Een baan naast de deur is er niet meer

De Nederlandse bevolking is opnieuw gedetailleerd in kaart gebracht. De volkstelling 2001 is afgerond zonder dat de burgers er ook maar iets van hebben gemerkt. Opvallendste uitkomst: de explosie van het woon-werkverkeer. Werknemers met een baan in de gemeente waar ze wonen, vormen nu een minderheid.

Nederlanders werken en wonen steeds minder in dezelfde plaats. En om op hun werk te komen, zitten ze steeds langer in de auto of de trein. De mannen moeten gemiddeld dertig kilometer rijden om bij hun werkgever te komen, de vrouwen zijn er na 24 kilometer. Samenwonenden zonder kinderen pendelen het meest. Alleenstaande werkende moeders pendelen het minst: meer dan 60 procent werkt in dezelfde gemeente als ze woont.

Die explosie van woon-werkverkeer is een van de opvallendste uitkomsten van de volkstelling die in 2001 in alle lidstaten van de Europese Unie is gehouden. Voor Nederland is dat onderzoek gedaan door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), dat hiervoor gegevens uit bestaande registers, zoals de gemeentelijke basisadministratie, combineerde met gegevens uit grootschalige enquêtes. Door deze `virtuele' telling hoefde het CBS niet met formulieren langs de deuren van alle Nederlanders – een operatie die meestal tot commotie onder de bevolking leidt omdat men vreest voor aantasting van de privacy.

In 1947 werkte bijna iedere Nederlander nog vlak bij huis. Slechts 14 procent van de actieve beroepsbevolking had in dat jaar een baan buiten de eigen woongemeente. In 1960, bij de tweede naoorlogse volkstelling, was de groep forensen gestegen tot 21 procent. In 1971, het laatste jaar waarin een `echte' volkstelling in Nederland plaatsvond, ging een derde van de werkenden 's ochtends de deur uit om in een andere plaats zijn of haar geld te verdienen.

Inmiddels, zo blijkt uit de CBS-analyse uit 2001, werkt 51 procent van de actieve beroepsbevolking niet in de eigen woongemeente. Omdat sinds 1947 het aantal gemeenten gehalveerd is, waardoor de overgebleven gemeenten in oppervlak veel groter zijn geworden, moeten werknemers veel verder dan vroeger rijden om buiten de eigen gemeentegrenzen aan het werk te gaan.

De volkstelling van het CBS geeft ook haarfijn weer rond welke gemeenten het 's ochtends en 's avonds het drukst is. Amsterdam is – zoals te verwachten – koploper als forensenbestemming: iedere dag komen er gemiddeld ruim 253.000 mensen van buitenaf de stad in om naar hun werk te gaan. Rotterdam, Utrecht en Den Haag volgen. Haarlemmermeer is opvallende vijfde met ruim 87.000 inkomende forensen, vóór veel grotere gemeente als Eindhoven en Tilburg. Haarlemmermeer, de gemeente waarin Schiphol ligt, bevestigt daarmee zijn positie als werkstad bij uitstek.

Ook het absolute aantal uitgaande pendelaars is het grootst in Amsterdam: ruim 96.000. Maar hier zijn de verschillen met de andere grote steden veel kleiner dan bij de inkomende pendel. Op de vijfde plaats – na Rotterdam, Den Haag en Utrecht – staat Almere, waar 'smorgens 46.000 mensen de gemeente verlaten om elders hun brood te gaan verdienen. Almere heeft relatief weinig banen en daarvan wordt dan ook nog eens 40 procent vervuld door mensen die niet in de gemeente zelf wonen.

Dat de grote steden in absolute zin de meeste pendelbewegingen genereren ligt voor de hand. Daarom is het interessanter te kijken naar de relatieve pendel. Hoeveel van de werkende mensen die in een bepaalde gemeente wonen, werken in de eigen gemeente, en hoeveel verdienen de kost elders?

Dit levert een frappant beeld op: de uitgaande pendel is relatief klein in de grote stedelijke centra, niet alleen in de Randstad, maar vooral daarbuiten. Groningen, Leeuwarden, Zwolle, Enschede, Apeldoorn, Tilburg, Eindhoven en Maastricht dragen een flink deel van de werkgelegenheid van de eigen bevolking. Maar de kleinere gemeenten rondom deze centra lopen elke morgen leeg. Dit verschijnsel doet zich zeer sterk voor rondom Groningen, in Zuid-Limburg, rond Rotterdam en ten noorden van Amsterdam.

Waar gaan de werknemers naartoe die een baan hebben buiten de eigen woongemeente? Een zeer grote groep gaat naar een werkgever die gevestigd is in de Randstad, met uitwaaieringen langs de A2 en de A15. Daarbij gaat het niet alleen om de grote steden. De geografische ligging – gemakkelijk bereikbaar – is bij de vestiging van de bedrijven meestal een belangrijker overweging geweest dan de stedelijke kwaliteit van de omgeving. De Randstad-gemeenten met relatief de grootste inkomende pendel zijn dan ook geen `grote' gemeenten: aan kop gaat Diemen, waar meer dan 90 procent van de banen wordt vervuld door personen die elders wonen. Tot de runners-up behoren Zoeterwoude, Son en Breugel, Rijswijk, Bennebroek en Doorn. In de topvijftig staan slechts twee steden met meer dan 100.000 inwoners: Haarlemmermeer en Utrecht.

Patronen van woon-werkverkeer zijn niet dezelfde voor mannen en vrouwen. In het algemeen werken mannen vaker buiten de eigen woonplaats dan vrouwen, maar ook geografisch zijn er verschillen. Het Rijnmondgebied, West-Brabant, Flevoland, de Veluwe en Kennemerland springen eruit als gebieden waar aanzienlijk meer mannen buiten de eigen gemeente werken dan vrouwen. In Rijnmond, West-Brabant en Kennemerland ligt de aantrekkingskracht van de nabije industrie voor de hand, in Flevoland speelt eerder een absoluut gebrek aan werkgelegenheid, in combinatie met een relatief eenzijdig banenaanbod. Gemeenten waar meer vrouwen dan mannen buiten de gemeentegrenzen werken, zijn vooral te vinden in de agrarische gebieden van Friesland en Zuid-Holland.

Het forensenverkeer levert het hardste en interessantste nieuws op uit de volkstelling, omdat het sinds 1971 niet meer zo gedetailleerd in kaart is gebracht. Overigens hebben de gegevens nog steeds flinke beperkingen: niet bekend is bijvoorbeeld op hoeveel dagen per week al die pendelbewegingen plaatsvinden. Iemand die een dag per week werkt telt even zwaar als iemand die vijf dagen werkt.

Hoe groot de verwevenheid van wonen en werken in Nederland is, blijkt misschien nog wel het meest in Amsterdam. Er is geen enkele gemeente in Nederland van waaruit niemand in Amsterdam werkt. Zelfs van de Wadden of uit Zeeuws-Vlaanderen forensen mensen naar de hoofdstad. Voor inwoners van de stad Groningen staat Amsterdam op de zesde plaats als pendelgemeente, voor die van Maastricht op de zevende. Voor Utrechters is Amsterdam na Utrecht de belangrijkste werkstad, op grote afstand gevolgd door buurgemeente Nieuwegein. Amsterdammers werken zelf in 472 verschillende gemeenten. Er zijn maar 32 gemeenten waar geen Amsterdammer werkt.

De volkstelling van het CBS is bedoeld om een Europese vergelijking mogelijk te maken op het gebied van bijvoorbeeld demografie, opleiding en economische positie. Die analyse zal gedaan worden door Eurostat, het statistisch bureau van de Europese Unie, maar het CBS heeft zelf de Nederlandse resultaten vergeleken met de acht andere Europese landen die hun resultaten ook al hebben ingeleverd: Noorwegen, Zweden, Finland, Estland, het Verenigd Koninkrijk, Zwitserland, Slovenië en Griekenland.

Daarbij is onder andere gekeken naar de vergrijzing. Het aandeel van 50 tot 75-jarigen op de totale bevolking blijkt in deze landen niet zo veel uiteen te lopen: van 24 procent voor Noorwegen tot 28 procent voor Griekenland en Finland. Nederland behoort met 25 procent tot de jongere landen.

Veel groter zijn de verschillen in arbeidsdeelname van ouderen. Bij 50-jarige mannen zijn die verschillen nog gering: in alle landen werkt 83 (Estland) tot 94 (Zwitserland) procent. Bij 53-jarige mannen zijn de verschillen zelfs nog aanzienlijk kleiner: alle landen scoren tussen de 82 en 86 procent, behalve Zwitserland, waar 93 procent van de 53-jarige mannen werkt. Maar bij het ouder worden lopen de verschillen tussen de landen dramatisch op.

De Slovenen houden er het eerst mee op: van de 59-jarigen werkt nog maar 34 procent. De Nederlanders en de Grieken volgen met 58, respectievelijk 57 procent. Van de Noren, de Zweden en de Zwitsers werkt dan nog altijd meer dan driekwart. Op 61-jarige leeftijd werken nog altijd meer dan 65 procent van de Noorse, Zweedse en Zwitserse mannen, terwijl dan van de Nederlanders nog maar 31 procent aan de slag is. Ook de Finnen beginnen boven de zestig op grote schaal te stoppen. Opmerkelijk is hoe lang de Noren doorwerken: op 66-jarige leeftijd is daar nog 38 procent van de mannen aan het werk, meer dan twee keer zo veel als in enig ander land.

Voor vrouwen ziet het beeld er heel anders uit, al is het alleen maar omdat Nederland daar veel meer uit de toon valt met een zeer geringe arbeidsdeelname vanaf vijftig jaar. Alleen Griekse vrouwen werken nog minder. De arbeidsdeelname van vrouwen is de afgelopen vijftien jaar sterk gestegen in Nederland, maar dit komt vooral tot uiting bij de jongere groepen. In de Scandinavische landen werkt meer dan tachtig procent van de vijftigjarige vrouwen.

Op 61-jarige leeftijd werkt in Nederland nog 12 procent van de vrouwen, vergelijkbaar met Griekenland. In Slovenië gaan de vrouwen net als de mannen vroeger met pensioen dan bij ons, zodat er op 61-jarige leeftijd nog maar 3 procent deelneemt aan het arbeidsproces. In alle andere landen werkt op die leeftijd nog meer dan een kwart van alle vrouwen, waarbij Noorwegen en Zweden met bijna zestig procent de kroon spannen. Zowel economisch als cultureel heeft de vergrijzing dan heel andere consequenties dan in Nederland.