Publiek

De Olympische Spelen waren een spektakel waar duizenden toeschouwers op af kwamen. Er wordt gesproken over 40.000 mensen. De hele oudheid door bleven ze komen, ook toen de Romeinen het in Griekenland voor het zeggen hadden gekregen. Vermoedelijk kwamen er toen nog veel meer mensen. Cicero mocht in de eerste eeuw voor Christus nog zo hard roepen dat intellectuelen zich verre dienden te houden van de Spelen, veel vooraanstaande Romeinen dachten daar anders over, bevangen als ze waren door het virus van de Spelen.

Supporters moesten er wel wat voor over hebben om de prestaties van hun helden met eigen ogen te kunnen aanschouwen. Tijdens de wedstrijden zaten ze op harde houten banken of stonden op een van de hellingen. Na de wedstrijden konden ze nauwelijks uitrusten. Het vinden van een prettige slaapplaats in de omgeving leverde al problemen genoeg op. De meeste toeschouwers huurden een tent of sliepen onder de sterrenhemel. Alleen de allerrijksten wisten tegen woekerprijzen een bed in een huis te bemachtigen. Pas in de derde eeuw voor Christus werd de situatie iets beter. Er werden gastenverblijven en hotels gebouwd, maar die waren zeker niet toereikend om alle bezoekers onderdak te verschaffen.

En dan het eten. De meeste fans kwamen van ver en de van huis meegebrachte biscuits, uien, knoflook, salades en gedroogde vruchten waren op. Omdat er niet zoveel bars en restaurantjes waren, zagen de inwoners van de streek de kans schoon om er een drachme bij te verdienen. Ze leverden alles, tot gedroogde vis of vers vlees van wilde dieren aan toe.

Hygiënisch was het niet. Toiletten en gelegenheden om zich te wassen waren er bijna niet. Het water van de in de zomer bijna droogstaande rivieren bood weinig uitkomst. Vliegen en muggen waren een voortdurende plaag.

Voor sommige critici waren al die ontberingen reden genoeg nooit naar Olympia te komen. De schrijver Claudius Aelianus verhaalt over een man van het eiland Chios die ruzie had met een van zijn slaven. Als dreigement hield hij hem een zware straf voor: hij zou hem meenemen naar de Spelen. Dan zou hij leren wat afzien is. En de filosoof Epiktetos is evenmin optimistisch als hij zijn lezers de grote hitte en droogte, de insecten, de allerbelabberdste sanitaire voorzieningen en de grote herrie voorhoudt. Maar voor de sportief ingestelde Grieken was dat geen bezwaar met duizenden te komen om hun helden toe te juichen. Ze reisden in het spoor van hun favorieten naar Olympia en na thuiskomst deelden ze een beetje in de glorie van de winnaars.