We staan totaal alleen

Vraag een Griek eens naar Srebrenica. Grote kans dat hij niet weet wat dat is. Griekenland had decennialang het gevoel niet bij Europa te horen. Niet geaccepteerd te worden. De Olympische Spelen hebben dat nu veranderd. Tijdelijk?

`Voor Griekenland, verdomme!'' Deze kreet, die in het Grieks nog wat krachtiger overkomt doordat hij seksueel geladen is, slaakte Voula Patoulidou tijdens de Olympische Spelen van 1992 in Barcelona nadat ze de 110 meter horden had gewonnen. Mede dankzij een valpartij van haar rivale, maar daar hoor je de Grieken niet meer over.

Het was 96 jaar geleden dat Griekenland voor het laatst (en voor het eerst) goud had gewonnen op een atletieknummer. De legendarische boerenzoon Spyros Louis had bij de eerste moderne Olympische Spelen in Athene (1896) de marathon gewonnen. Bij alle Spelen daarna mocht de Griekse delegatie voorop lopen in de openingsceremonie. Maar medailles bleven hoogst zeldzaam.

Voula verwoordde met haar kreet nog iets anders. In 1992 maakte haar land een periode van isolement door, een periode die vaak als misero werd aangeduid. De Macedonische kwestie beheerste de buitenlandse politiek, en buiten Griekenland heerste alleen maar irritatie over Griekenlands weigering de naam van de nieuwe buurstaat Macedonië te erkennen.

De politicus die als minister van Buitenlandse Zaken in Brussel al eerder een slechte naam had gekregen, Thódoros Pángalos, vertelde zijn landgenoten in een eerlijke bui dat ze niet moesten denken dat ook maar enige buitenlander het Griekse standpunt begreep. ,,We staan totaal alleen.'' Hierop ging ook de kreet van Voula terug. Zelf verklaarde ze er later verbaasd over te zijn geweest, omdat ze eigenlijk nooit vloekte. Dat suggereerde dat de kreet een uitvloeisel was van een soort nationale collectieve emotie, men zou aan Jung kunnen denken. Het is nog altijd een gevleugeld woord in het Griekse spraakgebruik.

Als je de geschiedenis in aanmerking nam, hadden de Grieken met hun gevoeligheid voor de term Macedonië wel een beetje gelijk. Maar omdat ze dat gelijk van niemand kregen, vielen ze ten prooi aan een nationalistische hysterie. Zo kwamen ze met ruim een miljoen tezamen in Thessaloniki om ,,Macedonië is Grieks'' te roepen – dat is historisch nu juist weer fout – en om te luisteren naar een opzwepende kerkvorst die het buurvolk uitschold voor `zigeuner-Skopianen' (een verwijzing naar de hoofdstad van de nieuwe staat, Skopje).

Taxichauffeurs vroegen je, niet al te vriendelijk, ,,waarom juist Nederland zo anti-Grieks was''. Minister van Buitenlandse Zaken Van den Broek had iets miszegd over Macedonië en dat leidde tot een boycot van Nederlandse producten. Zijn naam werd met afschuw uitgesproken, maar toen hij was opgevolgd door professor Kooymans, verscheen er niet één Griekse journalist op de persconferentie die Kooymans in Athene gaf. Niemand was geïnteresseerd in de mogelijkheid van een `schone lei'. Nederland was anti-Grieks en pro-Turks en daarmee uit.

Maar anti-Grieks was de hele wereld. De zanger Dimítri Mitropanós boekte successen met zijn elpee Nationale Eenzaamheid, waarin Thessaloniki als Macedonische hoofdstad werd bezongen. Premier Kostas Mitsotakis creëerde dan ook algemene verbazing toen hij zich liet ontvallen: ,,Over tien jaar zijn we deze hele affaire vergeten.'' Hij kreeg verpletterend gelijk.

Dat Griekenland zo'n slechte reputatie had, vooral in Europa, kwam overigens niet door Mitsotakis, maar door diens voorganger – en opvolger – Andreas Papandréou. Die had zich in de jaren '70 als oppositieleider verzet tegen toetreding tot de Europese Gemeenschap met de leuze: ,,EG en NATO, hetzelfde syndicato.'' Maar na zijn verkiezingsoverwinning in 1981, kort na de toetreding, voegde hij zich op meesterlijke wijze naar de Gemeenschap, alle materiële voordelen daarvan uitbuitend (waardoor hij ook de verkiezingen van 1985 won). In Brussel kreeg hij de naam de EG als melkkoe te beschouwen, zonder zich te voegen naar de gemeenschappelijke politieke lijn die de EG nastreefde.

Zo weigerde hij mee te doen met de veroordeling van de Sovjet-Unie na het neerschieten, in 1983, van een Koreaans verkeersvliegtuig. Talloze Europese wenkbrauwen gingen omhoog toen Papandreou ,,zijn broeder Arafat'' op het Atheense vliegveld met een kus inhaalde, en toen hij na een reis naar Polen generaal Jaruzelski een ,,patriot'' noemde. Andere Europese regeringen zijn hem overigens in deze benadering gevolgd, maar Papandreou bleef de reputatie houden te flirten met groezelige staatshoofden.

Het ergste was de onvervalst pro-Servische houding die Athene in de jaren '80 en '90 innam. Met als dieptepunt de grootscheepse ontvangst in Athene, door politici, vakbeweging en kerk, van de Servische leider Karadzic in 1989. Papandreou noemde de man die later van oorlogsmisdaden zou worden beschuldigd ,,een man des vredes''.

De Grieken worden hier nu niet graag meer aan herinnerd. De meesten weten het al niet meer en er wordt nooit aan gerefereerd. Srebrenica (1995) is aan de Griekse media achteloos voorbijgegaan. Een kleine minderheid weet waar deze naam voor staat. De huidige regeringswoordvoerder Theódoros Roussópoulos was maar al te trots toen hij werd uitverkoren om Karadzic en Mladic in hun schuilplaatsen te interviewen. Het werden twee allervriendelijkste conversaties, waarin elke kritische noot ontbrak.

,,Griekenland had nooit lid van de EU mogen worden'', hoorde men steeds vaker in Brusselse gelederen, en men herinnerde eraan dat indertijd de Commissie negatief had geadviseerd over die toetreding. Het was de ministerraad die op politieke gronden Griekenland in 1979 het groene licht gaf. Tijdens hun voorzitterschap in 1988 hebben de Grieken er alles aan gedaan om de topconferentie op Rhodos tot een succes te maken. Zelfs Thatcher sprak openlijk haar bewondering uit voor de manier waarop deze conferentie was opgezet. Dat de Grieken niet zouden kunnen organiseren, wat in de maanden voor de Olympische Spelen tot vervelens toe werd gehoord, bleek toen al een fabeltje.

Totaal verongelijkt voelde de hele natie zich op 18 september 1990, toen tegen alle verwachtingen in niet Athene, maar Atlanta werd aangewezen voor de Olympische Spelen van 1996, een eeuw na de eerste moderne Spelen in Athene. Er waren voor die avond diverse feesten georganiseerd. Ik heb Atheners zien huilen, van boosheid vooral. ,,Coca-Cola heeft het Parthenon verslagen'', schimpte Melina Merkouri, acht jaar lang minister van Cultuur. En er gingen stemmen op om de olympische vlam voor deze Spelen niet af te staan.

In 1993, bij het aantreden van de nieuwe regering van Andreas Papandreou, waren de ergste uitingen van nationalisme, ressentiment en verongelijktheid voorbij. De premier benoemde een aantal geheel op Europa geöriënteerde ministers. De nieuwe president Kortis Stefanopoulos bracht een uiterst vriendelijk bezoek aan het tevoren vervloekte Atlanta. Onder de regering-Simitis, na Papandreou's dood in 1996, werd deze tendens nog sterker. Jorgos Papandreou voerde op Buitenlandse Zaken jegens `erfvijand' Turkije een politiek die lijnrecht tegenover die van z'n vader stond.

Athene ontdeed zich van zijn reputatie in alles dwars te liggen waar het Turkije betrof. Zodat nu andere EU-landen zich moesten gaan afzetten tegen het perspectief van een Turks lidmaatschap. Griekenland doet in dezen niet meer langer het `vuile werk'. De regering-Karamanlís, die in maart 2004 aan de macht kwam, zet deze politiek nog intenser voort. De premier trad zelfs op als getuige bij het huwelijk in Ankara van de dochter van zijn Turkse collega Recep Erdogán.

De invoeging in de Europese monetaire unie in 2001 werd in het buitenland beoordeeld als een `Grieks wonder'. Sindsdien is er in Brussel weer wat meer bezorgdheid over de staatsschuld, permanent boven de 100 procent van het bruto nationaal inkomen (alleen die van Italië is nog wat hoger) en over het begrotingstekort dat boven de 3 procent dreigt te komen. Toch is Griekenland dit jaar het land van de wonderen: eerst de ongelooflijke prestatie bij het Europese voetbalkampioenschap in Lissabon, daarna het welslagen van de Olympische Spelen, tegen alle voorspellingen van `anti-Griekse' waarnemers in het buitenland in.

Griekenland krijgt nu eindelijk het respect waar het zo vurig naar verlangde. Bij elke nieuwsuitzending worden, vele minuten lang, alle lofuitingen in buitenlandse media voorgelezen of opnieuw geprojecteerd. In de jaren van isolement kreeg ik steeds weer te horen: ,,Terwijl wij het Parthenon bouwden, woonden jullie nog in de bomen.'' Natuurlijk wisten al die taxichauffeurs wel dat ze niet zelf hadden deelgenomen aan de bouw van het Parthenon. Maar al die gloednieuwe stadions, bruggen, wegen, de metro, de banlieu-trein en de tram, zijn wel degelijk van hén, in ieder geval van hun belastinggeld. ,,Atlanta deed het met tenten.''

De nationale eenzaamheid is voorbij. Maar de verongelijktheid? Terwijl iedereen bang was voor terroristische aanvallen, werpen nu dopingkwesties waarbij Grieken zijn betrokken een schaduw over de Spelen. En sprekers op de Griekse radio en televisie praten alweer naar hartelust over `anti-Griekse complotten' en `provocaties', vooral vanuit uit het jaloerse Amerika dat de Griekse successen in Sydney (13 medailles) niet kon hebben. Het land koestert zich in het vooruitzicht deze keer nog meer dan dertien medailles te winnen. Maar die ene bronzen die het heeft moeten inleveren (gewichtheffer Leonidas Sampanis had een te hoog testosterongehalte) tast de feestvreugde ernstig aan. De anti-Grieken zijn nog steeds op pad.Bij elke nieuwsuitzending worden, minutenlang, alle lofuitingen in buitenlandse media voorgelezen