Het multiculturalisme is achterhaald: het einde van de smeltkroes en de slakom

Volgende week praat de Tweede Kamer met het kabinet over het rapport van de commissie Onderzoek Integratiebeleid. Het gaat onder andere om de vraag: hoe willen wij met elkaar samenleven in een tijd van immigratie? Multiculturalisme, was lang het antwoord. Maar met zijn nadruk op etnische afkomst ligt die fase eigenlijk al achter ons. De ervaring in Engeland leert dat de toekomst is aan een politiek zonder grenzen of etnische symbolen.

Halverwege de twintigste eeuw – in een van de kwalijkste tijdperken van de mensheid – ging politiek over wat er van ons terecht zou kunnen komen. Er waren twee collectivistische ideologieën over het lot van de wereld met wetenschappelijke pretenties. Het marxisme-leninisme was gebaseerd op onontkoombare, universele wetten van klassenontwikkeling en -strijd. Het nazisme-fascisme verkondigde voor één enkel ras onontkoombare wetten op het gebied van de biologische en rassenontwikkeling.

Tegenwoordig denken we minder na over wat er van ons als groep terecht kan komen en piekeren wij vooral over hoe je als individuen in een gemeenschap moet samenleven. De hele wereld is in beweging. De rijke wereld, vooral Europa en Noord-Amerika, wordt ermee geconfronteerd hoe mensen in een honderdtal achtergebleven landen, die zich ooit stil hielden onder een deken van kolonialisme en achterlijkheid, gaan migreren in de hoop op een beter leven.

Hoe leren wij met elkaar te leven? En vooral, hoe doen wij dat in een internationaal stelsel, in afzonderlijke nationale staten en in westerse steden die steeds vaker reisdoel en woonplaats zijn van migranten uit die `vertraagde' delen van de wereld? Het huidige antwoord van de rijke wereld op die vraag is het multiculturalisme. Mijn stelling is dat dat ideaal, hoe goed bedoeld ook en hoeveel beter dan eerdere recepten, achterhaald is en steeds minder relevant zal worden.

Het multiculturalisme domineert op dit moment het politieke discours. Wil er een stralende `stad op de berg' komen, dan meent men – in dit tijdperk van migratie en mensenrechten – dat het een stad zal moeten zijn waarin vele etnische gemeenschappen vreedzaam naast elkaar wonen en zelfs elkaars culturele tradities eerbiedigen.

Dit visioen heeft de plaats ingenomen van het oudere beeld van de `smeltkroes', waarin nieuw aangekomenen zonder meer opgaan in de dominante cultuur die zij aantreffen. Vele bestuurders van westerse steden spreken tegenwoordig liever van een `slakom' – een gezond, knapperig mengsel van tegenstellingen.

Men denkt ook dat dergelijk multiculturalisme verwijdering inhoudt van de door etniciteit beheerste politiek. Maar dat klopt niet. Het ligt nog altijd besloten binnen de notie van de etniciteit. Zeker, multiculturalistisch beleid distantieert zich van assimilatie als doel, van het idee dat etnische politiek niets anders kan inhouden dan onderwerping aan het monopolie van de etnische meerderheidsgroep op macht en cultuur. Nu hoor je dat het etnisch nationalisme kan worden getemd door een soort `gelijkheidsverklaring'. Het klinkt heel mooi dat alle etnische nationalismen van nature gelijkwaardig zijn. Maar praktisch houvast biedt het nauwelijks.

En hoe stabiel is het multiculturalisme? Een van de treurigste taferelen van de laatste jaren was het uiteenvallen van oude multiculturele gemeenschappen in geweld en haat. Wij hebben dit in Europa zien gebeuren – het meest recente geval was de desintegratie van Joegoslavië – maar het gebeurt overal ter wereld.

Hoe kan het dat mensen van verschillende godsdiensten en culturen die eeuwenlang in een zekere vrede hebben samengeleefd – samen roddelend bij de dorpspomp, de kinderen samen in de schoolbanken, vertrouwd met elkaars talen – ineens ontdekken dat zij elkaar onverdraaglijk vinden?

Ik heb een sombere hypothese: de ervaring van `bevrijding' kan de fatale katalysator zijn die sporenelementen van wantrouwen en culturele afkeer doet neerslaan tot een hete, duistere brij van haat. Dat wantrouwen is nooit helemaal weggeweest, zelfs niet in gemengde gemeenschappen die zich eeuwenlang ogenschijnlijk heel aardig hebben gered. Er bleef altijd een gevoel van anders-zijn, het idee dat de buren achter hun gesloten vensterluiken of in hun heiligdommen misschien rare dingen uitspookten.

Dit soort schimmige verdenkingen zijn nooit helemaal weggeweest uit schijnbaar stabiele mengsels als die van Azeri en Armeniërs in Karabach, moslims en orthodoxe Serviërs in Bosnië, hindoes en moslims in Brits-Indië, joden en Arabieren of Berbers in Noord-Afrika, of Polynesiërs en Indiërs op Fiji. De lijst is lang, en hij wordt alleen maar langer.

De kit die zulke gemeenschappen bijeenhield, was angst. Al die oude multiculturele samenlevingen stonden onder een of ander willekeurig bewind. Zij waren onderdanen van een tsarenrijk, een koloniaal imperium of een kalifaat, dat hen met geweld regeerde en hun geen of weinig politieke rechten gunde. Als in zo'n gemeenschap de onderlinge tolerantie het begaf, wist iedereen dat een hardhandig gezag van buitenaf troepen zou sturen om `de orde te herstellen'. Iedereen zou daarvan de dupe zijn, niemand zou er wel bij varen.

Maar wanneer die druk van buitenaf wegvalt – door de ondergang van een imperium of van de Sovjet-Unie of van Tito's Joegoslavië – dan valt ook die permanente angst weg. De `vrijheid' verlokt de mensen om hun buren in een ander, minder toegeeflijk licht te bezien. De bevrijde volkeren vinden opnieuw hun verleden uit en gaan op zoek naar zondebokken voor ooit geleden onrecht. De komst van `democratie' in zulke gemeenschappen zal soms eerder verdeeldheid dan eenheid brengen.

In een pluralistische democratie worden de mensen uitgenodigd om partij te kiezen, op zoek te gaan naar wat hen scheidt. In samenlevingen waar geen burgermaatschappij tot ontwikkeling heeft kunnen komen, is veelal niet rijkdom, klasse of sociale rol het eerste verschil dat zich opdringt, maar etniciteit.

Waarom mondt het gevoel van vrijheid uit in de wens om alleen vrij te zijn, zonder `de ander'? Daar heeft nog geen socioloog een bevredigende verklaring voor gevonden. Maar vooral de laatste vijftien, twintig jaar hebben zich overal ter wereld, wanneer minderheden uit hun woonplaatsen verdreven werden, etnische botsingen voorgedaan. Het einde daarvan is helaas nog niet in zicht. De wereld is vol landen die nooit iets anders dan bestuurlijke willekeur hebben gekend en waar de ervaring van bevrijding, of van een democratische revolutie of hoe wij het maar noemen, nog in het verschiet ligt.

Steeds meer buren zullen elkaars nabijheid ondraaglijk vinden. Er zullen meer stromen hulpeloze vluchtelingen komen, nog eens miljoenen gezinnen die asiel zoeken. Sommigen zullen, wanneer de vrede weerkeert en vrijwilligers ter plaatse hun best doen, op den duur misschien naar huis terugkeren – of misschien hun kinderen. Sommigen zullen terechtkomen in de `Gaza-archipel' van permanente vluchtelingenkampen waarmee de aarde nu al bezaaid is. Maar velen zullen belanden in de sloppenwijken of de woonkazernes van vreemde wereldsteden.

En hier verplaatst de kwestie zich van het verleden weer naar het heden. Uit de traditionele gemengde gemeenschappen keren wij terug naar de uitgestrekte steden van het moderne Europa en Amerika, die uit alle hoeken van de aarde migranten aanzuigen. Kunnen die oude vormen van multiculturalisme, waarin etnische groepen, elk met hun eigen karakter, vredig samenleefden, in Londen, Berlijn, Toronto, Istanbul of Antwerpen worden gereconstrueerd? Ja, dan kan, want ze bestaan immers al in deze `slakomsteden'. Maar zij kunnen niet eeuwig, of zelfs maar voor langere tijd, blijven bestaan. Waar het om gaat, is dat het multiculturalisme in de westerse steden geen doel op zich is. Het is een tussenstation op weg naar iets anders.

Men dient goed te begrijpen hoe conservatief de multiculturele oplossing is. Zij is letterlijk conservatief, in de zin dat zij doorgaans de meest reactionaire, traditionalistische elementen van een etnische groep mondig maakt – gewoonlijk de leden van de oudere generatie die religieuze en culturele orthodoxie willen opleggen (in Groot-Brittannië schrijft Yasmin Alibhai-Brown hier verstandige dingen over). Maar ze is bovendien conservatief in bredere zin: ze probeert één enkel moment uit een continu veranderingsproces te fixeren.

Dit is een strijd die de oudsten niet kunnen winnen. Binnen het kader van deze reusachtige wereldsteden en de aanhoudende immigratie voltrekt de culturele versmelting zich onweerstaanbaar. Waar we naartoe gaan – en wat al in hoog tempo zichtbaar wordt – is een hybride vorm van samenleven. Dat is een nieuw soort stedelijke samenleving. Het is geen boeket van contrasterende culturen maar een nieuwe synthese. Deze is de vrucht van de verbreiding van de mensenrechtencultuur, van de ontbinding van beschermde carrièrestructuren ten gunste van een duizelingwekkende opeenvolging van kortstondige kansen op banen, gemengde huwelijken en alle andere vormen van economische en sociale druk die individuele levenskeuzen voorrang geven boven groepsconformiteit. Hybriditeit betekent, in de woorden van (de Schotse filosoof) Tom Nairn, ,,de aanvaarding van onherroepelijke vermenging als uitgangspunt in plaats van als probleem''.

Uitgangspunt? Jazeker, want ook de hybriditeit zal naar alle waarschijnlijkheid niet het einddoel zijn. Daarna komt wéér een fase, die wij `post-hybriditeit' kunnen noemen. Nairn heeft een optimistische kijk op hoe die eruit zal zien: zij zal politiek van aard zijn. Anders gezegd: de nadruk op `cultuur' (lees: culturele verschillen) zal zijn afgesleten, en de mensen zullen eindelijk vrij zijn om aan de opbouw van een nieuw democratisch bestel te werken. Zij kunnen dat doen omdat zij zich hebben bevrijd van oude, repressieve regimes – hetzij imperialistisch, koloniaal of inheems-despotisch.

Belangrijker nog is dat zij zich bovendien zullen hebben bevrijd uit de greep van de culturele en etnische categorieën die zo lang als het kernweefsel van de menselijke betrekkingen zijn beschouwd.

Is zo'n (post)hybride stedelijke samenleving stabiel, of is zij zonder het traditionele sociale cement vluchtig en veranderlijk als een hoopje stof? In grote delen van Londen wordt zo'n soort samenleving al zichtbaar, en er zijn geen tekenen dat het verzwakken van etnische of culturele identiteiten leidt tot atomisering en vluchtigheid. De banden in zo'n samenleving kunnen veel bronnen hebben, die blijven bestaan of zelfs sterker worden als de culturele loyaliteiten zwakker worden. Te denken valt aan: burgerlijke loyaliteit jegens een stad en zijn instellingen; het sociale kapitaal van organisaties als kerken, politieke partijen, voetbalteams, allerlei clubs; het saamhorigheidsgevoel van nieuwe, kleinschaliger arbeidsvormen waar mensen verschillende taken vervullen en betrekkelijk autonoom kunnen werken; of zelfs de gewoonte om met elkaar `om te hangen' in cafés en bars, waar veel veel jongen mensen van uiteenlopende achtergronden veel tijd besteden aan roddels en onderlinge praatjes. Er bestaat wel degelijk een stabiele `samen'leving na het multiculturalisme.

De hybriditeit en al wat daarna moge komen heeft tal van implicaties. Een ervan is dat in Europa politieke loyaliteit misschien eerder een institutioneel dan een etnisch karakter zal krijgen. Patriottisme zal zich niet meer richten op een vlag of een volk, maar op gezamenlijke prestaties: een constitutie, wetgeving of zelfs – zoals de Britse minister van Financiën Gordon Brown ooit heeft geopperd – een nationale gezondheidsdienst. Maar de belangrijkste verandering zou zijn dat politiek op basis van cultuur afsterft. In plaats daarvan zal misschien een politiek zonder grenzen of etnische symbolen haar intrede doen. De mensen zouden uit hun Somalische, Bengaalse of Kosovaarse traditie alleen datgene kiezen wat zij willen bewaren of in ere houden. Maar als burgers zouden zij elkaar als individuen tegemoet treden, zonder nadere aanduiding, als mensen onder elkaar.

Journalist en schrijver. Auteur van onder andere `The Struggles for Poland', `Black Sea', en `Stone Voices: the search for Scotland'.

Dit artikel verscheen grotendeels eerder op openDemocracy.org