Hoe belangrijk is het IQ van Bush?

Heeft George W. Bush zich door Donald Rumsfeld en Dick Cheney een mislukte strategie voor een nep-oorlog laten aanpraten? Voor het antwoord op deze vraag moeten we beter begrijpen op welke manier de Amerikaanse president denkt, stelt Howell Raines.

Hier in Pennsylvania, op de parkeerplaats van Cramer's Home Centre, niet ver van een NASCAR-autoracecircuit en in een cruciale staat bij de verkiezingen, zagen we hem voor het eerst, achter op een gedeukte bestelwagen.

`Ergens in Texas,' stond er op de bumpersticker, `is een dorp zijn dorpsgek kwijt'. De volgende dook op bij een bouwmarkt van Home Depot, achterop een gedeukte open bestelwagen met achter het stuur een stoere jonge bouwvakker. `Bush,' stond er, en daarna `Als een rots – alleen dommer'.

Dit laat zien dat een aantal kiezers er vast van overtuigd is dat George Bush niet slim genoeg is om als president verder te gaan iets waar een zwijgende en misschien nog wel grotere groep heimelijk bang voor is. Als een onwetenschappelijk onderzoek van bumperstickers, graffiti en ingezonden brieven in dit conservatieve berggebied een aanwijzing is, dan breidt de twijfel zich inderdaad uit. Toch wordt het onderwerp zelden rechtstreeks aangesneden door de grote kranten en tv-journaals. Het debat over de presidentiële intelligentie voltrekt zich vooral op het internet, in de anti-Bush-pers, onder televisiekomieken en op het niveau van grappen en discussies in de huiskamer.

Na veertig jaar krantenwerk, waaronder berichtgeving over de `domme' Ronald Reagan en de `slimme' Jimmy Carter, ben ik niet ongevoelig voor de problemen die het met zich meebrengt om het publiek te informeren over deze netelige competentiekwestie. De grote nieuwsorganisaties zijn met handen en voeten gebonden aan hun eigen regels van eerlijk spel. De kiezers zijn dubbel in het nadeel – door gebrek aan informatie in de verslaggeving over de campagnes én door de ontwijkende aard van het nieuws over het soort intelligentie dat bij onze leiders van belang is.

Mijn generatie Witte Huis-correspondenten werd verweten de vermeende domheid van Ronald Reagan te verbloemen, door niet te onthullen dat hij de `feiten' waarop hij zich baseerde ontleende aan films van Errol Flynn en aan de John Birch Society. In 1981 kreeg Clark Clifford, de Democratische `wijze man', tijdens etentjes in Georgetown de lachers op zijn hand met de dodelijke uitspraak dat Reagan een `gemoedelijke sukkel' was. Twintig jaar later weten we dat Clark Clifford werd aangeklaagd bij een bankschandaal en dat de sukkel een einde aan de Koude Oorlog maakte.

Wat is presidentiële intelligentie en hoe belangrijk is die eigenlijk? We kunnen allemaal de lijst opsommen van duidelijk briljante presidenten die geen succes werden (Wilson, Hoover, enz.) en ogenschijnlijke knoeiers die het wel redden (Truman). Toen ik in 1981 Reagan in het Witte Huis volgde, strooiden zijn hoogste stafleden voortdurend met de beroemde opmerking van Oliver Wendell Holmes over Franklin Roosevelt, die `een tweederangs verstand, maar een eersterangs temperament' bezat. Uiteindelijk bracht Reagan deskundigen, journalisten en kiezers allemaal in verwarring. In een necrologie verwees zijn biograaf Edmund Morris eerst naar Reagans `intelligentie' en later naar zijn `onwetendheid'.

Natuurlijk, aangeboren intelligentie heeft te maken met talent, en onwetendheid met variabelen als onderwijskansen en persoonlijke ijver. Maar het blijft een raadsel. Is intellect belangrijk bij een president? Als de Amerikanen geen beslissend antwoord op die vraag hebben in het geval van John F. Kerry en George W. Bush, dan doen ze er wel heel goed aan een weloverwogen gok te wagen.

Een zeer onvolmaakte maar doeltreffende manier om dit te doen is op het niveau van de campagnetactiek. Betwijfelt iemand in Amerika of Kerry een hoger IQ heeft dan Bush? Ik weet zeker dat de rapport- en examencijfers van de kandidaten Kerry een ruime voorsprong zouden geven. Toch verdient Bush in dit stadium van de campagne een negen of een tien in plaats van een mager zesje voor de wijze waarop hij het kennisvoordeel van Kerry neutraliseert.

Hij – of waarschijnlijk Karl Rove – heeft Kerry verleid tot ingewikkelde denkbeelden en verklaringen. Kerry houdt ons voor dat we in een complexe wereld leven. Dat weten de Amerikanen wel, maar als electoraat voelen ze niets voor ingewikkelde toestanden. Senator Kerry: Read my lips. Uw uitleg van uw tegenstrijdige stemgedrag over de oorlog in Irak en hoe u die zou hebben gevoerd is schitterend als retorisch bouwwerk. Er zijn ook tekenen dat Bush u tot het verkeerde gesprek met de kiezers heeft verleid. Hij troefde uw wekenlange ingewikkelde uitleg af door bij Larry King Live steeds maar te herhalen dat een president vastbesloten dient te zijn en dat zal zijn. En de laatste tijd heeft het Witte Huis uitgekookt de tv-spotjes over het Vietnam-verleden van Kerry tot middelpunt van het campagnenieuws gemaakt.

Wat zijn IQ ook mag zijn, George W. Bush kent als kandidaat maar één kunstje, en tot nu toe mag hij van Kerry zijn enige kunstje ook blijven doen: de eindeloze herhaling van `Ik neem een beslissing; daar blijf ik bij; zo doet een president dat'. De campagne van Kerry moet Bush nog altijd uit die luie stoel jagen.

John Kerry is een windvaan en een huichelaar: dat is de kern van de Witte Huis-boodschap, die op het ogenblik vooral wordt uitgedragen in de zogenaamd onafhankelijke tv-spotjes met Vietnam-veteranen die Kerry's rol op het slagveld in twijfel trekken. Er is een reden dat deze commercials worden bekostigd door de Swift Boat Veterans for Truth een mantelgroepering betaald door de rijke Texaanse bondgenoten van Karl Rove en niet door de campagne van Bush zelf. Bush wil zich niet met die wormen vereenzelvigen maar hij wil wel dat ze door blijven knagen aan de appel van Kerry's grotere reputatie als strijder. En een geforceerd debat over het goed gedocumenteerde oorlogsverleden van Kerry leidt de aandacht van de kiezers af van een werkelijk belangrijk vraagstuk van nationale veiligheid als het om de verstandelijke vermogens van de kandidaten gaat: was George W. Bush dom genoeg om zich door Donald Rumsfeld en Dick Cheney een mislukte strategie voor een nep-oorlog te laten aanpraten?

Karen Hughes, een voormalig adviseur van Bush, verzekert ons in haar boek Ten Minutes from Normal dat ,,het allerbeste dat Bush doet'' is ,,vragen stellen die de kern van de zaak raken.'' Volgens haar konden zij en een `briljante' staf in de campagne van 2000 `niet eenmaal' anticiperen op alle indringende vragen van Bush. ,,Hij heeft een laser-achtig vermogen'', schrijft Hughes, ,,om een zaak tot de kern terug te brengen.''

Maar wat Irak en de oorlog tegen de terreur betreft zijn er in de openbare verslagen weinig blijken van dergelijke interventies van Bush. We hebben juist te horen gekregen dat George Tenet, toenmalig CIA-directeur, Bush met succes heeft misleid door hem wijs te maken dat de bewijzen voor Saddam Husseins bezit van massavernietigingswapens `voor het oprapen lagen'.

De miljoenen van ons die geen getuige zijn geweest van dit en mogelijk ander laser-achtig functioneren moeten wat de werking van Bush' geest betreft op speculatie afgaan. Het meest informatieve dat ik daarover heb gelezen is een essay dat ruim een jaar geleden verscheen in The Atlantic, van de hand van Richard Brookhiser, historicus en Bush-gezind conservatief columnist. ,,Bush bezit intelligentie, energie en bescheidenheid'', schrijft hij, ,,maar heeft hij wel verbeeldingskracht?'' Brookhiser maakt zich ongerust dat de beperkte informatie-`habitat' van Bush hem wel eens zou kunnen afsnijden van de ideeën die nodig zijn om de presidentiële creativiteit te voeden bij activiteiten als het voeren van een grote oorlog. Daarna weidt Brookhiser uit over het vertrouwen van Bush op zijn `instinct' en het feit dat zijn ,,geloof inhoudt dat hij geen dubbelzinnigheid accepteert, of zelfs maar erkent.''

De commentaren riepen bij mij weer de campagnes van Reagan in herinnering, en wat de cartoonist Garry Trudeau de speurtocht naar Reagans hersenen noemde. Trudeau bedoelde uiteraard dat Reagan die niet had, maar tegenwoordig doet die aanduiding mij meer denken aan het journalistieke gezoek van de pers om te verklaren wat er in dat grote, lachende hoofd met die vetkuif nu eigenlijk omging.

In een aantal gedachten die ik opschreef nadat ik in 1982 Reagan twee jaar lang nauwlettend had gevolgd in de campagne en in het Witte Huis, kenschetste ik hem als een `politieke primitieveling' die `overtuigingen stelde boven kennis' op basis van verifieerbare feiten. Ook merkte ik op dat Reagan een `hoge tolerantie voor dubbelzinnigheid' had met betrekking tot de uitkomsten van het beleid dat uit zo'n onbehouwen gedachtegang voortkwam.

Dat lijkt me een andere minder verontrustende trek dan wat Brookhiser ziet als Bush' weigering om zelfs maar het bestaan van dubbelzinnigheid te erkennen. In het algemeen heb ik het gevoel gekregen dat we in Bush een schimmige versie van de sterke, en een overdreven versie van zijn intellectuele zwakheden van Reagan hebben.

Op het hoogtepunt van mijn journalistieke wens om de hersens van Reagan te doorgronden ging ik op bezoek bij David Gergen, destijds een medewerker van de president. Ik zei tegen Gergen dat ik in een stuk voor de ontwikkelde lezer wilde beschrijven hoe de geest van Reagan precies werkte. Met twinkelende ogen zei Gergen dat het nog heel lang zou duren eer we dat gesprek zouden kunnen hebben.

Het lijkt nu amper meer de moeite waard, met Reagan in de erehemel.

Maar met zo'n 140.000 manschappen in Irak, de rijkste 1 procent van de Amerikanen die binnenkort een belastingmeevaller van vijf cijfers krijgt en miljoenen stadsbewoners die zich zorgen maken over een atoombom in een koffertje, is het zeker de moeite waard ons af te vragen hoe de geest van George W. Bush nu eigenlijk werkt.

Howell Raines is oud-redacteur van de New York Times. © LAT/WP Newsservice