Een tragische, maar trotse `anti-dirigent'

De dirigent Hans Vonk, gisteren op 62-jarige leeftijd in Amsterdam overleden, leefde zijn laatste jaren in ,,geleende tijd'', zoals hij in 1995 zei in een interview met deze krant. Vonk had in 1988 geleden aan het syndroom van Guillain-Barré. De zeldzame neurologische aandoening, volgens Vonk een spierverslappende aandoening waarmee workaholics zichzelf `vergiftigen', was hem bijna fataal geworden, maar leek toen genezen. In 2002 kreeg hij opnieuw de spierziekte die nu heeft geleid tot zijn dood.

Vonk, in mei nog benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, kon de afgelopen twee jaar niet meer dirigeren, het `hiernietsmaals' was voor hem bij leven al aangebroken. Hij kon de bladen van de partituur niet meer omslaan, hij kon nauwelijks meer lopen en moest steeds vaker concerten en opera's afzeggen. Begin 2002 liet Vonk in Rotterdam nog via een inlegvel bij het programma aan het publiek weten dat hij ziek was en daarom zijn werk zittend zou doen. Hij beloofde een goed concert te zullen geven: ,,Aan mij zal het niet liggen.'' Het lag natuurlijk wèl aan Vonk dat het toen zo'n bijzonder mooi Beethovenconcert werd. Hij dirigeerde een indringende `Eroïca', waarin hij ondanks zijn toestand telkens even naar boven kwam om accenten te geven, soms driftig stampend met zijn voet.

Hans Vonk, de zoon van een violist van het Concertgebouworkest, werd op 18 juni 1942 geboren in Amsterdam. Hij studeerde rechten en piano en nam directielessen bij Jaap Spaanderman, Peter Erös, Franco Ferrara en Hermann Scherchen. Daarna maakte Vonk in binnen- en buitenland een opmerkelijke en belangrijke carrière als dirigent. Van 1966 tot 1969 leidde hij het orkest van het Nationaal Ballet. Hij assisteerde Bernard Haitink bij het Concertgebouworkest, was dirigent van het Radio Filharmonisch Orkest (1973-1979) en chef-dirigent van de Nederlandse Opera (1976-1985). Vonk was gastdirigent van het Royal Philharmonic Orchestra (1976-1979) en van 1980 tot 1991 was hij chef van het Residentie Orkest.

In 1980 maakte Vonk zijn debuut bij de Scala in Milaan, en in 1985 werd hij chef-dirigent van de Dresdner Staatskapelle en de Dresdner Staatsopera, een functie die Richard Wagner ooit had. Vonk dirigeerde op de festivals van Salzburg en Luzern en leidde de orkesten van Cleveland, Philadelphia, Los Angeles, New York en Tokio. In 1990 werd hij eerste gastdirigent van het Radio Filharmonisch Orkest en van 1991 tot 1997 was hij chef van het Keulse Radio Orkest. Van 1996 tot 2002 was Vonk chef in St. Louis. Zijn laatste benoemingen, vast gastdirigent van het Nederlands Kamerorkest en chef-dirigent van het Radio Symfonie Orkest, effectueerde hij niet of nauwelijks meer. Vanaf zijn ziekbed ageerde hij nog tegen het plan tot opheffing van het RSO.

Volgens Vonk zou zijn vader op diens sterfbed hebben gezegd: `Laat Hans in godsnaam geen musicus worden.' Zijn vader was volgens Hans Vonk niet brutaal en gewiekst genoeg geweest om in dat spijkerharde milieu het hoogste te bereiken. Ook de zoon Vonk had problemen, zei hij in deze krant. ,,Jarenlang werd ik gejend en uitgeprobeerd door orkesten, hooguit getolereerd, terwijl leeftijdsgenoten als Edo de Waart triomfen vierden. Maar ik was koppig. En trots. Ik redde het.''

Vonk had een breed repertoire van klassiek tot eigentijds – hij dirigeerde de wereldpremières van Axel (van Jan van Vlijmen en Reinbert de Leeuw) en Houdini en Symposion van Peter Schat. Vonk was befaamd in Bruckner. Diens Achtste symfonie die hij in 1988 tijdens de Matinee op de Vrije Zaterdag gaf met zijn toenmalige Dresdense orkest, was fenomenaal en gold lange tijd als legendarisch. Dat zei ook veel over de indruk die zijn overige concerten meestal maakten. Die optredens waren degelijk, zonder eigenzinnigheden, vaak goed of zelfs heel goed, maar slechts zelden overweldigend goed. Daarvoor misten ze vaak dat extra dat een dirigent met een waarlijk grote persoonlijkheid moeiteloos en als vanzelfsprekend meebrengt.

Hans Vonk wist dat hij niet voldeed aan het gewenste conventionele beeld van een dirigent en hij ging daar zelfs prat op: ,,Een goede dirigent is een anti-dirigent.'' Hans Vonk kon een orkest doen opbloeien maar leek voor het publiek ook een moeilijke man, tobberig, humeurig. Hij was weinig animerend, hij glimlachte bijna nooit, hij keek bijna altijd gekweld. Slechts zelden leek hij zelf te genieten van muziek.

Vonk was geen dirigent van het grootse en genereuze gebaar en verbeeldingsvolle concepten. Het decennium dat hij chef was van de Opera, toen nog in de Amsterdamse Stadsschouwburg, staat niet te boek als `de periode-Vonk'. Het was de tijd van intendant Hans de Roo, die met zijn vooruitstrevende artistieke beleid het fundament legde voor de huidige Nederlandse Opera in het Amsterdamse Muziektheater.

Ondanks zijn indrukwekkende carrière – van de generatie Nederlandse dirigenten na Haitink, bewoog alleen Edo de Waart zich op dit niveau – was Vonk ontevreden over het gebrek aan erkenning. Vonk was diep beledigd dat hij niet werd gevraagd om in 1988 Haitink op te volgen en gaf aan die frustratie ook publiekelijk lucht, zelfs nog veertien jaar later, na de aankondiging van het vertrek van Riccardo Chailly. Bij het altijd moeilijke Residentie Orkest vertrok hij met een conflict. Met zijn jonge collega Lawrence Renes had Vonk een gênante openlijke ruzie over de eerste uitvoering van de voltooide versie van Bruckners Negende symfonie, die hij voor zichzelf opeiste.

De tragiek van Vonk was dat hij niet werkelijk kon kiezen voor de positie van de anti-dirigent met pure toewijding aan de muziek. Hij bleef ook boos haken naar erkenning en roem. ,,Ik vermoed dat ik behept ben met een onpraktische portie trots en een enorm gebrek aan een allesbeheersende ambitie om carrière te maken. Misschien daardoor ben ik in staat geweest om mijn onafhankelijkheid te behouden en ben ik daardoor niemand iets verschuldigd.'' Eind 2003, vrijwel geheel verlamd, zei hij in een interview in Trouw: ,,Ik heb het gevoel dat ik al mijn boosheid heb opgebruikt. Ik had het liever anders gehad. Maar dit is nu eenmaal gebeurd. En ik heb – hoe gek het ook klinkt – geen zin om daar de rest van mijn leven onder te lijden.''