LPF-fractie moet kiezer meer bieden dan rust

Om als politieke partij te overleven heeft de LPF-fractie meer nodig dan een nieuwe naam en partij. Er moet ideologische samenhang komen, een echte leider en een aanhang die geen ruzie meer maakt.

De LPF-fractie zat de afgelopen dagen op de hei. Net als de fracties van andere partijen bereiden de Kamerleden zich zo voor op het politieke seizoen. Voor de LPF staat echter meer op het spel. De acht fractieleden zegden deze week collectief het lidmaatschap op van de politieke partij LPF. De commentaren van buiten de partij waren eensluidend: met deze breuk hebben de politieke erfgenamen van Pim Fortuyn een nieuwe stap gezet op weg naar het onvermijdelijke einde van hun avontuur.

Maar is dat einde onafwendbaar? De acht `vrijzwevende' Kamerleden geloven van niet. Zij denken nu definitief te hebben gebroken met de ruziemakers in de partij. Zij willen een nieuwe partij oprichten, misschien met Leefbaar Rotterdam of andere lokale partijen, en terugkeren naar een `ongedeeld fortuynisme' waarin alle aanhangers van de ideeën en persoon van Pim Fortuyn zich kunnen vinden.

De fractieleden kunnen daarbij enige hoop koesteren. Zo opereert de fractie ogenschijnlijk zonder grote conflicten. Er is wel gemopper over bijvoorbeeld de `ijdelheid' van Kamerlid Hilbrand Nawijn, die deze week de persconferenties over de scheuring verzorgde, of over de lawaaiige parlementaire stijl van zelfverklaarde would be-lijsttrekker Joost Eerdmans. Maar de irritatie wordt goeddeels binnenskamers gehouden. Geen van de fractieleden betwist fractieleider Mat Herben openlijk het leiderschap – al gaat niemand er vanuit dat hij bij volgende verkiezingen als lijsttrekker zal optreden.

Gezien het verleden kan de LPF aan dit gebrek aan ruzie misschien inderdaad enig optimisme ontlenen, meent Paul Lucardie, onderzoeker bij het Nederlandse Documentatiecentrum voor politieke partijen in Groningen. Het is geen onontkoombare logica dat partijen die aanhoudend ruziemaken ten onder gaan, zegt hij, maar wanneer de ruzie in de fractie woedt, is dat is in elk geval vaak wel zo. Zeker bij nieuwe partijen. Zo begon DS'70, een afsplitsing van de PvdA, in 1971 veelbelovend met acht zetels en – net als de LPF – regeringsdeelname. De partij kwam echter snel in een interne richtingenstrijd terecht. Na vijf jaar leidde dat tot een scheuring in de toen zeskoppige fractie. Het was de opmaat voor de ondergang. In 1977 hield de partij één zetel over, in 1983 werd ze opgeheven.

Een ander voorbeeld is de Boerenpartij van Hendrik `Boer' Koekoek. De belangenpartij, eind jaren vijftig, hield het wel lang vol. Zij bleef van 1963 tot 1981 aanwezig in de Kamer. Maar intern waren er voortdurend conflicten, die de successen overschaduwden. Een jaar na de grootste verkiezingswinst in 1967 scheidden vier van de zeven Kamerleden zich af. Een verschil in het voordeel van de LPF, aldus Lucardie, is dat bij zowel DS'70 als de Boerenpartij de partijleider een spil in de conflicten was. DS'70-lijsttrekker Wim Drees jr. en Koekoek trokken stemmen, maar intern wekten zij ergernis. LPF-leider Herben is geen ruziemaker. Hij krijgt eerder het verwijt te afwezig te zijn.

Je mag de vergelijking niet te ver doortrekken, zegt Lucardie, maar het meest doet de ontwikkeling van de LPF nog denken aan die van de Centrumpartij. Toen Kamerlid Janmaat in 1984 door het bestuur uit de partij werd gezet, betekende dat een breuk tussen partij en fractie. Ruzie in de fractie was niet aan de orde: Janmaat was het enige Kamerlid. De partij CP ging uiteindelijk failliet, opvolger CP'86 haalde nooit de Kamer.

Janmaat zelf keerde als Centrumdemocraat in 1989 nog voor ruim acht jaar terug in de Kamer. Maar om te overleven als politieke partij is meer nodig dan ruzie vermijden: er is ook een zekere politiek-inhoudelijke samenhang nodig. Het ontwikkelen van het `fortuynisme' als `politieke hoofdstroom' was de opdracht van Bert Snel, directeur van het dit voorjaar opgerichte wetenschappelijk bureau van de LPF. Maar Snel hoort met zijn bureau bij de partij waarvan de fractie nu gescheiden is. De Kamerleden van de LPF zijn zelf ook al enige tijd bezig met de opstelling van een 'fortuynistisch manifest'.

Fractielid Gerard Van As, die als `wijze man' de oprichting van de nieuwe partij voorbereidt, heeft zijn hoop onder meer gevestigd op oud-hoogleraar staats- en bestuursrecht S.W. Couwenberg. Deze voormalige aanhanger van de Leefbaar Nederland-beweging beschreef de erfenis van Fortuyn echter juist niet als een nieuwe ideologie, maar als het begin van ,,een nieuwe politieke levenscyclus'', waarin politieke strijd gaat om `concurrerende beleidsvisies': eerder technocratisch dan ideologisch. Dat lijkt haaks te staan op de behoefte van LPF'ers om het `fortuynisme' als ideologie te omarmen en daarmee het fundament onder een nieuwe partij te leggen.

Met de wens tot vorming van een eigen ideologie en partij staat de LPF in het huidige parlement nog het dichtst bij de SP. Partijen als CDA, PvdA, GroenLinks en de ChristenUnie zijn ontstaan uit fusies en relativering van ideologische verschillen. Nieuwe, van de grond af op te bouwen, partijen hebben echter wel een zekere ideologische samenhang nodig om te overleven, meent partijen-onderzoeker Lucardie. Hij wijst op de SP: ,,Er moet een sterk wij-gevoel zijn, dat zich afzet tegen de vijandige samenleving.''

De kiemen daarvoor lijken aanwezig. politicologen beschouwen de LPF wel als exponent van de nationaal-populistische bewegingen die in Europa opkomen, onder meer tegen `Brussel'. Kamerlid Eerdmans pleit voor meer `nationale trots' in politieke cultuur en beleid en een grotere rol voor staat en leiders. Bij de verkiezingen voor het Europees parlement in juni slaagde de LPF er echter niet in zich met zulke ideeën sterk te profileren.

De LPF-fractie lijkt een voorkeur te hebben voor het aanhalen met de banden met lokale leefbare partijen. Volgens Kamerlid Van As kan de nieuwe partij mogelijk de vorm aannemen van een federatie, een los verband van lokale partijen die zich alleen verbinden aan het nog op te stellen `fortuynistisch manifest'. Jan Nagel, oprichter van Leefbaar Hilversum en Leefbaar Nederland, gelooft er niet in dat een dergelijke beweging mogelijk zal zijn door het ,,opkalefateren van de LPF''. Nagel: ,,Ik blijf erbij, als je twee LPF'ers hebt, heb je drie ruzies en vier declaraties.''

Nagel behoort tot de degenen die de LPF niet zien als een nieuwe ideologische beweging (,,zij hebben geen politieke visie of idealen'') maar als het product van politieke ondernemerschap. Daarvoor blijft in zijn ogen ruimte. ,,Een groter deel dan ooit van de kiezers zit los''. Maar die kiezers zullen volgens Nagel vooral geïnteresseerd zijn in een nieuwe beweging – bijvoorbeeld een ouderenpartij met een een aantrekkelijke lijsttrekker, of een beweging van onafhankelijken die, hoopt hij, zou kunnen ontstaan wanneer in 2006 de eerste burgemeestersverkiezingen worden gehouden.

Ook bij de LPF is deze kansenanalyse van het zwevende electoraat populair. Herben kondigde in mei al aan volgend jaar te willen gaan praten met `bekende Nederlanders' over een mogelijk lijsttrekkerschap. Maar voor de LPF dreigt daar wel een dilemma, juist als het er in slaagt een enigszins gevestigde partij op te bouwen. Als de nieuwe leider politiek even avontuurlijk is ingesteld als de eerste voorman in 2002, kan het nog vóór de verkiezingen tot een breuk komen met de partij: zoals tussen Leefbaar Nederland en Fortuyn twee jaar geleden.