Westerpark

Middenin het park staat op het fietspad een onbeheerde rollator.

Is de eigenaar beroofd en in het riet gesmeten? Ook al heb je haast, gewoon doorrijden lijkt

ongepast.

Aan het einde van een zonnige dag fiets ik door het vernieuwde Westerpark. Nauwelijks gehinderd door boomgroepen of struikgewas kunnen de ogen het terrein in een blik overzien. Er is bij het ontwerp zoveel ruimte aan ruimte gegeven, dat de vlaktes je armen langer lijken te maken. De enorme hoeveelheid lucht boven en naast je brengt ook lucht in je gedachten. Je besognes worden minder belangrijk. Verlangen naar stilte en eenvoud komt op.

En nu even zeer prozaïsch: al die ruimte maakt het bovendien mogelijk om `enge' mannen reeds op afstand te lokaliseren. Niet dat ik bang ben aangelegd, maar het besef dat dergelijke kerels hier geen kans hebben, komt wel in mij op en is zo plezierig dat ik wel moet toegeven dat ook ik, net als andere vrouwen, kennelijk altijd op mijn hoede ben. Hier hoeft dat niet. Zo zonder vrees kan ik nog intenser van het park genieten. Dikwijls krijg ik de neiging mijn armen te spreiden of – als ik zou kunnen – met fiets en al door de lucht te rijden.

Maar vandaag laat ik mij niet door die ruimte beïnvloeden. Vandaag neem ik de groene route uitsluitend omdat hij mijn weg bekort, want ik moet naar een afspraak en ben al aan de late kant.

Het park is uitgestorven. Zelfs joggers laten het afweten. Ik trap flink door en zie halverwege een onverhard pad een onbemande rollator staan waar een wandelstok boven uitsteekt. Ik kijk rond. Geen spoor van enig ander mens. Stel dat de eigenaar van zo'n wagentje plotseling besluit te gaan wandelen, dan neemt hij of zij toch die stok mee?

Ik stap af. In het netje voor het stuur ligt een stuk brood, een gekreukte Arabische krant, een brillenkoker en een moersleutel. Een man? Aan een handvat hangt een rozekleurig medisch hulpmiddel dat zo te zien om de romp gedragen moet worden. Een breukband? Weer kijk ik rond. Niemand, zover het oog reikt. Ik begrijp er niets van.

Van jaren geleden herinner ik mij een dergelijk raadsel dat ik evenmin kon oplossen. In de sneeuw zag ik een vogelspoor dat plotseling ophield, terwijl nergens een vogel te bekennen was. ,,Opgevlogen'', verklaarde mijn vriend. ,,Of geland.'' Ach natuurlijk. Het was verleidelijk te geloven dat het verdwenen mens ook opgevlogen was. Dat het de hinderlijke breukband had afgelegd, de stok voor een ander had achtergelaten en onbelast, licht als een vogel, naar het paradijs was afgereisd.

Het Westerpark mag dan mijn gedachten vrijmaken voor fantasieën, het blijft wel een park in Amsterdam en als Amsterdammer-met-haast zou het opvliegen van de rollatorbezitter mij nu heel goed uitkomen. Zal ik doen of mijn neus bloedt en gewoon doorrijden? Maar welk mens laat zijn rollator zo onbeheerd staan? Is de eigenaar beroofd en in het riet gesmeten? Ik heb geen mobieltje om mijn afspraak af te bellen. Is er niemand anders om mijn taak over te nemen? Ik moet iets doen. Misschien ligt het mens kreunend in het riet, maar kan het nog wel antwoorden. Terwijl ik om mijn as draai, roep ik luidkeels: ,,Hallo, hallo, hallo.'' Dat begrijpt ten slotte iedereen.

Honderd meter verderop verschijnt boven een rietkraag het donkere hoofd van een jonge man. Die gebaart dat het goed is en roept : ,,Oké, oké.'' Opgelucht stap ik weer op. Mijn route voert mij langs hem. Vlak naast een oude boom zit hij op een plaid tegen het talud en zingt teksten uit de koran. Hij houdt zijn handen met de palmen naar boven voor de borst en begeleidt het reciteren met zacht schudden van zijn hoofd. Naast hem ligt een oude man wiens grijze hoofd rust in de schoot van de jongen. Zachtjes neuriet hij mee en kijkt glimlachend naar de nog kale takken en de lucht.