggend en verontrustend zijn ook de werkloosheidscijfers per leeftijdsgroep van het CWI. Deze cijfers wijzen weliswaar op een grote jeugdwerkloosheid (landelijk ruim 60.000 jongeren in de leeftijd tot 23 jaar), maar tevens op de enorme omvang van de werkloosheid onder de groep van 40 jaar en ouder (357.400 personen).

Gelukkig zijn er in Nederland tal van initiatieven die proberen werkzoekende jongeren te ondersteunen op weg naar werk of opleiding. Het besef dat men deze groep niet aan hun lot kan overlaten, lijkt wijdverbreid aanwezig. Zowel kabinet, werkgevers- en werknemersorganisaties als gemeenten en onderwijs bundelen hun krachten en zoeken stad en land af naar stageplaatsen, leerbanen etc. Het contrast van deze mobilisatie van krachten is echter groot als men dat vergelijkt met de geringe aandacht en initiatieven die de werkloze 40-plussers ondersteunen bij het vinden van werk. Onterecht en pijnlijk, zeker als men beseft dat het vaak mensen betreft met grote hypotheeklasten en studerende kinderen.

De gelatenheid waarmee vrijwel alle relevante partijen (inclusief de oppositiepartijen) en organisaties in ons land reageren op de enorme omvang van de werkloosheid (afgezien van de acties rond jeugdwerkloosheid) is opvallend. De reacties zijn in het algemeen plichtmatig en lijken weinig doordrongen van de ernst van de zaak; een sense of urgency ontbreekt, zodat er nauwelijks een discussie wordt gevoerd over de noodzaak van een gecoördineerd werkloosheidsbeleid, ondersteund door werkgevers, vakbonden en overheden. Een dergelijk urgentiegevoel was er wel in de crisisjaren tachtig en negentig, hetgeen leidde tot tal van creatieve initiatieven en een gezamenlijke aanpak.

Het gebrek aan urgentiebesef kan wellicht voor een deel worden verklaard door de naderende vergrijzing en de te verwachten uitstroom van babyboomers, met name na 2010. `Het probleem lost zich straks vanzelf wel op', zo lijkt de verraderlijke, comfortabele gedachte. Comfortabel, omdat men dan geen actie behoeft te ondernemen. Verraderlijk, omdat het nog maar de vraag is of de oudere werkloze (40 plus) die een paar jaar gefrustreerd aan de kant heeft gestaan, dan nog wel gemotiveerd en geschoold genoeg is om weer mee te kunnen spelen op de arbeidsmarkt.

De Nederlandse samenleving kan het zich niet veroorloven werkloosheid als een natuurverschijnsel te zien. De huidige groep ervaren, oudere werkzoekenden hebben we straks hard nodig. Natuurlijk is een heropleving van de (inter)nationale economie een belangrijke voorwaarde voor het herstel van de werkgelegenheid. Maar met name de Brabantse geschiedenis (denk aan de initiatieven en het arbeidsmarktbeleid begin jaren negentig tijdens de reorganisaties van Philips en DAF) leert dat er veel mogelijk is, mits het voorkomen van het `voortijdig stoppen' (en dan hebben we het dus niet over prepensioen) inderdaad op nummer één van de agenda staat. Bovendien kan het tonen van solidariteit met door werkloosheid getroffen medeburgers geen kwaad in ons land waar de individualisering zo sterk heeft toegeslagen.

Fred Aarten is senior adviseur bij PSW arbeidsmarktadvies in 's Hertogenbosch.