Adoptie oké, maar kinderhandel niet

Toen mijn Vietnamese collega Viên en ik vijf jaar geleden een project bezochten in de bergen van Vietnam, kwam in een dorp een vrouw op Viên af met de vraag of hij wist waar haar kind was.

Viên had contacten met Hanoi, zelfs met het westen, terwijl die vrouw behoorde tot een marginale etnische minderheid. Zij vertelde dat een jaar daarvoor haar dochtertje van één ziek was geworden en dat zij naar de plaatselijke kliniek was gegaan. De gezondheidswerker zei dat het kind ernstig ziek was en niet in Vietnam geholpen kon worden, maar dat er wel een oplossing was. In de kamer ernaast was een Frans echtpaar dat bereid was om het kind mee te nemen naar Frankrijk voor behandeling, waarna zij het kind weer zouden terugbrengen naar Vietnam. De (ongeletterde) vrouw stond voor een enorm dilemma en koos voor het leven van haar kind. Ze hoefde alleen een papier te `tekenen', en het echtpaar zou later hun adres opsturen. Een jaar later had de vrouw nog niets gehoord, en kwam zij er in haar wanhoop langzaam achter dat zij haar kind kwijt was.

Tegelijkertijd kon je bij de `verzamelpunten' van aspirant-adoptieouders in Hanoi en Saigon vaak Fransen, maar ook Nederlanders het geklaag horen over de traagheid en stroperigheid van de procedures, over de corruptie en onbetrouwbaarheid van Vietnamese autoriteiten. Bijna alle paren hadden onder de tafel al allerlei betalingen verricht, soms met en soms zonder resultaat. Deze mensen waren vaak wanhopig, want adoptie was nog de enige mogelijkheid om hun kinderwens te realiseren.

Het probleem hierbij is dat deze persoonlijke behoefte, vaak gedefinieerd als `recht op een kind', een maatschappelijke vraag creëert in een wereld die gekenmerkt wordt door ongelijke internationale verhoudingen. Vaak levert juist die ongelijkheid argumenten op voor transnationale adoptie: het te adopteren kind krijgt het veel beter.

Hierbij wordt echter voorbijgegaan aan het feit dat in onze ongelijke wereld de maatschappelijke vraag naar adoptie een economische vraag naar adoptiekinderen wordt, en daarmee bijdraagt aan het scheppen van een aanbod van `adopteerbare' kinderen. Ongeacht de intentie van adoptieouders ontstaat er handel in kinderen, in een markt van vraag en aanbod. In hetzelfde jaar dat ik de vrouw in Vietnam hoorde vertellen over het verlies van haar kind, werd in een ander deel van dat land een grote adoptiebende opgerold van tientallen artsen, verpleegkundigen en ambtenaren, verantwoordelijk voor de handel in honderden babies. Deze babies waren afgetroggeld, gestolen of gekocht van de biologische ouders en te koop aangeboden aan gretige adoptieouders, al dan niet via het (legale) circuit van weeshuizen.

Het is slechts één voorbeeld dat toevallig het nieuws haalde. Al jaren neemt de wereldwijde handel in vrouwen en kinderen toe. Vaak gaat het dan over kinderen die belanden in de prostitutie, over gedwongen bruiden, over dwangarbeid. De International Organisation for Migration (IOM) van de VN is bezorgd over de handel in adoptiebabies in landen als Vietnam en Cambodja. De US Citizenship and Immgration Services waarschuwen voor child buying in een aantal landen. Geadopteerde kinderen komen meestal terecht in een zeer welkome omgeving, maar aan de `aanbodzijde' kan de internationale vraag en de bijkomende handel veel ellende veroorzaken en gezinsverbanden kapotmaken.

In Nederland wordt door minister Donner een nieuwe adoptiewet voorbereid. Er wordt al veel geschreven over de rechten van aspirant adoptieouders. Het COC maakt zich sterk voor adoptierechten van homoparen. Belangenorganisaties van adoptieouders zijn aan het lobbyen voor versoepeling van de regels en uitbreiding van de mogelijkheden. Het is belangrijk om niet alleen deze belangen en de rechten van mensen met een kinderwens te respecteren, maar ook die van de mensen aan de andere kant van het adoptietraject. Hun stemmen worden niet gehoord in de Tweede Kamer en leveren geen extra zetels op. Het is echter van belang dat Nederlandse wetgeving adoptie zuiver houdt, en niet de handel in adoptiekinderen gedoogt door `liberalisering van de markt'.

Oscar Salemink is als antropoloog verbonden aan de Vrije Universiteit. Hij heeft acht jaar in Vietnam gewoond.