Je suis un Artist

Mij is de wacht aangezegd voor deze column, en ik moet ook toegeven dat iemand die deze zomervakantie drie weken in Zuid-Frankrijk is geweest met een stationwagen vol kinderen, moeilijk hip en happening te noemen is. Wat niet wegneemt dat wij ons weer hebben ondergedompeld in de kunstenaars-scene van de Côte d'Azur.

Het begon al in het dorpje waar we zaten (1.000 zielen), waar ter gelegenheid van het jaarlijkse Fête de la Croix een expositie van lokale kunstenaars in de salle des fêtes was georganiseerd. Een adembenemende collectie van beslist onverdienstelijk nageschilderde Vermeers en Van Goghs, plus een hoop zonovergoten tafereeltjes, ergens in de streek door de kunstenaars vastgelegd.

Elk Provençaals dorpje heeft wel een galerie, meestal gerund door een lijvige Kerry-gezinde Amerikaanse op leeftijd en volgehangen met werk van gepensioneerde landgenoten die in hetzelfde dorp zijn neergestreken. De kroon spant Saint Paul de Vence. Een zeer pittoresk en goed onderhouden stadje, gebouwd op de top van een heuvel, dat een van onze reisgenoten nog was aangeraden: ,,Daar staat de kunst letterlijk op straat!'' En inderdaad. In elk schilderachtig straatje vind je een antiekwinkel, plus een stuk of vijf galeries, die allemaal een of twee stukken als lokkertjes op straat tentoonstellen – op schildersezels, verzin het maar eens! En weer allemaal van die verschrikkelijke schilderijen: wilde irissen in Provençaals uitzicht, klaprozen voor Provençaals uitzicht, bougainvilles voor Provençaals uitzicht, overwoekerde bouwval voor Provençaals uitzicht, enzovoort. En natuurlijk veel afbeeldingen van de schilderachtige straatjes van Saint Paul de Vence. Niet om tegenaan te kijken! Hoogstens iets voor aan de muur van zo'n `leuk typisch Frans hotelletje', waar iedereen die het land aandoet altijd overnacht. Vraag: wie slaapt er toch in al die vijfsterrenhotels? De Fransen zelf?

Helaas zijn alle straten van Saint Paul voetgangersgebied, want wat zou het heerlijk zijn om met de auto al die `kunst' van de straat af te raggen. Leuk uitje voor de kinderen ook, en dan na afloop samen de versplinterde schildersezels tussen de dakrails van mijn stationwagen uittrekken.

Ook hier is de kunsthandel van, voor en door Amerikanen: dezelfde vrouwen op leeftijd, die hun vorstelijke alimentatie hebben aangewend om een geheel nieuw leven op te bouwen – een leven waarin `eindelijk plaats is om iets te doen met die creativiteit die er altijd al in heeft gezeten!' ,,I knew it all along; in fact, I'm an artist.'' Ik moet de hele tijd denken aan die oude hit van Stones-bassist Bill Wyman, `Je suis un rock star'.

Jazeker, iedereen is creatief. En helemaal als je een kantoorbaan hebt. Want dan krijg je vroeg of laat te horen dat je in feite hartstikke creatief bent, en dat je alleen nog moet leren hoe je die creativiteit moet aanspreken. Zodat je je eigen werk eens met een frisse blik kunt bekijken, om er achter te komen dat je met een beetje creativiteit de boel een stuk slimmer kunt aanpakken. En hop, weer een paar collega's minder.

Een prachtig voorbeeld van taalinflatie. Ooit was je creatief als je iets maakte wat nog nooit vertoond was, als je iets aan de schepping toe te voegen had. Maar in een kantooromgeving is het tonen van een beetje boerenslimheid al een daad van heuse creativiteit. En dat is ook belangrijk, want – over taalinflatie gesproken – `het kan altijd optimaler'.

Er zijn adviesbureaus die gespecialiseerd zijn in het losweken van de creatieve vermogens van uw personeel. Iemand die bij zo'n bureau werkt, vertelde me dat hij een keer als experiment zo'n creativiteitstraining aan een groepje kunstenaars had gegeven. En die waren tot zijn verbazing helemaal niet creatief. Ze bleken juist enorm star, bleven maar doorzeuren over het eerste idee dat ter tafel kwam, terwijl de bedoeling van zo'n training nou juist is dat je in korte tijd zo veel mogelijk verschillende ideeën genereert. Ik was helemaal niet verbaasd. Veel kunstenaars hebben namelijk maar één idee, en zijn hun leven bezig met het perfectioneren van de uitwerking ervan. De kunstenaar pretendeert immers dat zijn idee zo belangwekkend is, dat het levenslange toewijding verdient.

Maar goed, kantoorslaven hebben er niet om gevraagd om creatief te zijn. Uitzondering is de afdeling Communicatie. ,,Wij zijn toch een beetje de kunstenaars van het bedrijf'', is meestal het motto. Zij leven hun bodemloze creativiteit uit in allerlei drukwerk dat meestal ongelezen verdwijnt in de bak `alleen papier' (naast het kopieerapparaat), waardoor hun creativiteit zelden erkenning krijgt. Mij kwam laatst het interne blad onder ogen van de DWI (Dienst Werk en Inkomen, voorheen Sociale Dienst). Een publicatie die exemplarisch is voor de rauwe creativiteit die hoort bij een goedlopende afdeling Communicatie. Wie zei er hier dat ambtenaren niet creatief zijn? De hele oplage zal inmiddels wel opgehaald zijn door de trucks van het recyclingbedrijf, dus laat ik hier dan, in de hoop dat míjn stukjes wel gelezen worden, proberen om een van de creatieve vondsten uit dit blad aan de vergetelheid te ontrukken: het blad brengt elke maand een verslag van een gesprek tussen twee belangrijke mensen in het werkgebied, in de serie `DWIaloog'. Kom er maar eens op.

Nee, iets creëren, en aan het eind van de dag al zien dat het goed is – dat is aan God voorbehouden. Maar die werkte dan ook zes dagen per week.