Zapdoctorandus

Hij gaat afstuderen. Bennie zal ik hem noemen. Toen ik hem vijf jaar geleden bij de eerstejaars zag, glimlachte ik om zijn uiterlijk. Hij had een afzakkende kleurige broek aan en dikke plukken haar staken alle kanten uit. Hoewel hij nog een kind leek, had hij een zware baardgroei. Geen moment zat hij stil in de bank. Alle Dagen Heel Druk, een ezelsbruggetje om de afkorting ADHD te onthouden, ik dacht daar wel eens aan als ik hem door de gangen zag flipperen. Bennie bewoog altijd.

Luidkeels viel hij de docent bij als hij het ergens mee eens was, even luidkeels liet hij zijn afkeuring blijken. Hij stortte zich in het studentenleven. Er was geen feest, geen poëzieavond, geen lezing of hij was aanwezig. Meestal werd hij in de loop van zo'n avond dronken en nog luidruchtiger. Hij had een afkeer van de abstracte kant van het studeren. Boeken lezen, over literatuur praten, dat wilde hij, maar het niveau dat daarboven ligt interesseerde hem niet. Hij wilde zich niet bewust worden van de manipulaties die literatuurlezers ondergaan. Het interesseerde hem niet dat er ooit een canon gevormd was waaraan iedereen zich conformeert, en dat die canonvorming bestudeerbaar is. Evenmin kon hij warm worden van onderzoek naar kritiek, naar lezers of naar tijdschriften. De literatuur en de schrijvers, daar ging het hem om. Hij zapte door de studie, met zes minnetjes voor tentamens, haastig geschreven nota's en een hoop flair. Een paar maal probeerde hij of hij het programma wat meer naar zijn hand kon zetten. Hij hing een pamflet met klachten over de studie op. Als je Nederlands studeerde, hoefde je toch niet na te denken over wat je doet als je een gedicht interpreteert. Gewoon interpreteren, dat moest je doen in de colleges. Hij sprak op een discussiemiddag over het programma en mopperde over het metaniveau. Hij had niet helemaal ongelijk met zijn hang naar meer literatuur, want aan de universiteiten wordt in het streven naar abstractie wel eens het pure ambacht vergeten. Maar om de academische stramienen te doorbreken heb je een lange adem nodig, en die heeft Bennie niet. Nu krijgt hij zijn doctoraal. Hij weet niet wat hij daarna met zijn diploma gaat doen. In elk geval geen leraar worden, en ook geen taaltrainingen geven. Wat wel, is van geen belang. Er komt wel iets aanwaaien.

Bennie is een schoolvoorbeeld van de student nieuwe stijl, ook al studeert hij af in het oude doctoraalstramien. De nieuwe student beschouwt een studie als een televisietoestel met afstandsbediening. Je klikt tot je een programma vindt dat je aanstaat, daar kijk je een halfuur naar en dan zap je weer verder. Een enkele keer boeit iets je langer dan een uur. Het volgen van een studie is vrijblijvend amusement. Het wordt dan ook als uiterst hinderlijk ervaren dat er docenten zijn die willen dat je werkstukken op tijd inlevert of, nog erger, elke week opdrachten geven die ook nog gecontroleerd worden. Het liefst volgt deze student een trimester of semester vrijblijvend een college, af en toe althans, als het hem uitkomt en als hij het kan combineren met zijn baantje. Hoorcolleges zijn prima, daar kun je bij blijven zitten. Na afloop besluit hij of hij het verplichte tentamen zal afleggen of het werkstuk in zal leveren. Hij engageert zich niet, blijft single in zijn relatie tot de studie. Daar is hij niet gelukkig mee, maar de studie boeit hem te weinig om uit de kussens te komen. Als de studiefinanciering af dreigt te lopen, zegt hij tijdelijk zijn bijbaantje op en werkt een paar maanden hard om de mankerende punten binnen te halen. En zo is er weer een doctorandus bij.

Nu ligt die vrijblijvendheid niet alleen aan de student die anders is geworden. Natuurlijk, twintig jaar geleden konden onze studenten als ze aankwamen nog spellen en wisten ze wie Hadewych was. Nu kunnen en weten ze dat niet meer, maar andere dingen kunnen ze beter dan de student van toen. Ze houden een geestige presentatie zonder plankenkoorts, ze kunnen snel iets regelen of organiseren, ze weten heel snel informatie tot zich te nemen. Ze selecteren veel sneller en makkelijker dan hun voorgangers. Ze zien snel of iets belangrijk is of niet. Wij docenten hebben daar nog niet de goede antwoorden op. We zijn voor een deel blijven steken in de tijd dat studenten dociele onderwijsvolgers waren, die plichtsgetrouw hun werk inleverden en stelselmatig hun studie opbouwden. De student van nu is gewend aan afwisseling, aan uitproberen en weggooien. Als een college niet bevalt, verdwijnt hij. Hij gaat niet protesteren en spandoeken schilderen zoals de student in de jaren zeventig, maar hij zoekt iets anders op, wat hem beter bevalt. Dat de universiteiten met zorg de rendementscijfers van deze generatie studenten bekijken, spreekt voor zich. Studieadviseurs, onderwijsdirecteuren en decanen piekeren zich suf hoe die te verbeteren zijn. Zelf zitten de studenten daar niet mee, tenslotte behalen ze het vereiste aantal minimumpunten toch wel, al is het met wat vertraging.

Ik werd er zelf afgelopen studiejaar hardhandig mee geconfronteerd, toen ik een werkcollege voor ouderejaars had voorbereid. Ik wilde er stevig onderzoek aan vastkoppelen, in een pittig tempo en met een flink werkstuk als slot. Afwisseling zou er ook zijn: ik had een jonge conservator van een grote kunstinstelling uitgenodigd voor een gastcollege en we zouden naar een van Nederlands mooist bewaarde woonhuizen uit de negentiende eeuw gaan, Bisdom van Vliet in Haastrecht. Ik hoopte de lakse houding van veel studenten te doorbreken door vanaf het begin duidelijke en hoge eisen te stellen. Bij het eerste college was de zaal goed gevuld. Ik legde het stramien van het onderzoek uit, lichtte toe wat ik wilde bereiken en gaf een flinke portie huiswerk op dat de volgende week via internet ingeleverd moest worden, zichtbaar voor iedereen.

Bij het tweede college was het aantal deelnemers met eenderde gezakt. In de volgende week haakte nogmaals eenderde af toen bleek dat ik werkelijk doorging met het straffe tempo. Ik hield dus eenderde deel over. Prima werkgroep gehad daarna, enthousiaste studenten, goede werkstukken. Wat is nu mijn rendement? Honderd procent als ik reken vanaf de derde week of 30 procent als ik van de beginweek uitga? Mijn collega's die minder strak zijn in het begin houden de studenten langer in de collegebanken, maar de afronding blijft ook bij hen voorbehouden aan een klein percentage.

Wat is wijsheid hier? Hoe de studenten uit de televisiehouding te krijgen? Onder de onderwijsdirecteuren circuleren voorstellen voor duidelijkere afspraken, verboden op uitstel, slechts één herkansing toestaan. Plicht en dwang, hebben we daar ooit studenten mee kunnen motiveren? Is dat geen verschoolsing van de academie? De middelbare school wil met het studiehuis op een universiteit lijken, en de universiteit grijpt terug op havomethoden. Maar zijn er andere oplossingen om studenten te krijgen die het vuur uit hun sloffen lopen?

Wij denken misschien nog te veel aan rendement van studies en aan studenten die iets willen bereiken. De zwakte moet wellicht als sterkte uitgelegd worden. Wie van de middelbare school komt en in de geesteswetenschappen verder gaat, kiest misschien wel juist voor vrijblijvendheid. Zappen kan een efficiënte vorm van informatieverwerking zijn. Dat zou betekenen dat wij docenten en hoogleraar ons moeten aanpassen aan dit gedrag en daarop inspelen. Wie het meest vrijblijvende college kan geven wint. Intussen studeert Bennie af. Weer een zapdoctorandus Nederlandse taal en cultuur. Wel een leuke jongen overigens, die Bennie.