Waarom Europese studenten voorgaan

Het kabinet wil niet korten op de financiering van studenten uit andere EU-landen. Zou het Europees recht hiervoor wel houvast bieden?

Rudy Grzelczyk was een Fransman die in België een opleiding lichamelijke opvoeding volgde. De eerste drie jaar voorzag hij in zijn levensonderhoud met bijbaantjes, maar in zijn vierde jaar werd dat te zwaar. Hij klopte aan bij de sociale kassen voor een uitkering, het zogeheten bestaansminimum. Dit werd echter geweigerd omdat hij niet een Belgisch burger was. Het kwam tot een rechtszaak en in 2001 besliste het Europees Hof van Justitie in Luxemburg dat dit een geval van verboden discriminatie was.

De Belgen hadden betoogd dat het Europees recht alleen verplicht tot uitkering voor werknemers uit andere lidstaten, voor wie het beginsel van vrij verkeer geldt, niet voor studenten.

Maar het Hof besliste dat louter zijn nationaliteit geen reden was Grzelczyk anders te behandelen dan een Belgische student, die wél voor de uitkering in aanmerking zou komen. Deze uitspraak was een mooie opsteker voor de gedachte van een Europees burgerschap, maar had wel de nodige gevolgen. Hij vormt een belangrijke verklaring van het voornemen van staatssecretaris Rutte (Onderwijs) om de rijksbijdrage voor studenten van buiten de Europese Unie, zoals Chinezen, te schrappen, zodat hun collegegeld fiks kan oplopen.

Rutte moet snoeien en zijn ruimte wordt beperkt door de plicht studenten uit de Europese Unie gelijk te trekken met de eigen studenten, zoals het Grzylczek-arrest zegt. Bovendien zijn er studenten in Nederland uit landen met een associatieverdrag, zoals Marokko en Turkije, die ook speciale aanspraken hebben. Dat laatste geldt niet voor studenten van buiten de EU, zoals de Chinezen – ook al protesteren de universiteiten dat hiermee hun internationale concurrentiepositie in de knel komt, nog afgezien van de risico's voor onze kenniseconomie.

De impact van de zaak-Grzelczyk is opmerkelijk omdat het onderwijsbeleid als zodanig niet behoort tot de bevoegdheden van de Europese Unie. Dat stelde het Europese Hof bijna twintig jaar geleden al vast, ook in een Belgische zaak. Toch worden onderwijsactiviteiten steeds meer beïnvloed door met name de regels voor het vrije verkeer en het algemene non-discriminatiebeginsel. ,,De rechtspraak van het Hof gaat ver'', aldus prof. K.J.M. Mortelmans van het Europa Instituut van de Utrechtse universiteit.

De gevolgen van Grzelczyk spelen ook een rol bij de zogeheten meeneembaarheid van Nederlandse studiefinanciering naar het buitenland, zo blijkt uit een rapport dat Mortelmans uitbracht samen met mr. R. van Ooik. Export van studiefinanciering vormt een belangrijk onderdeel van het project Studeren zonder grenzen. De titel spreekt voor zichzelf en past ook in de bevordering van de mobiliteit van studenten door Brussel (Socratesprograma). De regering moet echter wel beseffen dat ook hier de legale EU-student niet kan worden geweigerd wat de eigen studenten wordt toegestaan, waarschuwen de Utrechtse juristen.

De Europese rechtspraak kent enkele ontsnappingsroutes voor de benarde overheid, maar is daar in het algemeen niet scheutig mee. Zo kan de overheid eisen dat aanvragers van een rijksbijdrage een bepaalde tijd (bijvoorbeeld vijf jaar) hun woonplaats hier te lande hebben, maar dat maakt volgens Mortelmans vrijwel geen kans. Een taaleis of de eis van een Nederlands middelbare schooldiploma ligt in het hoger onderwijs meer voor de hand, maar levert toch Europeesrechtelijke risico's op.

Vormen de financiële consequenties voor de Nederlandse begroting niet een goede reden beperkingen te stellen voor studenten uit de Europese Unie? Het belang van deze consequenties werd erkend in uitspraken uit 1998 over gezondheidszorg van over de grens (de zaken Kohl en Decker).

Op grond daarvan valt te betogen dat het beroep van EU-studenten op de Nederlandse studiefinanciering het budgettaire evenwicht te zeer aantast. Nota bene: het gaat hier niet om het gehalte van de politieke afwegingen door ons land, maar om de Europeesrechtelijke houdbaarheid daarvan. Mortelmans en Van Ooik zijn daarover nogal sceptisch, al denken zij wel dat dit argument met de uitbreiding van de EU – en dus de potentiële lasten voor Nederland – wat meer kans maakt dan voorheen.

Nederland kan natuurlijk gewoon tóch een woonplaatsvereiste voor studiefinanciering stellen en zien waar het schip strandt. Dat is niet ongebruikelijk in onze omgang met het Europese recht.