Sprookje onvoltooid voor Britse bokstiener Khan

Amir Khan (17) kon gisteren de jongste olympisch bokskampioen worden sinds Floyd Patterson in Helsinki (1952), maar verloor de finale op punten.

Het sprookje is bijna te mooi om waar te zijn. Een pas 17-jarige bokser, zoon van een Pakistaanse schroothandelaar uit Bolton, die in eigen land nog niet in de ring mag verschijnen voor een seniorengevecht, en bijna vanuit het niets doordringt tot de finale van het olympisch toernooi. Groot-Brittannië is trots, apetrots zelfs. Als de puber dát al kan, waarom dan maar niet meteen olympisch kampioen?

Het zindert zondagmiddag dan ook van de hoop in de Peristeri Olympic Hall, wanneer Amir Khan tegen kwart voor drie plaatselijke tijd de bokshal in de Atheense arbeiderswijk betreedt. Het publiek joelt uitbundig, en zwaait met Britse én met Pakistaanse vlaggen. Hun held blijft stoïcijns onder de stortvloed aan aanmoedigingen. Het lichtvoetige en linksvoorstaande fenomeen danst soepeltjes door de ring, klaar voor wat het gevecht van zijn leven moet worden.

Maar wil Kid Khan vandaag uitgroeien tot King Khan dan moet hij zien af te rekenen met Marío César Kindelán, de tweevoudig olympisch kampioen uit Cuba die zijn imposante carrière vandaag hoopt af te sluiten met een derde gouden medaille op rij. Kindelán (33), algemeen beschouwd als 's werelds beste puntenbokser, oogt als een blok graniet en zo bokst hij ook. Zijn klappen komen aan als mokerslagen.

Khan blijkt evenwel niet onder de indruk, en trekt onbevangen ten strijde. Net zoals hij in zijn vier voorgaande partijen heeft gedaan. Het levert hem de eerste van de in totaal vier ronden op: 4-3. Kindelán lijkt enigszins beduusd door de kwajongensachtige opening van zijn zestien jaar jongere opponent, voor wie vandaag behalve zijn familie (vader, moeder, twee zussen en één eveneens boksende jongere broer) ook hoog bezoek langs de touwen zit: oud-wereldkampioen in het zwaargewicht, Evander Holyfield.

Maar de Cubaanse grootmeester is te ervaren om zich te laten verrassen door de brutale tiener, die hij afgelopen voorjaar nog door de ring joeg tijdens het pre-olympische testtoernooi in dezelfde Atheense hal. In de tweede ronde stelt Mayito orde op zaken. Hij ontloopt het troetelkind van de Britse topsport zoveel mogelijk, provoceert hem met een lage dekking en slaat geniepig toe op de momenten dat Khan wil uithalen.

Het blijkt de sleutel tot de puntenoverwinning: 30-22. Al moet de drievoudig wereldkampioen uit Holguín tot op het laatste moment op zijn tellen passen. Last van plankenkoorts heeft Khan niet, en de wereldkampioen bij de junioren die het thuisfront de afgelopen weken zo in vervoering heeft gebracht, weet zo nu en dan een rake tegenstoot te plaatsen.

Helemaal gerust op een goede afloop bleek Kindelán niet, zo beweerde bondscoach Terry Edwards voorafgaand aan het gevecht. ,,Meneer Kindelán is hier opvallend aardig tegen ons. Hij schudt handen en zegt goedemorgen, terwijl hij ons in mei (bij het testtoernooi, red.) niet zag staan en nogal arrogant overkwam.''

Het olympisch bokstoernooi is traditiegetrouw het strijdtoneel waar Cuba en Rusland de dienst uitmaken. In totaal vijf keer klinkt dit weekeinde het Cubaanse volkslied voor de stoottroepen van El Presidente Fidel Castro, en dat is één keer vaker dan vier jaar geleden in Sydney, toen de staatsamateurs uit Midden-Amerika `slechts' vier van de elf te vergeven boksmedailles mee naar huis namen.

Als Khan zich naderhand achter de tafel zet voor de persconferentie, vallen twee dingen op: zijn onschuldige, bijna Bambi-achtige voorkomen en zijn rappe tong. Zo snel als hij zijn vuisten door de lucht laat gaan, zo snel praat of beter: ratelt Amir Khan. Tel daarbij een zwaar Bolton-accent en het is duidelijk dat de oren vandaag gespitst moeten worden voor wie zijn relaas wil volgen.

Edwards loopt weg met zijn protégé, die in Groot-Brittannië nu te boek staat als hét symbool van een geslaagde integratie, en toont naderhand vol trots het logboekje van Khan, dat na vandaag pas veertien officiële amateurgevechten vermeldt. Zo jong en zo onervaren nog, en nu toch al winnaar van olympisch zilver. Het verleidt de Engelse bondscoach tot de conclusie dat ,,we hier met een uitzonderlijk talent van doen hebben, dat ons de komende jaren nog heel veel plezier kan bezorgen''.

Mits Khan niet zwicht voor het grote geld. Want zijn indrukwekkende opmars in Athene is uiteraard ook de op geld beluste managers uit het profboksen niet ontgaan. Het olympisch bokstoernooi is al sinds jaar en dag de vijver waar de profsectie graag een hengeltje mag uitwerpen. Khan is met afstand de mooiste en de grootste goudvis, net als Muhammad Ali toen die in 1960 als Cassius Clay de olympische titel won. Geen wonder dat de jacht op hem is geopend.

Een tot dusver onbekend consortium onder de naam The Real Fight Club heeft zich inmiddels bereid verklaard om 2 miljoen pond op tafel te leggen om Khan te behouden voor het amateurboksen. Dat bod heeft argwaan gewekt in Engeland. Welke tegenprestatie staat daar tegenover?

Hoe dan ook, bezwijken voor de lokroep van het kapitaal beweert de student sportwetenschappen niet te zullen doen. ,,Ik ben nog jong en moet nog heel veel leren'', zegt hij na afloop. Athene was ,,een goede leerschool'', die naar meer smaakt. Eerst maar eens wereldkampioen worden, zegt Khan en ,,dan in Peking een gouden medaille winnen''. Het klinkt als een belofte.