Na Athene

De Olympische Spelen zijn voorbij, de rekening kan worden opgemaakt. Het aantrekkelijke van de Spelen is het feest van de herkenning: de veelvoud aan sporten, sommige doorgaans zo weinig getoond, die in ruim twee weken tijd na een afwezigheid van vier jaar ineens weer volop in de belangstelling staan. In die zin zijn de Olympische Spelen als evenement onverslaanbaar. Het is het grootste sportcircus dat de wereld kent, oneindig gevarieerd, vol spanning en dramatiek, met hoogte- en dus onvermijdelijke dieptepunten. Als de Spelen achter de rug zijn, is er even een leegte die de voetbalcompetitie niet zomaar vult. Topsport in zo'n afwisseling is topentertainment – van het zwemmen tot het schermen en van het badminton tot de marathon. De plek hielp mee om de mythe in stand te houden. Zeus had in ieder geval weinig reden tot klagen. De excessen werden voor lief genomen. Twee weken laafden de goden en de wereld zich aan de onschuld en het oogverblindende van de sport en haar beoefenaars.

De werkelijkheid was natuurlijk prozaïscher. Nooit eerder werden zoveel sporters op het gebruik van doping betrapt. Dat kan negatief worden uitgelegd: er wordt nog steeds heel veel gebruikt. Maar men kan het ook zo zien: de controle is strenger dan ooit. Het eerste is waar en het tweede ook. Topsport en doping zijn helaas onlosmakelijk met elkaar verbonden. De enige remedie is professionele opsporing. De straf is de uitsluiting en, meer nog, de nationale schande. Athene 2004 kan als voorbeeld gelden voor Peking 2008. Alleen met harde hand is de dopingplaag te bestrijden. Ergerlijk was in dit verband het fluitconcert waarop de Griekse toeschouwers de Amerikaanse tweehonderdmeterlopers trakteerden. Ze vonden dat hun eigen held en favoriet op die afstand, Kostas Kenteris, had moeten meedoen. Maar Kenteris moest de Spelen terecht verlaten nadat hij zich aan een dopingcontrole had onttrokken. Het chauvisme was misplaatst en de Grieken maakten zichzelf even te schande.

Overigens verdient de Griekse organisatie lof. De Olympische Spelen zijn een monsterproject. Bijna alles eraan is groot en duur en ingewikkeld. Het waren niet de `beste Spelen ooit' (IOC-voorzitter Rogge brak met de bijna traditionele declamatie van die zin), maar ze waren wel veilig. In dit tijdperk van terreur was dat een opluchting. Ook Griekenland moet de balans opmaken. Wat hebben de Spelen gekost en wat zijn de opbrengsten? Niet alleen in geld, maar ook in sportief aanzien en nationaal prestige. Net als de sporters moet het organiserende land een topprestatie leveren. Voor de vraag of de Zomerspelen ooit weer eens in Nederland moeten worden gehouden is dat de kernkwestie: kan en wil Nederland financieel en organisatorisch op topniveau presteren?

En op sportief niveau – uiteraard. Wat dat laatste betreft kan de oogst van Athene het best als bevredigend worden omschreven. Het aantal medailles (22) is mooi, na `Sydney 2000' het hoogste aantal in de olympische geschiedenis, en kijkend naar andere kleine landen heeft Nederland voortreffelijk gepresteerd. Maar de ambities lagen hoog en zijn lang niet allemaal waargemaakt. Bovendien ontbreekt in een paar belangrijke sporten, het zwemmen onder andere, een jonge en getalenteerde nieuwe generatie. Dat is de uitdaging voor Peking en daarna: jonge mensen aansporen tot de beoefening van topsport. Is dat nodig? Ja – want zonder aansprekende toppers en hun stimulerende voorbeeldwerking wordt de breedtesport bloedeloos. Alleen topprestaties brengen nieuwe technieken, nieuwe records en nieuwe vreugde.